In de winter van 1927 klopt een ambtenares van de Woningdienst op de deur van Elandstraat 105, 1 hoog. Daar, in een kleine tweekamerwoning zonder meubels, woont het gezin Koeman: vader, moeder en zeven kinderen. Met z’n negenen delen ze twee bedsteden en een ledikant. De krotwoning wordt binnenkort gesloopt, en dus moet bepaald worden of de bewoners ‘betrouwbaar’ dan wel ‘asociaal’ zijn. In het eerste geval krijgt het gezin een goedkope gemeentewoning, in het tweede geval wordt het voor ‘heropvoeding’ naar Asterdorp gestuurd.

Over de situatie op Elandsstraat 105 is de ambtenares niet te spreken. In haar rapport noteert ze, onder het kopje ‘toestand van het gezin’: ‘Buitengewoon ruw en vernielzuchtig (...). Vrouw was bij bezoek niet thuis. Oudste jongen paste op de kinderen. Vreeselijke kinderen, die over schoorsteenmantel, tafel, bedden enz. elkaar achterna joegen. Twee jongens waren bezig met messen op de tafel te hakken.’ Het is duidelijk: de familie Koeman moet naar Asterdorp.

Tucht

Deze zogenaamde ‘inrichting voor heropvoeding’ is dan net een jaar geopend. Het is het geesteskind van Arie Keppler, sociaal-democraat en directeur van de Gemeentelijke Woningdienst. In Asterdorp wil hij ‘wanbetalers, vervuilers en ruziemakers’ omvormen tot ‘rustige kalme bewoners’. Dat kan volgens Keppler het best met harde hand. ‘In zo’n complex moet in de eerste plaats tucht heersen,’ schrijft hij. ‘Tucht die van buitenaf opgelegd (...) langzamerhand moet overgaan in een innerlijke tucht, als gevolg van de verandering in wezen en denken.’

Een verblijf in Asterdorp is tijdelijk – zodra de heropvoeding is voltooid, worden de bewoners overgeplaatst naar een gemeentewoning. Om dit te stimuleren mag Asterdorp vooral niet te ‘normaal’ worden. Het complex is met een muur van de stad afgesloten; om binnen te komen moet je door een poort. In de hele wijk staat geen boom of ander groen, alleen een zandbak voor de kinderen.

Woningen heten nadrukkelijk ‘verblijven’, en de huur, die wekelijks geïnd wordt, ‘vergoeding voor de verblijfskosten’. De straten hebben geen namen, maar nummers. ‘Opdat uit alles zal blijken, dat men woont in een tehuis, in een inrichting en niet in een normale woning,’ aldus een tevreden Keppler.

Op 28 februari 1927 betrekt het gezin Koeman verblijf nummer 60, een gelijkvloerse woning met vier slaapkamers en een ruime woonkamer annex keuken. Het is een vooruitgang ten opzichte van het donkere hok in de Elandsstraat, maar voor deze relatieve luxe betalen ze een prijs: hun persoonlijke, dagelijkse leven ligt plotseling onder een vergrootglas. Regelmatig komt de woningopzichteres controleren of de bedden zijn opgemaakt, of de kinderen schone kleding dragen en of het gezin wel op gezette tijden eet, aan een gedekte tafel. Is dat niet het geval, dan krijgen de bewoners een aantekening in hun gezinsrapport.

Bemoeizuchtig

Daarin wordt namelijk minutieus bijgehouden hoe de Asterdorpers zich ontwikkelen. De woningopzichteressen zijn streng en bemoeizuchtig, en noteren zelfs de kleinste vergrijpen. Een stapel hout voor de deur, brutale kinderen – zelfs het eten van een boterham kan een afkeurende notitie opleveren. Zo noteert een woningopzichteres na een huisbezoek aan het gezin Viskoper: ‘Vrouw sneed een homp [van het brood] af, hapte er van en terwijl ze het boven op tafel legde, kloof de man er verder aan totdat zij het merkte, een aanmerking er over maakte, waarop hij het neerlegt en zij het verder netjes opeet! Hoogst achterlyk.’

Vader Cornelis Koeman, een werkloze karrijder, zal niet blij geweest zijn met de gedwongen huisbezoeken. In het gezinsrapport wordt hij omschreven als ‘koppig, trots, opvliegend, wantrouwend’. Regelmatig voelt hij zich onheus bejegend, en komt dan op hoge poten verhaal halen. Net als vele andere Asterdorpers heeft hij bijvoorbeeld moeite met het washuis. Om te controleren of de bewoners vaak genoeg hun kleren reinigen, zijn de vrouwen verplicht om daar elke week naartoe te gaan. De trotse Koeman wil het washuis best gebruiken, maar niet ‘als het waar is, dat zyn vrouw gedwongen zal worden, indien blykt, dat ze in geen twee weken gewasschen heeft’.

Uiteindelijk hebben Cornelis en zijn vrouw Catharina echter niets te willen. Binnen de muren van Asterdorp valt niet te tornen aan het gezag van de woningopzichteres. Zij gaat over de was, zij bemiddelt bij burenruzies, vraagt uitkeringen aan, regelt extra kleding of schoenen en stuurt spijbelende kinderen terug naar school.

Sommige Asterdorpers zijn dankbaar voor de geboden hulp, anderen wantrouwen de instanties. Cornelis behoort duidelijk tot de tweede categorie. Op een dag stormt hij woedend het kantoor van de woningopzichteres binnen en roept ‘dat hy te weten is gekomen, dat er op het bureau van ieder gezin een rapport is, waarop alle gebeurtenissen worden aangetekend en waarop met groote letters staat, dat het een ontoelaatbaar gezin is.’ Blijkbaar is dat niet algemeen bekend.

Dat het wantrouwen wederzijds is, blijkt als Koemans dochtertje vlak na de geboorte overlijdt. ‘Vader komt (...) op het bureau en stelt zich daar aan als een bezetene, omdat dokter (...) tegen den begrafenisondernemer gezegd zou hebben, dat het kindje onder verdachte omstandigheden is gestorven. Man vindt dit zoo’n geweldige blaam, dat hy den geheelen geneeskundigen dienst wil vermoorden.’

Stigma

Het mag geen verrassing heten dat de dokter in Asterdorp gespitst is op verdachte omstandigheden. Hier wonen immers, in de woorden van directeur Keppler: ‘sociaal achterlijke gezinnen’. Normale mensen lopen niet zomaar door de poort naar binnen. En doen ze dat wel, dan blijkt vooral hoe diep de vooroordelen jegens de Asterdorpers zitten. Zo weigert een naar het dorp geroepen vroedvrouw om te werken, zeggende ‘dat het geen manier was, om haar naar een gevangenis te zenden, om daar in een groot, vuil gezin te gaan werken. Dit achtte zy ver beneden haar waardigheid. In Asterdorp wilde zy in geen geval werken.’

De Asterdorpers lijden onder hun reputatie. Kinderen durven op school hun adres niet te noemen, uit angst voor pesterijen. Mannen klagen dat ze geen werk krijgen als bekend wordt dat ze uit Asterdorp komen. Het stigma is zo groot dat Keppler de verblijven niet gevuld krijgt. ‘Men acht zich te goed’, is een veelgehoorde reden om een woning in Asterdorp te weigeren. In 1931 staat de helft van alle huizen leeg.

Toch is het in leven in Asterdorp niet zo slecht als de reputatie van de inrichting doet vermoeden. In het dorp heerst een grote saamhorigheid: het gezin waar de vroedvrouw weigert te werken, krijgt uiteindelijk hulp van de buren. Koeman regelt ’s winters extra dekens voor alle Asterdorpers. De ‘vuile, ongunstige’ Riemsdijk ontfermt zich over zijn gehandicapte buurman, getuige een ontroerende opmerking in zijn rapport: ‘Van Riemsdijk heeft achter fiets een aanhangwagentje gemaakt. Hij neemt nu af en toe Wielinga mee uit rijden. Wielinga (heeft geen beenen) is zeer opgetogen over alle natuurschoon, dat hij te zien krijgt.’

Geen resultaat

Op 27 december 1929 eist Koeman directe overplaatsing. ‘Hij wil zyn recht en geen woning in Asterdorp’ noteert de woningopzichteres. ‘Hij laat zich niet langer trappen. Volgens zyn zeggen, laten de ambtenaren nu hun maskers vallen en loopen met ploertendooders in hun zak. Hy vindt ook het bestaan van Asterdorp niet langer noodig.’ Het gezin voldoet echter nog niet aan de eisen; pas twee jaar later krijgt Koeman een woning toegewezen in Tuindorp Buiksloot.

Daarmee komt een einde aan de notities in het gezinsrapport, maar niet aan de problemen. Het sociale dossier van Cornelis Koeman, dat doorloopt tot zijn overlijden in 1979, is een treurige opeenstapeling van steunaanvragen. Koeman werkt als ongeschoold arbeider, maar wordt telkens ontslagen vanwege ‘slapte’ of ‘misbruik van de sterke drank’. In 1936, vier jaar na Asterdorp, schrijft Catharina Koeman een wanhopige brief aan de gemeente, waarin ze vraagt om extra steun, ‘en wel zo spoedig mogelijk dan anders mijn gezin ten gronde gaat. [Onze kinderen worden] tot minderwaardige wrakstukken (...) met honger en ellende’. Wie het dossier Koeman inziet, moet wel concluderen dat hier de Asterdorpse heropvoeding heeft gefaald.

De conclusie trekt ook de gemeenteraad. Asterdorp kost geld en er wordt lang niet altijd resultaat geboekt. Bovendien wil niemand er wonen; het complex loopt langzaam leeg. In 1940 vertrekken de laatste ‘ontoelaatbaren’ en wordt Asterdorp een Joods getto. Het complex zal daarna nooit meer gebruikt worden voor het heropvoeden van asocialen. De tijdgeest is veranderd: armoede wordt steeds meer gezien als een maatschappelijk probleem. Hulpbehoevende mensen isoleren en controleren is niet langer de oplossing. Zoals de voormalige woningopzichteres in 1983 verzucht: ‘Waar bemoeiden we ons eigenlijk mee?’

De naam Koeman is om privacy-redenen gefingeerd.

Header: Zandbak in Asterdorp in 1934 / Stadsarchief Amsterdam