Het notarieel archief van Amsterdam bevat opvallend veel akten over overspel. Het liefdesleven van de gemiddelde Amsterdammer was in vroeger tijden net zo dynamisch als tegenwoordig, maar de officiële en kerkelijke moraal inzake huwelijkse trouw was wel een stuk strenger. Duizenden Amsterdammers stapten naar de notaris om iemand te beschuldigen van overspel, dan wel om zo’n beschuldiging tegen te spreken. Buren en bekenden werden gehoord, meestal op verzoek van de bedrogen partij, om er schande van te spreken.

Zo komen op september 1665 op verzoek van Maijkken Isaaks verschillende getuigen naar notaris François Meerhout. Zij wonen net als Isaaks in de Nieuwe Leliestraat ‘boven het Oranje Spinnenwiel’. Maijkken is verlaten door haar man David Michielsz.

Het geval heeft een tragische voorgeschiedenis. Negen jaar eerder, in 1656, is Isaaks door ‘God de Heere met kranckzinnigheid (…) besocht’ en waarschijnlijk is zij daarvoor door haar man op een niet nader gespecificeerde plek ‘ter kuure ende genesinge’ gebracht. Michielsz legt het kort daarna aan met ene Pietertje, met wie hij samenleeft als man en vrouw. Ze krijgen zelfs een zoontje, dat na enkele dagen overlijdt en waarvoor de buren met ‘gedrukte biljettjens ter begraeffenisse [werden] gebeden’.

Als Maijkken genezen is en wil terugkeren bij haar man blijkt dat die haar niet meer wil. Haar plek in het huishouden is ingenomen door Pietertje, en haar wettige echtgenoot is niet van plan ‘het voornoemde vrouwmens waar mede hij in onecht leefde’ te verlaten. Integendeel: hij vertrekt met Pietertje naar Hamburg, waar zij nog enige kinderen hebben gekregen.

Dat soort openlijk overspel is duidelijk geen zeldzaamheid, en de overspeligen komen er soms rond voor uit. Christiaan Mens en Brut van Salbommel komen op 12 oktober 1740 getuigen bij notaris Pieter de Marees jr. ten behoeve van Gijsbert Carré. Ze vertellen dat Gijsberts echtgenote Anna Lieves haar man eerder dat jaar omstreeks Pasen na veertien jaar huwelijk heeft verlaten om zich te voegen bij Jacobus Servaas, haar minnaar. De getuigen verklaren dat haar affaire voor de mensen in de buurt van Gijsberts woning aan de Bloemgracht bepaald geen geheim was, en dat het Anna ‘seer dikwils verweeten is van de Luijden, in [haar] buurt woonende, dat sy het hield met voornoemde Jacobus Servaas’.

Als Anna in oktober terug is in Amsterdam en bij getuige Christiaan Mens langs gaat, vraagt die of ‘sij niet met Jacobus Servaas was weggeweest’, waarop Anna antwoordt: ‘Ja, ik ben met hem weggeweest en heb met hem verkeert als man en vrouw, en heb bij hem gewoont en geslaapen, en ik denk ook nooijt met iemand anders te verkeeren als met hem.’

Dat de buren er schande van spreken kan Anna dus weinig schelen – kennelijk heeft zulk gedrag niet veel consequenties. Maar in 1713 leidt een gevalletje overspel tot een hoogst ongewoon schouwspel in de Egelantierstraat.

Ook dit heeft een voorgeschiedenis. Op 24 oktober 1715 verschijnen vier goede bekenden van Gilles Jansz Quast bij notaris Paulus van den Ende op de Leliegracht. Ze vertellen dat ze Quast al jaren kennen en dat hij zich ‘altoos heeft gedraagen als een ordentelijk man betaamt, passende op zijn werk en huishouding, altoos nugter, en werkzaam’. Met zijn vrouw Sara Daniels, met wie hij in 1694 getrouwd was, heeft Quast, als we de getuigen mogen geloven, nooit problemen, totdat ‘eene Tobias ter Boog, zijnde een Melkboer’ zo’n dertien jaar eerder naast het echtpaar op de Egelantiersgracht is komen wonen.

Al snel krijgen Tobias en Sara een verhouding. Quast heeft bij de getuigen meermalen geklaagd ‘over de gemeenzame en al te vrije ommegang, die zijne Vrouw met den zelven ter Boog quam te houden’, en ook verteld dat Sara uit ‘quaadaardigheijd’ weigerde om verder nog met Quast te slapen.

Op een gegeven moment besluit zij helemaal te vertrekken, met medeneming van allerlei goederen van Quast. Ze gaat in de Kromme Tuinstraat wonen. Ook Ter Boog vertrekt en gaat wonen in het huis naast Sara. Die gaat niet alleen door met haar ‘familiaren ommegang’ met ter Boog, maar ook met ene ‘Winke’ – details daarvan worden niet gegeven – ‘en wel zodanig, dat ’t zelve bij veele luiden in ’t oog loopt.’

Het lijkt dus te gaan om een affaire die bij sommige Jordaanbewoners ergernis wekt, maar verder wordt gezien als een gevalletje van ‘verliefd worden op je buurman’. De akte heeft echter een verrassend slotakkoord.

De derde getuige verklaart ‘voor eenige jaaren op zekere Victorie Avond’ – mogelijk de feesten rond de Vrede van Utrecht in 1713 – gezien te hebben hoe ‘het beeltenis van gemelten ten Boog’ met die van Sara Daniels en een kind ‘met stroo overdekt, op een luijfel stond en tot een teken van der zelver familiariteit te gelijk verbrand wierd’.

Het verbranden van zondaars in de vorm van stropoppen lijkt op een middeleeuws charivari, een volksgericht waarbij een stel dat de gedragsnormen overtrad openlijk werd bespot. Dat kennen we uit de zuidelijke provincies, maar toch niet echt van Amsterdam.