Al eeuwenlang zijn Buiksloot en Amsterdam nauw met elkaar verbonden. Het Buiksloterveer over het IJ bestond al in 1380 en is daarmee een van de oudste openbaarvervoersverbindingen van Nederland. Vanaf 1860 voer de stoomboot Eensgezindheid twaalf keer per dag heen en weer tussen het Tolhuis en de Prins Hendrikkade. Zoveel Buikslotenaren verlieten ’s ochtends het dorp om te gaan werken in Amsterdam, dat de plaatselijke krant spottend schreef over “de massa die op maandag, vol gloeijend ijver voor hun vak, als kieften naar de hoofdstad draven”.

De stroom forensen was niet het enige wat Buiksloot met Amsterdam verbond. Het dorp was voor veel diensten van Amsterdam afhankelijk: het was aangesloten op het Amsterdams stroomnet, een Amsterdamse tram reed over de Buiksloterdijk en gas en drinkwater werden door Amsterdam geleverd. De twee gemeenten waren zozeer met elkaar verweven dat burgemeester Karel Wiersma in 1913 over zijn eigen gemeente concludeerde: “Buiksloot is nu reeds niets anders dan een buitenbuurt van Amsterdam.”

Aansluiting bij de hoofdstad leek niet meer dan logisch. Vanaf het eerste begin stond de gemeenteraad van Buiksloot er dan ook welwillend tegenover. Maar dit betekende niet dat de weg naar annexatie zonder hobbels was. Amsterdam wilde in eerste instantie namelijk slechts een stukje van de gemeente inlijven. In 1905 en nogmaals in 1913 werd Buiksloot gevraagd een smalle strook grond langs de Buiksloterdijk af te staan.

Afbrokkelen

Het gemeentebestuur weigerde verontwaardigd. Wanneer Amsterdam enkel de buitendijkse gebieden zou annexeren, had het dorp zelf geen ruimte meer om uit te breiden. Wiersma schreef een felle brief, waarin hij het beleid van de grote buurstad hekelde: “Telkens wordt een nieuwe aderlating toegepast en telkens worden de beste levenssappen weggenomen, waardoor ten slotte niets meer overblijft dan een kwijnend lichaam, dat zich bijna niet meer kan bewegen. Want ook deze aanslag op ons grondgebied zal niet de laatste zijn.”

De burgemeester wilde koste wat het kost voorkomen dat zijn gemeente zou “afbrokkelen”. Want het was niet de eerste keer dat Amsterdam een stukje Buiksloot opeiste: in 1877 raakte de gemeente op deze manier Buiksloterham en Volewijck al kwijt. De gemeenteraad voorzag dat de ‘honger van Amsterdam’ ook met dit strookje buitendijks gebied niet gestild zou zijn en vreesde dat de volgende “amputatie” snel zou volgen. Totale annexatie leek de enige oplossing. Op 7 mei 1913 vroeg Wiersma per brief aan Gedeputeerde Staten of zijn gemeente niet in zijn geheel door Amsterdam kon worden opgenomen. Voor Buiksloot was de annexatie een kwestie van alles of niets.

Het werd alles. In maart 1914 stemden Gedeputeerde Staten in met zijn verzoek – en toen begon het lange wachten. Bijna zeven jaar verkeerde de gemeente in een staat van half-zijn. Zij bestond nog, maar iedereen wist dat annexatie onvermijdelijk was. Burgemeester en wethouders schoven problemen op de lange baan, lopende projecten werden gestaakt. Onder Amsterdams bestuur kon het immers allemaal sneller en goedkoper. Zo kwam het bestraten van de Meerweg stil te liggen en werd de bouw van nieuwe woningen uitgesteld. Buiksloots laatste burgemeester Johannes Marinus van Beek bekende bij zijn aantreden in mei 1915 al te weten dat hij zou presideren over “een gemeente die ten doode was opgeschreven”.

Verzet

Was er dan helemaal geen verzet? Jawel. Een verslaggever van De Telegraaf die onderzoek deed naar de stemming in Buiksloot meende dat de voordelen van annexatie voor iedereen duidelijk waren. Maar, zo schreef hij, “toch zijn er nog steeds ingezetenen, bij wie het idéé der zelfstandigheid zwaarder weegt dan het werkelijke belang der gemeenschap”. Tot actief verzet kwamen deze ‘ingezetenen’ echter niet. De vereniging Plaatselijk Belang Buiksloot kondigde in de Schuitemakers Purmerender Courant van 24 mei 1914 weliswaar aan “harde actie” te gaan voeren, maar kwam in de praktijk niet verder dan het schrijven van één boze brief.

Het vinden van medestanders viel voor het Plaatselijk Belang niet mee. De lokale krant De Waterlander werd gevraagd zich uit te spreken, maar de redactie weigerde: “We voelen er weinig voor te gaan opposeeren; we kunnen onzen tijd wel beter benutten.” Wel publiceerde de krant enkele ingezonden brieven, waarin tegenstanders van de annexatie waarschuwden voor het “groote gevaar van Amsterdam” en de “treurige teloorgang onzer gemeente”. Veldwachter Roelof Molenmaker riep meerdere malen op tot verzet en schreef: “[Het moet] bekend worden, dat de burgers van Buiksloot niets liever willen dan haar zelfstandigheid bewaren. Dat voor haar geen enkel voordeel bestaat om een vergeten achterbuurt van Amsterdam te worden.”

In 1916 maakte de watersnoodramp aan dit toch al schamele verzet een eind. Het belangrijkste argument van de tegenstanders was de “gunstige economische toestand” waarin Buiksloot verkeerde. Bij de annexatie gingen de eigen financiën samen met die van Amsterdam en profiteerde Buiksloot er niet meer van dat het gemeentelijke huishoudboekje zo mooi op orde was. Raadsleden mopperden dat “onze zuinigheid niet veel voordelen heeft opgeleverd”. Het enige raadslid dat zich nog niet met de annexatie had verzoend, wethouder Jan Veenstra van het Plaatselijk Belang, klaagde dat “deze gemeente meer bezittingen dan schulden heeft en [de annexatie] dus voor Amsterdam het voordeeligst is”.

Voorbij

Maar toen in de nacht van 14 januari 1916 de dijken doorbraken en Buiksloot onder water liep, was het gedaan met deze gunstige economische positie. Veertig huizen werden compleet weggeslagen, honderden koeien, kippen en schapen verdronken en tientallen Buikslotenaren moesten hun woningen ontvluchten. De materiële schade was enorm. Financieel samengaan met Amsterdam – oftewel: gebruik maken van Amsterdams geld om Buiksloot weer op te bouwen – leek ineens niet meer zo’n slecht idee. Zoals wethouder Veenstra zei: “Algehele annexatie heeft wel niet mijn persoonlijke sympathie, maar wat betreft het Algemeen Belang kan ik mij ten volle met het concept verenigen.” Velen zullen met hem ingestemd hebben.

Op 1 januari 1921 was het dan zover. Het lange wachten was voorbij; Buiksloot werd deel van Amsterdam. De dag tevoren zat burgemeester Van Beek de laatste raadsvergadering voor. In gemoedelijke sfeer blikten de raadsleden terug op de afgelopen jaren. Zij haalden hun successen op: dat zij Buiksloot van elektriciteit hadden voorzien en de (helft van de) Meerweg hadden laten bestraten.

Van Beek kreeg het laatste woord. Hij zei Buiksloot te gaan missen, maar bleef nuchter: “Het is echter eenmaal zoo, dat groote plaatsen zich uitbreiden door handel en industrie en dan de kleine grensgemeenten in gedrang komen.” Om half drie verlieten de raadsleden voor de laatste keer het stadhuis. Op de deur had een ambtenaar een briefje geplakt met de woorden: “Lang Leve Buiksloot! In onze gedachten, 31-12-20.”

Janna Toepoel

Beeld: Fragment van tekening Zuidelijke deel Buiksloot, met het veerhaventje en rechts de Buiksloter Trekvaart, 1816. Heel in de verte de Oostelijke Eilanden. Tekening door

Gerrit Lamberts. STADSARCHIEF AMSTERDAM

December 2020