In 1894 was de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) opgericht en in 1902 verscheen de eerste sociaaldemocraat in de raad: de beroemde vakbondsman Henri Polak. Drie jaar later was de SDAP de grootste partij in Amsterdam en dat bleef zo tot op heden. Met gemiddeld 15 van de 45 zetels en twee of drie wethouders drukte zij een zware stempel op het beleid. Landelijk bekende en leidinggevende socialisten als Floor Wibaut, Monne de Miranda, Willem Vliegen en Ed. Polak ijverden destijds als wethouders voor het vergroten van de greep van de overheid op het maatschappelijk leven. Na de bezettingstijd behielden de sociaaldemocraten met de Partij van de Arbeid hun machtspositie. Amsterdamse kopstukken waren onder andere de wethouders A. de Roos, J.J. van der Velde, Joop den Uyl, Han Lammers en Jan Schaefer. Sinds 1946 is ook de burgemeester van PvdA-huize.
De gemiddelde omvang van de SDAP/PvdA lag weliswaar op 15 raadszetels, maar er waren beduidende schommelingen omhoog en omlaag. Uitzonderlijke winst boekte de PvdA in 1978 en 1986 met respectievelijk 19 en 21 zetels. De eerste keer dankzij de populariteit van lijsttrekker Jan Schaefer, “de bakker uit de Pijp” (die zich landelijk al had geprofileerd), de tweede keer onder leiding van de later verguisde Walter Etty. In 2006 gebeurde dat nog een keer dankzij de aantrekkingskracht van de landelijke partijleider Wouter Bos (20 zetels). Maar even vaak waren er forse verliezen. In 1939 zakte de partij van 17 naar 14 zetels, in 1966 van 17 naar 13 en in 1990 zelfs van 21 naar 12. Een forse domper was ook de teruggang van 19 naar 17 zetels in 1982, geen zware, maar wel een wrange nederlaag. Bij deze vier dieptepunten wil ik even stilstaan .

Val De Miranda

Salomon Rodrigues de Miranda (1875-1941) was een voortreffelijk wethouder die vrijwel het hele interbellum belangrijke portefeuilles beheerde. Tijdens de crisisjaren zette hij zich voortvarend in voor de werkgelegenheid. Zo werd het Amsterdamse Bos onder zijn leiding aangelegd. Zijn successen op het gebied van de volkswoningbouw waren in de jaren twintig spectaculair, maar in de jaren dertig ondervond hij sterke weerstand – en niet alleen van rijkswege. Bouwondernemers probeerden in die tijd af te komen van het erfpachtstelsel, in 1896 ingevoerd door de links-liberale wethouder Willem Treub en door de SDAP-wethouders dankbaar gehanteerd ter bestrijding van de grondspeculatie. De ondernemers wensten alleen te bouwen mits zij de grond in eigendom zouden krijgen. Dat leidde tot moeizaam touwtrekken met de dienst Publieke Werken. Om er vaart in te krijgen, ging De Miranda zich zelf met de zaak bemoeien. Hij wees persoonlijk grond toe aan ondernemers die bereid waren erfpacht te betalen. Vlak voor de raadsverkiezingen van 1939 kreeg hij hiervoor de rekening gepresenteerd: hij werd beschuldigd van corruptie.
In januari 1939 verscheen in dagblad De Telegraaf een hoofdartikel dat ‘onregelmatigheden’ bij de uitgifte van bouwgronden suggereerde, waarbij De Miranda rechtstreeks betrokken zou zijn. De gemeenteraad besloot een raadscommissie in te stellen om de aantijgingen te onderzoeken. In het rapport van de commissie (onder voorzitterschap van de liberaal Walrave Boissevain) werd hij vrijgepleit van fraude en corruptie. Wel zou hij beleidsfouten hebben gemaakt bij de gronduitgifte. Ook werd kritiek geleverd op zijn verhouding tot de Dienst Publieke Werken. De gemeenteraad ging akkoord met de conclusies van het rapport. Een motie van de SDAP-fractie waarin werd geconstateerd dat de betreffende feiten niet voldoende waren om een afkeuring van het beleid te rechtvaardigen, werd verworpen.

Antisemitisme

De Miranda kon zich bij de raadsdebatten niet zelf verdedigen. Hij verbleef in een psychiatrische inrichting, waar hij verpleegd werd naar aanleiding van een zware depressie. Aan zijn oudste zoon schreef hij vanuit de kliniek op 17 juli 1939: “Het is uit, Ko! Ik heb niet gedacht aan een dergelijk einde. Je weet hoe ik mij met hart en ziel aan de zaak heb gegeven. Je begrijpt hoe bitter het is, dit lot te dragen.” Na zijn thuiskomst in Amsterdam zou hij, hoewel als raadslid herkozen, niet meer in de gemeenteraad terugkeren.
De gemeenteraadsverkiezingen van 21 juni 1939 werden voor de Amsterdamse SDAP een grote teleurstelling. De partij kreeg in de hoofdstad 29,5% van de stemmen tegen 33,3% in 1935: een verlies van drie zetels. In 1939 moest de SDAP genoegen nemen met veertien zetels; de vrijzinnig-democraten, de katholieken en de antirevolutionairen wonnen één zetel en kwamen op respectievelijk twee, acht en drie zetels; de liberalen en de christelijk-historischen bleven gelijk met zeven en drie zetels. De Nationaal-Socialische Beweging (NSB) was de grote winnaar: zij kwam vanuit het niets met drie zetels in de raad! Een teken aan de wand. Want in navolging van De Telegraaf had de nationaalsocialistische pers een ware hetze tegen ‘de Jood’ De Miranda gevoerd. In Volk en Vaderland had de NSB-leider Meinoud Rost van Tonningen een link tussen corruptie en jodendom gelegd: “Hoe zou immers deze Jood, die als wethouder onbewogen zijn toestemming gaf tot de grondtransacties, iets begrijpen van de Nederlandse tradities?” Zo droeg het antisemitisme onmiskenbaar bij aan de nederlaag van de SDAP.

Winst protestpartijen

De jaren zestig begonnen met een reeks demonstraties van politieke jongerenbewegingen. De Socialistische Jeugd protesteerde tegen de NAVO en er kwamen Vietnambetogingen. Dwars daar doorheen manifesteerde zich de provobeweging. Met hun ludieke acties slaagden de jongeren erin het gezag in Amsterdam zo onzeker te maken dat het ten slotte dol draaide. Twee gebeurtenissen zetten vervolgens de hoofdstad in vuur en vlam. De eerste was het huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg op 10 maart 1966. Terwijl de wereld getuige was van de rookbommen rond de gouden koets, kwam Amsterdam in opstand. Er waren dagelijks schermutselingen tussen jongeren en de politie. Provo’s werden gevangen gezet, waarna gedemonstreerd werd voor hun vrijlating. De toestand bereikte een kookpunt toen naast het verzet van de jongeren in juni 1966 een sociale opstand uitbrak: het Bouwvakkersoproer. Omdat daar een dode bij te betreuren viel, was Amsterdam al snel te klein. Tijdens de daarop volgende rellen werd het Telegraafgebouw op de Nieuwezijds Voorburgwal in brand gestoken. Aarzelend optreden van de politie bracht de regering ertoe een Commissie van Onderzoek in te stellen en vervolgens burgemeester Gijs van Hall weg te sturen.
Het was een grote schrik voor de zelfvoldane PvdA dat zich in Amsterdam ineens een breed maar diffuus front aftekende tegen ‘het bestel’. De socialisten werden als regentenpartij bij uitstek weggezet. Dat leverde een flinke nederlaag op bij de raadsverkiezingen van 1 juni 1966. De PvdA verloor vier van haar 17 zetels en viel terug naar het niveau van 1919. Één van de in totaal vijf vrijkomende zetels gingen naar nieuweling Provo die had meegedaan onder de leuze “Stem Provo, kejje lache”. Zij vertolkte een onbehagen over de consumptie-maatschappij en de groeiende staatsmacht. Provo zocht de remedie in democratisering en decentralisatie. Vier van de nieuwe zetels gingen naar de Boerenpartij, die dat jaar eveneens voor het eerst aan de raadsverkiezingen deelnam. Die partij was in 1962 opgericht door Hendrik Koekoek (‘Boer Koekoek’) en belichaamde het onbehagen over moderne nieuwlichterij, staatsbemoeizucht en hoge belastingen, dat bij een deel van de rechtse kiezers leefde. De winst voor de Boerenpartij was dus het duidelijkst. Zij profiteerde van het vuurtje onder het politieke gezag dat de jongeren hadden opgestookt. Voor de PvdA was de uitslag een afgang en de koppen in de pers logen daar niet om. Zo juichte de katholieke de Volkskrant daags na de verkiezingen: “MOKERSLAG VOOR PARTIJ v.d. ARBEID”.

Tol van de macht

In zijn acht wethoudersjaren (1978-1986) maakte wethouder Jan Schaefer een onuitwisbare indruk, maar toch werden de raadsverkiezingen op 2 juni 1982 een tegenvaller. De PvdA zakte van negentien naar zeventien zetels. (Het zouden er zestien zijn geweest als niet met een paar stemmen verschil een restzetel van het CDA was afgesnoept.) Oorzaak was de toenemende invloed van de landelijke politiek. Gevangen in het ongelukkige kabinet Van Agt/Den Uyl maakte de PvdA zich impopulair door aan de Ziektewet te tornen.
Ook werd in 1982 begonnen met de bouw van de Stopera (stadhuis/muziektheater) op het Waterlooplein. Ondanks alle protesten hadden B&W de plannen doorgezet. Al snel liep het mis. In 1987 kwam een forse kostenoverschrijding aan het licht. Het krediet van f 306 miljoen dat in 1979 was toegezegd, moest worden verhoogd tot f 403 miljoen. B&W stelden een onafhankelijke onderzoekscommissie in. Die concludeerde voorjaar 1988 dat het toezicht van B&W had gefaald. Andere factoren waren het luchthartig optimisme van architecten en aannemers, een te laag startbudget en de te ruime mogelijkheden voor inspraak van de toekomstige gebruikers.
Wethouder van Financiën Walter Etty zag in het rapport geen aanleiding om af te treden, hoewel hem dat in de raad nadrukkelijk werd gevraagd. In een interview liet hij zich ontvallen dat hij van de affaire “geen uur minder zou slapen”. Dat viel slecht, al twijfelde eigenlijk niemand aan zijn deskundigheid. Meer in het algemeen zwol de kritiek aan op de bestuursstijl van de Amsterdamse PvdA. Sinds de komst van Jan Schaefer als partijleider in 1978 heerste er binnen de Amsterdamse PvdA een kadaverdiscipline, heette het. Bovendien legde zij haar wil op aan de overige partijen door het gemeentebeleid tot in detail vast te leggen in een Programakkoord. Na Schaefers vertrek in 1986 zette Etty als nieuwe leider diens bestuursstijl voort. Hij werd het doelwit van een felle aanval van Groene-hoofdredacteur Martin van Amerongen in een geruchtmakende lezing op 12 november 1989 in Paradiso. ‘Brezjnew aan de Amstel’, zo typeerde hij Etty’s stijl: de PvdA hield het gemeentebestuur in een dictatoriale greep, als was het een stalinistische organisatie.
Bij de raadsverkiezingen van 21 maart 1990 betaalde het hoofdstedelijk bewind het gelag. De onvrede onder de Amsterdammers uitte zich in een buitengewoon lage opkomst én drie zetels voor extreem-rechts (Centrumpartij en Centrum Democraten). De PvdA was de grote verliezer: van haar 21 zetels hield zij er slechts twaalf over. Lijsttrekker Etty moest het veld ruimen, met merkbare tegenzin. De winst ging ditmaal naar D66, dat van drie op negen zetels kwam. De afstraffing die de PvdA kreeg, betekende ook het afscheid van de machtspolitiek die zij zich in de jaren tachtig eigen had gemaakt. De partij moest genoegen nemen met twee wethouders (drie minder!). Bovendien liet zij haar ‘natuurlijke vijand’ de VVD na twaalf jaar ballingschap terugkeren in B&W.

Tips voor de toekomst?

De geschiedenis herhaalt zich nooit precies, dus onfeilbare inzichten levert ze niet op. Maar misschien wel een paar tips, voor de PvdA of welke andere partij dan ook in een dergelijke machtige positie.
TIP 1 De eerste tip valt te leren uit de neergang van De Miranda: neem als wethouder de verantwoordelijkheid wanneer er een bestuurlijk schandaal speelt. Hoe schandalig de motieven van de critici ook zijn en ook al valt jezelf weinig te verwijten, maar je ambtenaren wel. Doe dat met beslistheid wanneer er verkiezingen in aantocht zijn.
TIP 2 Met dank aan de jaren zestig: vermijd alle vormen van regentencultuur. Juist daartegen heeft de sociaaldemocratie zich principieel verzet toen zij na de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam aan de macht kwam. Hanteer geen al te straffe fractiediscipline, geef andere partijen ruimte voor de eigen inbreng en koester binnen de eigen gelederen een debatcultuur (zonder te verzanden in een interne stammenstrijd).
TIP 3 Leer snel. Dat deed de PvdA niet. Beide lessen werden de PvdA hardhandig ingepeperd met de Stopera-kwestie, toen de partij in 1990 geen drie of vier zetels verloor, maar negen.
TIP 4 En overspeel je hand niet. Het gemiddelde aantal raadszetels van de PvdA in alle verkiezingen sinds 1919 is ruim vijftien. Nooit minder dan twaalf, nooit meer dan 21. Alles boven of onder die vijftien zetels berust op de gunst of ongunst van de zwevende kiezer. Gemiddeld genomen betekent dat een positie als grootste partij in de raad. Machinaties zijn helemaal niet nodig en als je vijf (1986) of zelfs zes (1978) wethouders opeist, overspeel je je hand.
En oh ja, laat de landelijke politiek erbuiten (actueel in 1982, en nu weer). Tenzij je daar heel even een glansrol speelt…