Het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) uit 1935 is een beroemd plan. En terecht: het was de basis voor de naoorlogse uitbreidingen van Amsterdam. Het plan is in facsimile heruitgegeven. In het Van Eesterenmuseum aan de Burgemeester de Vlugtlaan is het te koop voor € 50,-. Een schitterend boek van twee delen, waarin het Amsterdam van 1935 en de geplande stad in het jaar 2000 beschreven zijn. Het AUP bevat tientallen prachtige kaarten en staat vol met op onderzoek gebaseerde voorspellingen van de toekomst van de stad. Rond 2000 zou Amsterdam ongeveer 960.000 bewoners tellen. De belangrijkste stadsuitbreiding moest in het westen komen, met daarbij het kleinere Buitenveldert in het zuiden. Andere beoogde uitbreidingen waren ten zuiden van de Rivierenlaan (sinds januari 1964 President Kennedylaan) en bij Frankendael in de Watergraafsmeer.
Het plan is ook zorgvuldig geschreven, al is de taal duidelijk uit een andere tijd dan nu. Een typerende passage uit de inleiding: "De wijzigingen in de samenleving en de veranderingen in de aard van het verkeer hebben de stedelijke grenzen vervaagd en een einde gemaakt aan de voor de vorige periode zoo kenmerkende bondigheid en beslotenheid der nederzettingen. Hierdoor ging niet alleen de groote schoonheid van het stadssilhouet reddeloos verloren, doch werd ook het gevoel voor orde ondermijnd." En verderop: "Groen + water + zon = gezondheid is de tooverformule van onzen tijd geworden en het resultaat – een krachtig, door de zon gebruind ras van jonge mensen."

Vriendelijke dictator

Het AUP was een vertaling van het modernisme in de stedenbouw naar Amsterdam. Internationaal was de Zwitsers-Franse architect Le Corbusier (1887-1965) er de bekendste vertegenwoordiger van. Hij wilde een "stralende stad" voor de "nieuwe mens". In Amsterdam was Cornelis van Eesteren (1897-1988) de belangrijkste aanhanger van de beweging het Nieuwe Bouwen. Hij leidde van 1929 tot 1959 de afdeling Stadsontwikkeling van Publieke Werken en was de belangrijkste kracht achter het plan. Als een (vriendelijke) dictator regeerde hij over de uitvoering, herinnert zich de gepensioneerde leraar en stedenbouwkundige Gerrit Oorthuys. "Een gebouw van Jan Rietveld zou door hoog te worden één accent in de gelijkmatig gedachte wijk worden. Met één handgebaar besloot Van Eesteren dat er twee verdiepingen af moesten. Volgens Jan Rietveld ging zo de winst van de ontwikkelaar meteen in rook op."
De gemeenteraad nam het AUP in 1935 aan, maar door de Tweede Wereldoorlog werd het pas vanaf 1949 echt uitgevoerd. De visie achter het plan is een totale breuk met de bestaande stad. Centrale ideeën zijn de 'parkstad' en de scheiding van functies. Mensen moesten wonen in het groen, in open bouwblokken zonder binnentuinen; en wonen, werken, verkeer en recreëren werden strikt gescheiden. Marinke Steenhuis, eindredacteur van het boek De nieuwe grachtengordel: "Van Eesteren zag de stad in stromen, in klanken, zoals in de jazz. Het verkeer als een solo van een trompet, buurtjes als springerige muziek, het werken als de drum." Oorthuys herinnert zich hoe de planoloog uitkeek over de drukke stad en die benoemde als een levend organisme, met verkeerstromen en vaste huizenblokken.

Stadsbeeld

Maar Van Eesteren was ook nuchter en praktisch, zegt Oorthuys. Hij was lang de assistent van de beroemde stedenbouwkundige toen deze professor was in Delft en kende hem goed. "Van Eesteren was bevriend met kunstenaars als Piet Mondriaan van De Stijl, maar ook een nuchtere Zuid-Hollandse zoon van een aannemer. Hij was een sobere, protestantse man en dat zie je terug in zijn werk. Hij had oog voor het gewone leven, voor mensen in hun wijk. Hij bewonderde bij Berlage onder andere het principe dat er altijd een winkelstraat, school en kerk op loopafstand moest zijn. Hij streefde naar zulke verhoudingen in zijn grootschalige plan: een speeltuin hier, een winkelgebied vlakbij, een school om de hoek. Wij Delftse studenten vonden wel dat hij weinig oog had voor mooie architectuur, alle stijlen kregen een kans. Hij vond het niet zo belangrijk dat huizen mooi of lelijk waren. Dat werd een beetje saai."
Voor de meer romantische schoonheid van Berlage's Plan Zuid voelde Van Eesteren weinig: "Onze opgave is de schoonheid welke in de techniek ligt, te verwerken en te organiseren. De houding welke men over het algemeen tegenover de voortbrengselen der techniek aanneemt, komt uit ongeveer de volgende gedachte voort: 'Hoe trekken we dit monster een mooi kleedje aan', zonder de schoonheid van het naakte monster te zien."
25 was Van Eesteren toen hij dit schreef en zijn levensprogramma is ermee verwoord. Hij gaf er een illustratie van: "Voorbeeld: een stadsbeeld zal bestaan uit een horizontaal viaduct, een verticale fabrieksschoorsteen, een gesloten pakhuis. Met deze elementen zonder eenige ornamentatie, welke zwakheid te verbergen zou hebben, een stadsbeeld te vormen, is onze opgave."

Fietstocht

Je kunt makkelijk uren lezen en bladeren in het AUP. Hoe boeiend dat ook is, het plan schiep toch vooral de leefwereld voor vele tienduizenden mensen. Wat zien we als we een fietstocht maken langs de bakens van Nieuw-West? Welk beeld krijgen we dan van het "naakte monster".
De start is bij de Theophile de Bockstraat (vlak over de Schinkel net buiten het Vondelpark/uitgang Amstelveenseweg (1)), richting A10 langs de Saskia van Uijlenburgkade. Hier staan slordig verspreid grote kantoorgebouwen (2). Een anonieme omgeving. Pas bij Station Lelylaan wordt de situatie overzichtelijker (3). Dit gebied is één van de ingangen tot Nieuw-West, een overgang van de intieme stad naar de functionele stad van de functiescheiding; fietspaden, autowegen, groen en woningen zijn los van elkaar. Het contrast is snoeihard.
Fietsend langs de verhoogde Cornelis Lelylaan met de strokenbouw aan weerzijden van de grote weg blijft het gevoel van een kille, onpersoonlijke buitenwijk. Wonderbaarlijk is het enorme viaduct met de Johan Huizingalaan (4). Eronder zijn kleine winkels en het viaduct is duidelijk met zorg gebouwd. De sfeer is 'ouderwets' modern en ademt de vroege jaren zestig. Verderop duiken plotseling in het groen mooie en riante eengezinswoningen op. Dit is het prachtige Bakhuizen van den Brinkhof, dat zich elegant slingert door het ruime park langs de Sloterplas. Een idyllische plek (5).
Door naar de zuidzijde van de Sloterplas (6). Dit is Osdorp, de vanaf 1957 als laatste gebouwde Westelijke Tuinstad. Hier staat aan de rand van het Osdorperplein theater De Meervaart (7). Architectuurhistoricus Vincent van Rossem vindt de Sloterplas een buitengewoon mooi stadsbeeld. Hij heeft gelijk: de plas is wijds en groots, er zwemmen zwanen. Er is natuur. De mensen die er rondom wonen hebben een bijzonder uitzicht, de openbare ruimte is van hoge kwaliteit. Een geslaagd centrum van Nieuw-West. De Sloterplas is uitgegraven om zand te winnen om de Westelijke Tuinsteden te bouwen. Daarmee sloeg Amsterdam twee vliegen in één klap: het zand hoefde niet van ver uit de duinen worden gehaald en er ontstond een markant meer als baken. Op foto's uit de beginjaren maakt de Sloterplas een vredige indruk, met een stadsstrand, zeilboten en vrolijke kinderen.

Spanningen

Langs de groene oostzijde van de Sloterplas gaan we naar het Van Eesterenmuseum aan de noordelijk gelegen Burgemeester de Vlugtlaan (9). Op straat is goed te zien dat de bevolkingssamenstelling hier volledig anders is dan in andere delen van de stad. Oorspronkelijke 'witte' Nederlanders zijn sterk in de minderheid, hoewel zich er de laatste jaren veel meer 'witte' gezinnen vestigen, mede door de hoge huizenprijzen binnen de Ring. Er zijn veel nieuwe Amsterdammers op straat, moderne meisjes zonder hoofddoek pratend in een mobiele telefoon, maar ook zwaargesluierde vrouwen en soms orthodoxe jonge mannen met een vlasbaard en in een djelabba.
De polarisatie tussen bevolkingsgroepen is in dit deel van de stad verreweg het grootst, blijkt uit gegevens van de Dienst Onderzoek en Statistiek. Bewoners mijden elkaar, denken negatief over elkaar en vertrouwen elkaar weinig. Er is geen actief conflict, wel onderhuidse spanning. De wijken hier bestaan grotendeels uit goedkope sociale woningbouw, waardoor de bevolking vrij arm is en nogal eenzijdig van samenstelling.
De medewerkers van het Van Eesterenmuseum denken verschillend over de sfeer in de buurt. Een jonge vrouw is hier net met haar gezin komen wonen en prijst de warmte en de gezelligheid van de wijk. Raymond Zentvelt, die de rondleiding door de museumwoning geeft, heeft de buurt net verlaten. Hij woonde bij het Confuciusplein en zag met mooi weer vooral gesluierde vrouwen op straat (8). "Het leken wel de Middeleeuwen." Ook speelden er alleen Turkse en Marokkaanse jongens op straat en nooit meisjes. De jongens deden stoer en zorgden voor overlast, maar waren wel goed aanspreekbaar. De buurt staat volgens hem op een kantelpunt: "Het kan goed gaan, doordat de positieve trend zich voortzet. Maar er is ook een risico dat het misgaat, dat de spanningen toenemen en de segregatie nog groter wordt."

Goed wonen

Nog voor de oorlog begon de typerende 'strokenbouw' aan de Willem de Zwijgerlaan in Bos en Lommer (12). De binnentuin verdween en de buitenruimte werd gemeenschappelijk. In 1949 begon de sociaaldemocratische wethouder Jonas van der Velde – zoon van een rabbijn die in de oorlog zijn halve familie verloor – doortastend met de verdere uitvoering van het plan. De start was met Tuinstad Slotermeer, in 1952 geopend door koningin Juliana. Een plaquette op de Hannie Schaftbrug in de Burgemeester de Vlugtlaan herinnert eraan (11). Slotervaart, Geuzenveld, Osdorp en Overtoomse Veld volgden. Een grote nieuwe stad werd gebouwd, bevolkt door veel jonge gezinnen. Na de crisis en de oorlog volgden wederopbouw en hoop.
Het optimisme en de levenslust zijn goed te zien in de museumwoning om de hoek bij het Van Eesterenmuseum [Freek Oxstraat 27 (10)]. Het appartement is ingericht als één van de tien modelwoningen in de jaren vijftig en zestig. Aanvankelijk probeerde men de bewoners via het tijdschrift Goed wonen met zachte hand te dwingen tot het geluk, maar slechts weinigen lazen het blad en daarom werden er modelwoningen ingericht. Bij binnenkomst slaat de ontroering toe. Alle spullen zijn uit de jaren vijftig. De woning telt twee verdiepingen, de begane grond en eenhoog. Het huis is licht. In de woonkamer staan fraaie lichte meubels. Een kokosmat, een pick-up met singeltjes. Alleen de bewoners ontbreken.
Beneden zijn twee slaapkamers. Een met een tweepersoonsbed voor de ouders en een voor de kinderen. Er is een badkamer; men hoefde niet meer naar het badhuis. Goed wonen pleitte voor lichte meubels. Uitgangspunt was een gezin met 'huisvrouw', 'kostwinner' en kinderen. Het was hier modern wonen in een functionele nieuwe stad met veel groen, licht en ruimte.

Toekomst

Architectuurhistorici roemen het AUP en de succesvolle uitvoering. En misschien bracht het plan in de jaren zestig en zeventig ook wel een soort paradijs op aarde. Maar vanaf de jaren tachtig namen de sociale problemen toe. Oorspronkelijke bewoners vertrokken naar de nieuwe slaapsteden, zoals Almere en Purmerend. De industrie verdween uit Amsterdam. Nu bestaat de helft van de bevolking uit niet-westerse immigranten en vormt de A10 behalve een fysieke, vooral een sterke psychologische grens met de rest van de stad. Tegelijkertijd vestigen veel nieuwe gezinnen zich in Nieuw-West, is er een groeiende Turks-Marokkaanse middenklasse en profiteert de wijk van de economische bloei van de stad.
De toekomst blijft ongewis, net als in 1935, toen het plan verscheen. Wie voorzag destijds de oorlog en de moord op de Amsterdamse Joden? De toekomst valt met geen plan te bezweren.

MET SPECIALE DANK AAN GERRIT OORTHUYS EN LINDA VLASSENROOD.
MEER INFORMATIE: WWW.VANEESTERENMUSEUM.NL
DE CIJFERS CORRESPONDEREN MET DE FIETSROUTE.

Fietsroute door Nieuw-West

(1) START: uitgang Amstelveenseweg Vondelpark
(2) Kantoorgebouwen
(3) Station Lelylaan
(4)Viaduct Johan Huizingalaan
(5) Bakhuizen van den Brinkhof
(6) Sloterplas
(7) Osdorperplein
(8) Confuciusplein
(9) Van Eesterenmuseum
(10) Museumwoning
(11) Hannie Schaftbrug
(12) Willem de Zwijgerlaan
(13) EINDE: Jan van Galenstraat