Het was najaar 1979 en de aanleiding was het 'Duokantoor', bekender onder de naam 'Peper en Zout', op de Weteringschans schuin tegenover het Rijksmuseum. Dat de Amsterdammers niet erg ingenomen waren met de twee kantoorpanden op de plaats waar eerst de villa's Groot Banda en Banda-Neira hadden gestaan, is zwak uitgedrukt. Ze waren woest. Gerrit Komrij repte in Vrij Nederland over wolvennesten, Henk Hofland zei in NRC Handelsblad

te vrezen elk moment vanuit een van de vensters van de "doodshoofdgebouwen" te worden neergeschoten. Onder auspiciën van de VPRO werd in Paradiso een 'Avond van de Nieuwe Lelijkheid' belegd waar de grachtengordel bewoners hun gal konden spuwen over wat het architectentuig hun stad aandeed (en over Wim Crouwel, die gewaagd had een nieuw telefoonboek met schreefloze letters te ontwerpen).

Van Gool zelf gooide olie op het vuur door te verklaren dat het oordeel van twaalfhonderd schuimbekkende grachtengordelbewoners hem koud liet, omdat ze architectonisch van toeten noch blazen wisten. Ook liet hij weten De Nederlandsche Bank een van de mooiste gebouwen van Amsterdam te vinden. Kortom, de tot voor kort nog zo onbekende Van Gool had een gezellig potje Amsterdams bakkeleien veroorzaakt.

Een kwarteeuw later lijkt Amsterdam 'Peper en Zout' min of meer te hebben geaccepteerd. Een voortdurende steen des aanstoots vormen de twee gebouwen niet meer. Ze hebben zich gevoegd naar hun omgeving, lijkt het. Hadden Marte Röling, Rem Koolhaas, Pi de Bruijn en Arthur Staal dan toch gelijk toen ze stelden dat Peper en Zout goede gebouwen zijn? Toen Van Gool in 1970 aan het Duokantoor begon te werken, was hij allesbehalve de stuntelende brekebeen waarvoor zijn critici hem hielden. Hij had al een geduchte reputatie met allesbehalve kinderachtige bouwwerken, ook in Amsterdam. Zijn specialiteit lag in de lastige of zelfs onmogelijke projecten.

Symbool wederopbouw

Frans (F.J.) van Gool werd geboren in 1922 te Antwerpen in een betrekkelijk eenvoudig milieu. Zijn vader verdween uit zijn leven toen hij vier was en zijn moeder verhuisde naar Rotterdam. Onder deze omstandigheden was de mts het hoogst haalbare, later aangevuld met een driejarige cursus voortgezet bouwkunstonderwijs. Maar toen was Van Gool al in dienst bij het gerenommeerde Rotterdamse architectenbureau Van den Broek en Bakema. Nog geen dertig jaar oud kreeg hij daar een belangrijk project toegespeeld: de Lijnbaan. Dit meest in het oog springende onderdeel van het herrijzende Rotterdam was bij de oplevering in 1953 niets minder dan een sensatie, niet alleen vanwege de moderne architectuur, maar vooral omdat het voor Nederland de eerste kennismaking met het fenomeen winkelcentrum betekende. Bovendien drukte het complex als geen ander uit hoe optimistisch en voortvarend Nederland herstelde van de oorlogsjaren. Voorwaar geen slecht begin voor een jonge architect.

Het Lijnbaan-project was binnen het architectenbureau echter niet rimpelloos verlopen. Van Gool had niet bepaald een buigzaam karakter, en speciaal met Jacob Bakema was het herhaaldelijk tot aanvaringen gekomen. Het is mogelijk de verklaring voor de ongebruikelijke stap die de zo succesvolle debutant deed: hij stapte over naar de anonimiteit van de publieke sector en verbond zich aan de Gemeentelijke Woningdienst Amsterdam.

Theodorus Majofskistraat 124-114 (v.l.n.r.), woningen onderdeel van het zogenoemde Bluebanddorp. Architect: F.J. van Gool, Collectie Stadsarchief Amsterdam

In Amsterdam was overigens vanwege het Algemeen Uitbreidingsplan (1935) bijna net zoveel te doen als in Rotterdam. Van Gool bouwde in Noord, de Watergraafsmeer en de Westelijke Tuinsteden. Een zekere faam genieten de 299 'zaagtandwoningen' in Slotervaart, vlak bij station Lelylaan (1960). Door de voorgevel onder een hoek van 45 graden naar buiten te klappen, wist Van Gool de kleine, eenvoudige woningen wat meer smoel en ruimte te geven. Het bracht hem overigens tijdelijk in conflict met de grote man van het Algemeen Uitbreidingsplan, Cornelis van Eesteren, die het niet eens was met de ondeugende manier waarop Van Gool met zijn rooilijn omsprong.

In dezelfde periode bouwde Van Gool ook de vijf enorme, 900 woningen in tien lagen tellende galerijflats ('Haken') bij het Rembrandtpark in Osdorp - ondankbaar werk, omdat het vrijwel volledig voorgekauwd was in de stedenbouwkundige plannen en de gebouwen in de halve eeuw die ze bestaan niet veel warme gevoelens zullen hebben opgewekt.

Anonimiteit en herhaling

In 1957 was voor Van Gool de tijd aangebroken om samen met twee anderen (A.N. Oyevaar en H.W.C. Stolle) in Amsterdam een eigen architectenbureau te beginnen. De drie vennoten bleven betrekkelijk onafhankelijk van elkaar werken. Later zou dit bureau opgaan in de Architecten Cie (van onder anderen Pi de Bruijn).

Het Breed, met plantsoen en luchtbrug woonstraat (Van Gool) Collectie Stadsarchief Amsterdam

Het belangrijkste werk van Van Gool uit deze periode is ongetwijfeld Het Breed, het in 1968 opgeleverde complex van ruim 1100 etagewoningen in Amsterdam-Buikslotermeer. De opdracht werd in 1962 verleend na een informele competitie met zijn vroegere meerdere Jacob Bakema. In die tweestrijd kwamen twee radicaal verschillende opvattingen over de woningbouw naar voren. Waar Bakema streefde naar zoveel mogelijk verschillen in hoogte, uitvoering en uiterlijk, en zijn gebouwen zoveel mogelijk expressie wilde meegeven, toonde Van Gool zich een aanhanger van het tegendeel. Het Breed bestaat dan ook uit een grote variëteit aan woningtypen, maar de verschillen zijn aan de buitenkant niet te zien. Ook zijn er geen hoogteverschillen. Van Gool verfoeide de vooral in de jaren zeventig opgekomen opvatting dat wonen, werken en de straat één grote gezellige boel vormen en ongemerkt in elkaar dienen over te gaan. Voor Van Gool is de meest elementaire functie van een gebouw dat je erin bent, of eruit; het overige wordt al snel aanstellerij. "De articulatie tussen binnen en buiten moet duidelijk zijn," zegt hij bijvoorbeeld, "of zelfs bars."

Van Gool is de architect van de "tot expressie gebrachte neutraliteit" en de "radicalisering van de herhaling". De wereld wordt te vol als ieder gebouw gestolde emotie is en zijn best doet zoveel mogelijk uit te drukken. "Ik vind anonimiteit absoluut niet iets ergs." Hij maakte gebouwen die zich niet opdringen, gebouwen die je niet ziet. Gebouwen die niets meer willen zijn dan gebouw. "Wij architecten zijn geen therapeuten." Zijn latere woningbouw in Holendrecht (Zuidoost, 1977) ademt dezelfde opvatting.

Frans van Gool moest je ook hebben voor het ontwerpen van grote kantoorcomplexen die het niet in de eerste plaats van hun vriendelijke uitstraling moeten hebben. Kantoren van hem staan onder andere in Zwolle, Enschede, Leeuwarden en Den Haag (Nationale Nederlanden). In Amsterdam staan behalve 'Peper en Zout' meer kantoorpanden van Van Gool. De laagbouw van het oude FNV-kantoor aan het Plein 1940-1945 in Geuzenveld bijvoorbeeld (1981). Ook de interessante rondingen van wat in de Amsterdamse volksmond wel 'het beha-gebouw' schijnt te heten (en officieel Gebouw Sinus) bij het World Fashion Centre aan de A10 (1978) draagt de signatuur van Van Gool. Zijn huzarenstuk, en tevens sluitstuk van zijn carrière, is een van de onmogelijkste architectuuropdrachten ooit in Nederland verleend: het door niemand buiten de Haagse politiek gewenste hoofdkantoor van de PTT in de binnenstad van Groningen. Zelf beschouwt hij dit in 1990 opgeleverde, waanzinnig ingewikkelde complex overigens als minder geslaagd.

Het 'beha-gebouw’. Kantoorgebouw Sinus, voorheen nummer 3, van de Gemeentelijke Sociale Dienst. Rechts de Vlaardingenlaan en achteraan de Voorburgstraat.
 Collectie Stadsarchief Amsterdam

Huisarchitect van de Hema

Na de paukenslag van de Lijnbaan waarmee zijn loopbaan aanving, heeft Van Gool vaker met winkels te maken gehad. Het onfortuinlijke, inmiddels gesloopte Amsterdamse winkelcentrum Gelderlandplein (1968) was van hem, en ook elders in het land bouwde hij een aantal winkelcentra. Een speciale band was er met De Bijenkorf en de aanhangende Hema. Hij ontwierp een aantal Hema's, en is de geestelijk vader van een eigenaardigheid die veel van deze warenhuizen hebben. Let maar eens op: in veel Hema's is de bovenverdieping hoger dan de begane grond. Het druist in tegen alle ontwerpgewoonten, maar trekt klanten de zaak in.

Paradoxaal genoeg bood juist de verbintenis met De Bijenkorf Van Gool de beste gelegenheid om zijn sterkste kant te laten zien: het ontwerpen van een gebouw dat niets opvallends heeft. Midden in Amsterdam, op de duurste vierkante meters van het land, staat een enorm gebouw. Iedereen kent het, maar niemand weet hoe het er uitziet, omdat het zich volstrekt niet opdringt. Het is de parkeergarage van De Bijenkorf uit 1981, gebouwd door Frans van Gool. Na zijn terugtreding als architect op zijn 65ste, in 1986, werd hij tot zijn eigen verbazing benoemd als rijksbouwmeester. Het was geen succes, Van Gool kon niet aarden in de dorre en formele ambtenarencultuur. Bovendien had hij zich tegenover een journalist laten ontvallen het Rijksmuseum te willen afbreken, en niet iedereen had ingezien dat dat om een grap ging. Hij hield het drie jaar vol. Daarna verhuisde hij naar Frankrijk. Hij ging tien jaar reizen om architectuur te bekijken en te fotograferen. Inmiddels is hij terug in Nederland.

Literatuur: Rotterdam: NAi Uitgevers, 2005. Bernard Colenbrander, Frans van Gool, leven en werk.