“Het was des avonds te zes uren dat de eerste steen gelegd wierd tot het Koningrijk der Nederlanden, met het in brand steken van het douanehuisje en dat van de vereenigde regten aan de Nieuwe Brug staande.” Voormalig zeekapitein Job May meldt het trots in zijn Gedenkschrift waarin hij twee jaar later verslag doet van zijn aandeel in de gebeurtenissen van november 1813. Hij was de man die de heren in Den Haag hadden uitgekozen om de lont in het kruitvat te steken. Het plan was gesmeed in de kring rond de Oranjegezinde edelman Gijsbert Karel van Hogendorp, later bekend geworden als de ‘grondlegger’ van het koninkrijk.
Nederland zuchtte sinds 1795 onder het Franse juk, de laatste jaren als onderdeel van het keizerrijk van Napoleon. In de loop van 1813 kwam het einde in zicht. Sinds de dramatisch verlopen Russische veldtocht van 1812 ging het met Napoleon bergafwaarts. Vooral na de Franse nederlaag bij Leipzig in oktober 1813 zag het er meer en meer naar uit dat Nederlands onafhankelijkheid binnen afzienbare tijd hersteld kon worden. Als het aan Van Hogendorp lag, diende dat te gebeuren onder de vleugels van het Huis van Oranje-Nassau.

Voorbereidingen

Job Seaburne May (1765-1827) was precies de man die Van Hogendorp in Amsterdam nodig had. Een geboren Amsterdammer, bekend als Oranjeman en met een militaire achtergrond. Vóór de Franse overheersing had hij het gebracht tot kapitein-luitenant ter zee met een onberispelijke staat van dienst. Na de Franse inval weigerde hij de eed op het nieuwe bewind af te leggen. Toen de Engelsen en de Russen in 1799 met een scheepslanding in Noord-Holland vergeefs probeerden om de Fransen te verdrijven, trad hij als zeeofficier in Engelse dienst. Een jaar later voerde hij het commando over een fregat dat bij de Royal Navy deel uitmaakte van een klein vlooteskader onder Willem V van Oranje. Toen hij zich in 1802 weer in Amsterdam had gevestigd, zetten de Fransen hem drie maanden gevangen, maar moesten hem bij gebrek aan bewijs vrijlaten.
May in raakte in juni 1813 betrokken bij Van Hogendorps voorbereidingen van het koninkrijk. Dat ging in het diepste geheim en uiterst omzichtig. Desgevraagd introduceerde hij een afgezant van Van Hogendorp bij de Oranjegezinde Amsterdamse regent Joan Cornelis van der Hoop. De heren van stand voerden verder overleg in onderling vertrouwen.
Wat ze precies bekokstoofden blijft onduidelijk en mogelijk wist May er ook het fijne niet van. In zijn boek schemert iets door van een ‘revolutie’ die aanstaande was en in zekere banen geleid moest worden. Het oproerige volk van Amsterdam zou er een rol in spelen, in het bijzonder de vanouds Oranjegezinde scheepstimmerlieden van Kattenburg, de ‘Bijltjes’, sinds mensenheugenis zo genoemd vanwege hun gereedschap. Nu kwam May volop in beeld, want hij stond in de stad als anti-Frans bekend en had goede contacten op Kattenburg. Zijn eigen grootvader was in de eerste helft van de 18de eeuw vanuit Engeland naar Amsterdam gekomen om er te gaan werken als scheepstimmerman.

Douanehuisjes

Op zondag 14 november kwam het ogenblik van handelen nabij en werd May door Van Hogendorp ontboden in Den Haag. Rond zes uur ’s avonds overlegde hij met enkele niet nader genoemde ‘heren’. Over het besprokene laat hij weinig los in zijn Gedenkschrift. “Ons aller wenschen en beraadslagingen kwamen daarop neder, om meester te worden van het bestuur”, meer niet. De volgende ochtend terug in Amsterdam had hij nog een krappe dag voor de praktische voorbereidingen.
Op de kop af 24 uur na het overleg begon de ‘revolutie’ aan de kop van het Damrak bij de Nieuwe Brug. Het eerste doelwit was het huisje van de Franse douane dat daar stond, een van de vele langs het toen nog open IJ. Franse douaneambtenaren controleerden vanuit deze wachtposten of er geen smokkelwaar werd in- of uitgevoerd. Voor veel Amsterdammers belichaamden de huisjes het Continentaal Stelsel waarmee Napoleon sinds 1806 zijn aartsvijand Engeland door een economische blokkade op de knieën hoopte te krijgen. De Amsterdamse economie leed zwaar onder die blokkade en de douane was in de stad zeer gehaat. Een beter mikpunt voor de volkswoede was er niet.
De mannen die het werk opknapten hadden alles bij zich: grote balken om de deuren van de huisjes open te rammen, lantaarns om te kijken of zich binnen geen kostbaarheden of belangrijke papieren bevonden, kwasten en potten terpentijn om alles in te smeren en toortsen om het vuur aan te steken. Voor de zekerheid hadden ze ook brandspuiten meegenomen om te voorkomen dat het vuur zou overslaan naar andere objecten.
May hield het allemaal van een afstandje in de gaten, in een dikke jas gehuld en zoveel mogelijk onherkenbaar. Hij keek toe hoe alle huisjes tussen de Nieuwe Brug en het Kadijksplein onder het zingen van Oranjeliederen systematisch werden afgewerkt. Om een uur of drie ’s nachts was het karwei geklaard. “Ik bevond mij toen tegens een der stutten van de Kattenburger Brug, en nooit was er fraaier gezigt dan de halve cirkel die de stad formeert op verscheiden plaatsen ongestoord te zien branden. Ook dit huisje in de asch gelegd zijnde, liep deze nacht verder in genoegzame rust af, en ik begaf mij naar huis.”

Verontruste regenten

De volgende dag waren de overgebleven douanehuisjes verder langs het IJ aan de beurt. Die 16de november liep het in delen van de stad behoorlijk uit de hand. ’s Morgens werd het huis van een belastingontvanger op de Prinsengracht door woedend volk leeg gehaald, later waren Franse overheidsgebouwen in de buurt van Rokin en Oude Turfmarkt het doelwit. “Een ieder had Oranje, het geroep van Oranje was algemeen, de liederen die aangeheven werden waren alle voor het herstel van dat Huis en het scheen of het een ingeving van de natuur, een instinct was, dat ons vaderland niets was buiten het huis van Oranje, terwijl de kleinste kinderen, die mogelijk nooit van Oranje hadden hooren spreken, hun geroep en hunne wenschen bij die van hunne ouders en vrienden voegden, als ware het Oranjehuis nimmer uit onze gewesten geweest”, schreef May opgetogen. Maar hij kon niet verhullen dat de ‘revolutie’ op dag twee niet helemáál volgens plan verliep.
Op het stadhuis (het Prinsenhof) verzamelden zich dezelfde middag een groep regenten en andere belangrijke Amsterdammers om na het vertrek van de Fransen een voorlopig stadsbestuur te vormen. De heren zagen de ongeregeldheden in de stad met stijgende verontrusting aan. May maakte ook deel uit van het geïmproviseerde stadsbestuur en toen hij op het stadhuis verscheen, werd hem gevraagd of hij met hulp van wat ‘Bijltjes’ de rust niet kon herstellen. Hij paste er echter voor de hete kastanjes uit het vuur te halen en kaatste de bal terug naar de merendeels niet zo erg Oranjegezinde elite van Amsterdam. “In den geest van het volk, mijne heeren, de Oranjecocarde op den hoed, flambouwen en toortsen opgestoken, en een deputatie uit deze vergadering geëscorteerd door een detachement nationale garde met de bodens voorop, met ongedekte hoofden, ons ter plaatse begeven alwaar het grootste gevaar is, en daar imposeeren, de menschen uit elkander doen gaan en de rust herstellen”, was zijn advies.

Sussen en blussen

Zo geschiedde. Het moet een merkwaardig gezicht geweest zijn. Na het invallen van de duisternis trokken de regenten wat onwennig met opzichtige Oranjekokardes op de hoed onder fakkellicht door de roerige stad. Van het stadhuis op het Prinsenhof door de Halsteeg (Hoogstraat) naar de Dam, waar de nieuwe stadsregering zich met een proclamatie presenteerde aan het volk. Na een rondje om het Paleis begaven de heren zich naar de Munt, waar de ‘revolutie’ stevig uit de hand was gelopen. De Nationale Garde – een soort schutterij die nog kort tevoren in de Franse tijd gevormd was – schoot er op de menigte en er vielen naast een dode verschillende gewonden.
Op en rond de Oude Turfmarkt haalde het volk Franse overheidsgebouwen en huizen leeg om de inventaris op straat in brand te steken. Spuitgasten die probeerden de branden te blussen werden bekogeld met stenen. May besloot in te grijpen. “Ik gelastte dadelijk water te geven, sprak het volk aan de andere zijde van den vuurstroom aan, verweet hun de ongeschiktheid van hun gedrag, zeggende dat zij geen recht hadden nu wij den Oranjecocarde op den hoed hadden, om de stad waarin zij gewonnen en geboren waren in brand te steken, en dat de eerste die zich dorst onderstaan nog een steen te werpen, ondervinden zoude de klem en het vermogen der nieuwe regeering.” Hij pikte iemand uit de menigte, dwong die om hem te helpen het vuur onder controle te krijgen en al gauw begonnen anderen water aan te geven. Ook op andere plekken in de stad liet hij zich gelden met sussen en brandjes blussen.

Eerste steen

Deze Amsterdamse ‘revolutie’ van november 1813 was meer een ontlading van volkswoede dan een echte opstand. Een oproer van het door armoede gekwelde volk, dat na het wegvallen van het Franse gezag door de elite verwacht en gevreesd werd. Ook elders in Nederland waren ernstige ongeregeldheden. Job May was de man die het Amsterdamse oproer in opdracht van Gijsbert Karel van Hogendorp zoveel mogelijk in de hand moest zien te houden en te sturen in de richting van een Oranjerevolte, voor zover dat al niet vanzelf ging.
De gebeurtenissen in Amsterdam waren van betekenis in de aanloop naar de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden. Nadat het voorlopig stadsbestuur op 16 november aarzelend en afwachtend ‘om’ was gegaan, kozen de regenten van Van Hogendorps eigen stad Den Haag de volgende dag onomwonden voor Oranje. Op 21 november trad het ‘Algemeen Bestuur’ van het nieuwe Nederland aan, waarna maatregelen werden getroffen om de prins van Oranje – de latere koning Willem I – uit Engeland naar het vaderland te halen. Ook daarin speelde Job May een rol. Van Hogendorp stuurde hem op 23 november in een visserspink naar Engeland om er bij de prins in Londen op aan te dringen snel naar Nederland te komen.
Het zou het teveel eer zijn voor Job May om het aan diens overtuigingskracht toe te schrijven, maar een week later zette Oranje inderdaad voet aan wal in Scheveningen. Op 2 december werd de prins in Amsterdam uitgeroepen tot Soeverein Vorst. Bij de intocht liepen de scheepstimmerlieden van Kattenburg hem met vaandels tegemoet bij de Haarlemmerpoort. Ze zongen: “Leve Willem de Eerste, onze soeverein / De Prins moet Koning van Holland zijn.” De ’Bijltjes’ van Amsterdam konden tevreden zijn: zij hadden de eerste steen voor het toekomstig koninkrijk gelegd.