Dat wij u deze interieurschatten juist nú presenteren, is niet toevallig. Het jaar 2001 is uitgeroepen tot het Jaar van het Interieur en tijdens de Open Monumentendagen op 8 en 9 september staat overal in het land het thema ‘wonen’ centraal. En dát staat weer niet los van het feit dat een eeuw geleden de Woningwet werd aangenomen. Drijvende krachten achter deze projecten zijn de Stichting Manifestatie Historisch Interieur 2001, die dit najaar een boek en een symposium presenteert, en de stichting Het Nederlandse Interieur, die zich inzet voor het behoud en de zorgvuldige omgang met alle nog bestaande interieurs of fragmenten daarvan in Nederland. Professor Wim Vroom, voorzitter van laatstgenoemde stichting én van het Genootschap Amstelodamum, kwam dit voorjaar met het idee een oproep in Ons Amsterdam te plaatsen. Alle informatie en documentatie die ons werd toegezonden, is door Bureau Monumentenzorg dankbaar geïnventariseerd en opgeslagen; de meest veelbelovende adressen hebben we persoonlijk bezocht.

Bellenborden en bubbelbaden

Wat kan je zoal tegenkomen op zo’n zoektocht, behalve grommende honden en bevoorrechte bewoners die toch eerst even de kat uit de boom willen kijken? Je kunt het zo gek niet bedenken: oude fonteintjes en wasbakken, wc’s met prachtige potten en zelfs klassieke poepdozen – oorspronkelijk zonder waterspoeling uiteraard! – en liften in alle soorten en maten: voor het transport van eten, personen, boodschappen en jawel, ook van effecten en andere waardepapieren uit de kluis. Verder zijn daar historische wandafwerkingen, bijzondere plafonds, fantastische mozaïekvloeren, echt parket, kleurrijke wandtegels, marmer, granito, dure houtsoorten zoals palissander, geschilderd stucwerk en geschilderd doek, vrolijke en deftige behangsels, en uiteenlopende soorten glas: geëtst glas, gebrandschilderd glas, glas-in-lood, facet-geslepen glas en spiegelglas. Ook zijn er allerlei overblijfselen te vinden van huishoudtechniek uit vervlogen tijden: bellenborden, dienstliften, omgebouwde gaslampen, inbouwhaarden en kachels – allemaal 19de-eeuwse vernieuwingen die het huishouden vergemakkelijkten. In het kolenhok in de kelder van Meeuwenlaan 11 bleek zelfs nog een hele voorraad steenkolen aanwezig!

In oude huizen zitten vaak vertrekken die hun oorspronkelijke functie hebben verloren, zoals kamers voor een dienstbode of huismeester, spreekkamers, dienkamers en diensttrappenhuizen. De vertrekken van de huismeester van Leidsegracht 18 zijn tegenwoordig beschikbaar voor de logés van de familie. De spreekkamer van Frans van Mierisstraat 31 is niet meer als zodanig in gebruik. De dienkamer van Meeuwenlaan 11 is omgetoverd tot strijkkamer. De diensttrap van Jan Luijkenstraat 64 is niet meer zichtbaar.

Iets meer continuïteit is er in het gebruik van de mangelkamers en droogzolders die vroeger in grote huizen te vinden waren. Vaak hangt de was nog steeds op zolder en is in de voormalige mangelkamer nu de wasmachineaansluiting te vinden. De kamers waarvan de inrichting en afwerking het ingrijpendst is veranderd, zijn steevast de keukens en badkamers. Door de groeiende welvaart na de Tweede Wereldoorlog werd het moderne wooncomfort onder brede lagen van de bevolking verspreid. De nieuwe, ‘schonere’ technieken van koken op gas en elektriciteit (al gepropageerd vanaf de jaren twintig), maar ook het douchen, werden voor steeds meer mensen bereikbaar en maakten dat het aantal ingrijpende verbouwingen van keukens en badkamers explosief toenam. Bovendien is het de laatste decennia bijna een must geworden om bij elke verhuizing een ‘nieuwe keuken’ en een ‘nieuwe badkamer’, al dan niet met bubbelbad, aan te schaffen. De elkaar in ijltempo opvolgende trends op het gebied van ‘inbouwinterieurs’ kunnen zeer dwingend zijn. Maar ook heel fascinerend voor de interieurhistorici van straks.

Nieuwe stijlen achter oude gevels

Uit welke perioden dateren de interieurschatten die onder onze aandacht werden gebracht? Veel blijken uit de periode 1860-1910 te stammen. Daaronder zijn een groot aantal interieuronderdelen en zo goed als complete kamers uit de tijd van de neostijlen en het daarop volgende tijdperk van de Nieuwe Kunst (vanaf omstreeks 1895, de sobere Nederlandse versie van de art nouveau. Je zou wellicht verwachten dat al die pronkstukken te vinden zijn in de stadswijken die vanaf omstreeks 1860 buiten de Singelgracht werden gebouwd. Maar ook in de binnenstad, vooral op de grachten, staan heel wat huizen uit deze tijd. Bovendien gaan interieurs uit het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw geregeld schuil achter oudere gevels.

De stille hoop dankzij onze oproep een prachtig, volslagen onbekend 17de-eeuws woonhuisinterieur op het spoor te komen, werd helaas niet bewaarheid. Maar dat zou ook wel een sensatie geweest zijn. Zo’n unicum dat we al wél kenden, is het interieur van een huis aan het Rapenburg. Wie er binnenstapt, waant zich in een schilderij van Vermeer. In de huizen die wij nu hebben bezocht, zouden hooguit de balkenlagen en de fundamenten uit de 17de eeuw kunnen stammen. Uit de 18de eeuw dateert een enkel trappenhuis, zoals dat van Keizersgracht 565-567 en dat van Herengracht 460 (‘Staetshuys’), met sierlijke, opengewerkte trapbalusters: de ene in hout, de ander in ijzer. Het huis op de Keizersgracht heeft verder nog een rococo schoorsteenmantel in grijs marmer en een kunstig gesneden porte-brisée met een bovendeurstuk in dezelfde stijl. In Herengracht 518, het op afspraak voor publiek opengestelde Geelvinck-Hinlopenhuis, herbergen de beide achterkamers schitterende schilderingen op doek uit de 18de eeuw, die overigens uit andere huizen zijn overgebracht. De landelijke voorstellingen in de linkerachterkamer zijn van de hand van de beroemde landschapsschilder Egbert van Drielst (1745-1818). Hij werd wel, vanwege zijn voorkeur voor het Drentse landschap, de ‘Drentse Hobbema’ genoemd en heeft veel behangsels geschilderd in opdracht van de behangselfabriek van Snijers te Amsterdam. De schilderingen in de rechterachterkamer zijn van compleet andere aard. Het zijn grote, decoratieve doeken met bloesemtakken, ranken, vogels en dergelijke, ontleend aan de Chinese natuur en kunst – vanwege de voorstelling worden dergelijke voorwerpen wel ‘chinoiserieën’ genoemd. In dit huis zijn ook enkele interieurelementen overgeleverd uit de tijd rond 1800, zoals een plafond in Empire-stijl. We vinden er ook een in Herengracht 460. In het eerstgenoemde huis is het gedecoreerd met met amandel- en parapluvormen, in het tweede met al even karakteristieke palmettenrandjes.

Zweepslagmotieven

Uit de periode 1860-1910 zijn er kamers in neo-rococo (Herengracht 518), in neo-Louis XVI (Herengracht 460 en Keizersgracht 565-567), neorenaissance (Leidsegracht 18), Nieuwe Kunst (Paulus Potterstraat 44). Ook elders zijn allerlei uitingen van de nieuwe vormgeving van rond 1900 te zien, soms met de bekende zweepslagmotieven (Jan Luijkenstraat 64), soms in een ingehoudener variant met overwegend geometrische ornamentiek (Frans van Mierisstraat 26 hs). In een enkel geval zien we uit deze periode motieven die kenmerkend zijn voor de Amsterdamse School, zoals in het woonhuis Volewijck, Meeuwenlaan 11, dat Draka-directeur Duyvis in 1916 liet bouwen. Er zitten huizen bij van bekende en minder bekende architecten, onder wie G.B. Salm (hij ontwierp grote delen van Artis), A.L. van Gendt (van het Concertgebouw), K. Muller (van het Turngebouw, thans De Krakeling), Z. Kok jr. en G. Haverman.

Er zijn maar weinig interieurelementen aangemeld uit de jaren twintig en dertig. Uitzonderingen zijn de mooie boodschappenlift in het blok van woningbouwvereniging De Samenwerking op de Hobbemakade en enkele bijzonderheden in een ‘vier onder één kap’ in de Richard Wagnerstraat, vlak bij de Beethovenstraat.

Wat maakt deze interieurschatten nu zo interessant, afgezien van het feit dat ze verborgen zijn en alleen al daarom de moeite waard om te worden ontdekt? Ze zijn per definitie eerbiedwaardig, omdat ze oud zijn, en soms zijn ze buitengewoon kostbaar, omdat het materiaal duur is, of niet meer te krijgen, of bewerkt door een artistiek talent. Soms zijn ze werkelijk uniek, omdat er nog maar weinig van bewaard zijn gebleven of omdat er eenvoudigweg maar één exemplaar van werd gemaakt. Bovendien zijn het voorbeelden van de smaak van weleer, waaraan herinneringen zijn verbonden aan een bepaalde wooncultuur of periode in de ontwikkeling van de woonhuisarchitectuur. Maar vaak zijn ze ook gewoon erg mooi. En misschien nog wel vaker ontroerend, omdat ze (min of meer bij toeval) niet zijn verwijderd of verdwenen en voor bewoners vanzelfsprekend zijn geworden.

Oorspronkelijke kleuren zeldzaam

Zelfs al is een huis meerdere malen verbouwd, dan nog heeft het wel ergens een bijzonder of curieus overblijfsel uit het verleden. Zo dook er een oude bedstede op in het huis Keizersgracht 447, waar sinds jaren het loodgietersbedrijf van de familie De Koning is gevestigd, dat sinds 1739 van vader op zoon is overgegaan. Nog steeds is de begane grond in gebruik bij het bedrijf (tegenwoordig gespecialiseerd in luxe badkamerartikelen) en wordt er boven gewoond. De bedstede is inmiddels in gebruik als bergruimte.

Elke keer is het weer een grote verrassing als een hele kamer nagenoeg gaaf bewaard bleef. Meestal is het een vloer hier en een plafond daar, maar bij de inzendingen zaten een paar unieke ensembles. Enkele oude interieurs die tamelijk compleet ogen zijn vijf kamers van Paulus Potterstraat 44, enkele kamers in diverse huizen op de Heren- en Keizersgracht, de Leliegracht en de Leidsegracht. Ook elders in Zuid zijn er een paar. Toch ontbreken bij nader inzien vaak onderdelen van het oorspronkelijke ensemble. Meestal zijn toch bijvoorbeeld de bespanningsstoffen, tapijten en papieren behangsels vervangen. Slechts zelden vind je deze kwetsbare interieurelementen zoals ze oorspronkelijk zijn aangebracht. Uniek is daarom bijvoorbeeld het vakkenplafond in de slaapkamer in de Paulus Potterstraat, waarin een bespanningsstof zit van omstreeks 1900 met een ingeweven patroon. Het interieur van dit huis is om nog een andere reden bijzonder. In de voormalige salon bevindt zich een, gedeeltelijk ajour bewerkte, palissanderhouten kamerbetimmering van een hoge artistieke kwaliteit. (Des te spijtiger dat onze fotograaf hier geen opnamen kon maken, omdat de bewoners juist met vakantie waren.)

Ook het huis in de Meeuwenlaan herbergt interieurtextiel uit de bouwtijd. De traploper en de velours-frisé gordijnen naar een ontwerp van Theo Nieuwenhuis (1866-1951) zijn in tegenstelling tot wat gebruikelijk is meeverkocht met het huis en vervolgens weer in gebruik genomen door de huidige bewoners.

Papier is net als textiel buitengewoon kwetsbaar. Het is bovendien gemakkelijk en goedkoop te vervangen, wat dan ook keer op keer gebeurt. Bij het afstomen van vele lagen behang kwam de bewoner van Noorderstraat 59A een paar stroken vooroorlogs kinderbehang tegen die hij, terecht, de moeite waard vond om te bewaren. De stroken met voorstellingen van spelende dieren en kabouters vertonen overeenkomst met kinderboekillustraties uit die tijd.

Wat verder nog zeldzaam is, zijn oorspronkelijke kleuren in het schilderwerk. De meeste detailleringen zijn wit of gebroken wit geworden in de laatste jaren, omdat het oorspronkelijke palet niet meer te achterhalen viel, of zoals meestal, omdat het niet meer paste bij de smaak van onze tijd. De rijk gedecoreerde suitekamer van Keizersgracht 565-567 is enkele jaren geleden helemaal geschilderd in prachtig ‘postmodern’ roze, lila en mintgroen. Een enkele keer zijn de aangetroffen oude kleuren zo goed mogelijk bijgewerkt of helemaal conform het oude kleurengamma overgeschilderd, zoals op Keizersgracht 518 en Herengracht 460. Werkelijk authentiek in de zin van niet overgeschilderd, is het schilderwerk dus zelden. Toch zijn er enkele mooie voorbeelden ingezonden: twee plafonds van Meeuwenlaan 11, diverse plafonds van Paulus Potterstraat 44 en het schilderwerk op de betimmeringen in de achterkamer van ons anonieme Keizersgracht-huis.

‘Hoort bij het huis’

Het is opvallend hoezeer de inzenders zich hechten aan hun ‘interieurschatten’. Voor sommigen gaat het er eenvoudigweg om dat de charme van oude detailleringen bijdraagt aan hun woongenot. Soms is er een dieper besef van de waarde voor ons cultureel erfgoed. De grote affiniteit met interieur blijkt uit de moeite die bewoners zich getroosten om de oude profielen weer terug te halen en op te poetsen, maar ook uit het willen behouden van de spullen die speciaal voor het huis zijn gemaakt of aangeschaft. Zo behielden de bewoners van het eerder genoemde ‘anonieme’ huis op de Keizersgracht de gaslamp op de eindbaluster van het trappenhuis om de eenvoudige reden dat deze ‘bij het huis hoort’.

Menig bewoner maakt zich zorgen om het behoud van de door hem of haar gekoesterde woonhuisonderdelen in de toekomst, wanneer het huis zal zijn verkocht. En terecht, want oude interieurs zijn uiterst kwetsbaar en vragen vaak speciale aandacht van de gebruiker. Niet iedereen wil of kan dat. En om de bijzonderste interieurschatten van overheidswege te beschermen moet nog een lange weg worden afgelegd.

Drs. B.M. Laan is interieurhistoricus en publiceert regelmatig over het Nederlandse interieur. Voor het deze maand verschijnende boek Leven in toen schreef zij twee inleidende artikelen.

Voor meer informatie

Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg: Keizersgracht 123, 1015 CJ Amsterdam, http://www.bmz.amsterdam.nl.

Stichting Het Nederlandse Interieur: postbus 15599, 1001 NB Amsterdam.

Stichting Manifestatie Historisch Interieur 2001, Projectbureau: Keizersgracht 497; Postbus 76709, 1070 KA Amsterdam, http://www.interieurmanifestatie.nl.