‘Zusteren in Nederland! Helpt om zusteren, nu nog slavinnen in Suriname, te bevrijden uit de onteerende slavenbanden,’ schreef Anna Amalia Bergendahl, presidente van het door haar opgerichte ‘Dames-comité ter bevordering der evangelisatie-verkondiging en de afschaffing van de slavernij in Suriname’ in 1857. Het comité zamelde geld in voor de vrijkoop van tot slaafgemaakten, onder meer door het organiseren van bazaars.

Het in 1856 opgerichte Dames-comité bestond uit twaalf vrouwen, die om de twee weken bijeen kwamen om te handwerken en acties te bespreken. De handwerkjes werden, aangevuld met toegestuurde objecten, tentoongesteld en vervolgens verloot voor een gulden per stuk. Dat was het dagloon van een arbeider, dus de doelgroep van het comité was bemiddeld.

De dames van het comité waren zelf niet zeer vermogend. Zo verzocht Anna Bergendahl in haar oproep ook om toezending van ‘breikatoen, gaas, wol, zijde enz. en allerlei tot het maken van handwerken geschikt’.

Christelijke naastenliefde

In 1859 organiseerde het comité een bazaar in het door de Nederlandsche Handel-Maatschappij verlaten pand Herengracht 40, de voormalige residentie van Napoleons zetbaas Lebrun. Er waren achthonderd prijzen te verloten, waaronder een schellebord dat gedoneerd was door prinses Amalia, de echtgenote van prins Hendrik. Bijzonder was dat er ook objecten uit Suriname waren opgestuurd. Het ging om ‘eenige keurig bewerkte vederen bloemen en fijne mandjes, bewerkt door een slaaf, die voor zijn vrijdom werkzaam is’.

De formule van geldinzameling via bazaars en lotingen (met gegarandeerd een prijs) bleek een succes. Daarnaast kwam uit het gehele land geld binnen, trouw verantwoord in het orthodox-protestantse weekblad De Heraut, de voorloper van de anti-evolutionaire krant De Standaard. Dat blad ademde de geest van het Réveil, een protestantse opwekkingsbeweging die persoonlijke geloofsbeleving koppelde aan sociaal hulpbetoon en evangelisatie.

Vanuit Zwitserland had de beweging zich verspreid over West-Europa. De voormannen ervan zetten zich af tegen de idealen van de Verlichting, die de Franse Revolutie hadden geïnspireerd. Enerzijds waren de aanhangers oerconservatief en rechtzinnig in religieuze zaken, anderzijds progressief inzake sociale actie. Christelijke naastenliefde stond voorop en maatschappelijke verschoppelingen moesten geholpen worden.

Sociaal gevoel

Anna Bergendahl en haar comitéleden waren bezield door dit gedachtegoed. Het vormde de drijfveer om actie te voeren voor de afschaffing van de slavernij en om de Hernhutter-zendelingen te steunen, die zich in Suriname al een eeuw zich bekommerden om de slavenpopulatie.

Het sociaal gevoel was Anna Bergendahl al met de paplepel ingegeven. Haar in Denemarken geboren vader was kapitein geweest op de grote vaart, was getrouwd met een Amsterdamse en had zijn drie kinderen meegenomen toen hij de wereldzeeën bezeilde. Zo had ze als kind al de gruwelijkheden van de slavernij in Brazilië aanschouwd en ze door een verblijf in Engeland en Duitsland haar talenkennis vergroot.

Eind jaren dertig van de 19de eeuw was het gezin neergestreken in Amsterdam, op de Nieuwezijds Voorburgwal tegenover de Kolk, waar vader Bergendahl een zeil- en vlaggenmakerij begon. In 1840 stichtte hij met zijn vrouw de Vereeniging tot Ondersteuning van Hulpbehoeftigen, die werk verschafte aan circa honderd weduwen. Hun naai- en borduurwerk vormde dan weer de hoofdmoot van de vanaf 1843 jaarlijks gehouden verloting.

Koningin Sophie werd in 1850 beschermvrouwe van de vereniging, en dat garandeerde steevast een inzending van een pendule of een kostbare vaas om te verloten. Het Dames-Comité had de manier om geld binnen te halen voor het goede doel dus afgekeken van deze liefdadige vereniging.

Anti-Slavery Society

Toen kopstukken van de Britse Anti-Slavery Society in 1840 het Nederlandse publiek voorhielden dat slavernij en christendom niet samen konden gaan en dat vrije arbeid de economie bovendien beter vooruit hielp dan onvrije, werd menig oog geopend. De koning ontving petities om de slavernij af te schaffen, bijvoorbeeld van een groep Rotterdamse vrouwen, van wie een aantal getrouwd was met een Engelsman. Dat was een unicum, want vrouwen hoorden zich niet met politiek bezig te houden, dat was een zaak van weldenkende en bemiddelde heren.

In augustus 1841 bezochten de abolitionisten Elisabeth Fry en haar broer Joseph Gurney Amsterdam. Op een openbare vergadering in hotel de Oude Doelen bepleitten ze de emancipatie van tot slaaf gemaakten, en kwamen in contact met de Bergendahls. De toen veertienjarige Anna was diep onder de indruk, schreef haar broer later, met name vanwege Fry’s oproep aan vrouwen om hun talent ook buiten de huiselijke kring in te zetten.

Tot een Nederlandse abolitionistische beweging kwam het toen niet. Wel liet de regering weten dat de slavernij op termijn zou worden afgeschaft. Om de regering tot daden aan te zetten was een brede beweging nodig zoals in die in Engeland succesvol was geweest, maar die kwam er niet. Réveilmannen wilden niet samenwerken met liberalen en de regering onthield goedkeuring aan de door het Réveil gestichte Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij.

Vrij kopen

Toen Frankrijk de slavernij had afgeschaft en de grondwet in 1848 in liberale zin was herzien, begon er enige beweging in de afschaffingszaak te komen. De maatschappij uit Réveil-kringen werd weer tot leven gewekt en men besloot tot slaaf gemaakten vrij te gaan kopen, ‘vooral zoodanigen, die door hun wandel het bewijs leveren, dat zij voor de vrijheid rijp zijn’.

Dit waren mensen die een aanvraag voor vrijheid – manumissie – hadden gedaan, maar er niet in geslaagd waren om het losgeld binnen drie jaar te betalen. Het ontbrekende bedrag werd voorgeschoten met de vraag het zo mogelijk terug te betalen om daarmee anderen vrij te kopen. De regeling diende vooral om conservatieven de wind uit de zeilen te nemen die beweerden dat luiheid alleen met de zweep bestreden kon worden. Deze strategie zou het Dames-comité navolgen.

Aanzienlijke invloed op de publieke opinie had het boek Uncle Tom’s Cabin van Harriet Beecher Stowe, dat in 1853 in het Nederlands werd vertaald. Een fellere aanklacht tegen de slavernij was Slaven en vrijen onder de Nederlandse wet van de hand van de liberale politicus Wolter Robert van Hoëvell, dat een jaar later verscheen.

Onder invloed van deze boeken stuurden vrouwen uit de Jordaan in 1855 een petitie naar de koning om afschaffing van de slavernij te eisen. Het verzoekschrift werd in 1855 door maar liefst 733 vrouwen ondertekend, van dienstbodes tot vrouwen van kolensjouwers en bouwvakkers.

Leerzaam Vermaak

Dit initiatief kwam uit de hoek van de Vereeniging ter Verbreiding van de Waarheid (in de wandeling kortweg De Verbreiding genoemd), die het gedachtegoed van het Réveil onder de armoedige Jordaanbewoners wilde verspreiden. De vereniging was in 1847 opgericht door Theodorus Matthijs Looman, een bevlogen sociaal voelende evangelist en vooral een handige organisator, die mensen wist te trekken door een soort buurthuis te stichten. Dat was het in 1854 aangekochte oude theatertje Leerzaam Vermaak in de Elandsstraat (nu nr. 84). Zijn echtgenote Elisabeth Looman-Ketelaar ondertekende als eerste de petitie. Het gebouw zou in 1912 grondig verbouwd worden en biedt nu opvang aan dak- en thuisloze jongeren.

Steen des aanstoots, zowel bij de Jordanese vrouwen als bij Anna Bergendahl en haar comité, was dat het slavernijsysteem een blokkade vormde voor het gezinsleven. Toen ze in 1859 kon berichten dat de eerste twaalf Surinamers waren vrijgekocht, schreef ze: ‘Hierdoor werden vier huisgezinnen geheel voor en bij elkaar bewaard, daar een reeds bepaalde verkoop hen bedreigde om van elkander gescheiden te worden’.

In totaal werden door toedoen van haar comité vijftig personen vrijgekocht. Nadat de emancipatiewet eindelijk tot stand was gekomen, richtte ze haar pijlen op het helpen van weeshuizen in het Nabije Oosten en het loskopen van pandelingen (meisjes die door ouders verkocht werden om een schuld te vereffenen), een praktijk die in de buitengewesten van de Oost nog heel gewoon was.

Ook bleef ze de Hernhutter Broedergemeente steunen, onder mee door geld te sturen voor de bouw van scholen. Tot 1856 was het in Suriname verboden tot slaafgemaakten te leren schrijven. Er viel nog veel te doen.

Poëzie

Om haar charitatieve activiteiten te ondersteunen bracht Anna Bergendahl zeven bundels met proza en poëzie uit, waarvoor zij de belangeloze bijdragen wist te strikken van onder meer Da Costa, Ten Kate, Hasebroek en Beets, maar ook van schrijfsters als Elise van Calcar en Minette Storm-van der Chijs. Ook vrouwenemancipatie ging Anna Bergendahl aan het hart.

Header: Wedgwood-schotel uit de tweede helft van de jaren 1850. Oprichter van het aardewerkconcern Josiah Wedgwood ontwierp ook het embleem van de Britse antislavernijbeweging. Rijksmuseum Amsterdam