Afval is allang niet meer een vervelende bijzaak van het stadsleven: afval is een puike grondstof voor de recycling van bruikbare materialen en voor ‘schone’ energieopwekking. Er kan winst mee worden gemaakt. In Amsterdam is de Gemeentelijke Dienst Afvalverwerking in 2003 omgedoopt tot Afval Energie Bedrijf (AEB), dat in 2014 is verzelfstandigd om zich te kunnen ontwikkelen tot “dé producent van duurzame energie in Amsterdam”. De AEB breidde uit, opende nieuwe ovens en begon zelfs afval uit het buitenland te importeren; een zesde deel van al het Nederlandse afval werd in Amsterdam verwerkt. Inmiddels ligt het bedrijf voor een derde stil. Een stevige landelijke afvalcrisis is een feit. De gemeente, enig aandeelhouder, onderzoekt of de AEB te verkopen valt; de verantwoordelijke wethouder, Udo Kock, trad af.

Niets nieuws onder de zon. Amsterdam heeft zijn afvalverwerking door de eeuwen heen altijd uitbesteed, om die vervolgens weer in eigen hand te nemen en daarna weer uit te besteden, enzovoort. In 1556 gunden de burgemeesters ophaal en verwerking van het stadsvuil aan de regenten van het Burgerweeshuis, in 1583 deed de stad dat weer zelf, in 1620 werd het opnieuw aan particulieren verpacht. In 1673 ging de “administratie van ’t Vuilnis” over naar de regenten van het armlastige Aalmoezeniersweeshuis.

Het weeshuis kon het werk nauwelijks aan: vuil bleef liggen, bewoners klaagden, tekorten liepen op, reorganisaties volgden. In 1804 besloot het stadsbestuur de vuilnisdienst weer aan anderen te gunnen. Veertig jaar lang kregen Nicolaus Sieburgh en Martinus van der Aa het werk in pacht, maar Van der Aa kon de laatste zes jaar alleen met gemeentesubsidie een faillissement voorkomen. In 1848 ging de licentie om “alle de haardasch, vuilnis, poortaarde, rioolspeciën en afval der vilderij, vallende binnen de stad Amsterdam en derzelve jurisdictie” op te halen naar de Maatschappij voor Landbouw en Landontginning van de arts Samuel Sarphati. De straten werden geveegd door arme lieden van de Maatschappij tot Verbeetering van den Werkenden Stand.

Lang duurde dat niet, want de gemeente nam het heft weer zelf in handen. Op 1 oktober 1877 kwam de eigen Dienst der Stadsreiniging tot stand. De bevolking groeide en het vuil hoopte zich op. Reden voor directeur J. D. de l’Epinasse om in 1904 voor te stellen het Naardermeer ermee te dempen, maar natuurbeschermers staken daar een stokje voor. Onder zijn opvolger Adriaan de Groot (1905-1928) werd daarom voor het eerst voorgesteld het vuilnis te verbranden. De vrijkomende energie kon worden benut en resterende slakken waren mooi bouwmateriaal. In 1919 kwam de Amsterdamsche Verbrandingsinstallatie (AVI) aan de Papaverweg in bedrijf – en draaide daar een halve eeuw.

De nieuwe stadsreiniging functioneerde goed: eigen wagens, eigen schuiten, eigen uniformen, men was er trots op. Om de stad te laten zien dat de vuilnisophaal net als de brandweer een nuttige dienst was, richtte men een eigen fanfarekorps (Luctor et Emergo) en een zangkoor (Harmonie) op.

En hoe nu, in 2019, verder met de AEB? Trots vervliegt. Afvalcrises komen en gaan. Goede kans dat de gemeente de afvalverwerking afstoot, om het over een paar jaar weer in eigen hand te nemen. Enzovoort.