Een van de wapenschilden is van Abraham Titsingh. Deze Titsingh wilde van jongsaf aan chirurgijn worden, net als zijn vader Isaac die op zee sneuvelde in gevecht met de Fransen toen Abraham zeven jaar oud was. Op zijn elfde werd Abraham chirurgijnsleerling, ook hij belandde op de vloot: in 1702 werd hij aangesteld als ‘tweede scheepsheelmeester’ in dienst van de Admiraliteit. In 1710 keerde hij terug in Amsterdam en werd een jaar later tot het chirurgijnsgilde toegelaten.

Lidmaatschap van het gilde was verplicht, want sinds het begin van de 17de eeuw was de medische praktijk in Amsterdam strikt gereglementeerd. Aan het hoofd van de gezondheidszorg stonden gepromoveerde artsen zoals Nicolaes Tulp, verenigd (met de apothekers) in het Collegium Medicum. Deze doctores medicinae stelden de diagnose en schreven een behandeling voor, die vervolgens werd uitgevoerd door de chirurgijns. Om die daarvoor op te leiden stelde de stad een praelector anatomiae aan, een docent heelkunde. Hij gaf vooral praktijkles: vanaf 1550 mocht er in Amsterdam anatomisch onderricht worden gegeven aan de hand van de ontleding van menselijke kadavers. Sinds 1691 gebeurde dat in het fraaie anatomisch theater in de Waag op de Nieuwmarkt. Leerling-chirurgijns waren verplicht de lessen bij te wonen.

Snijdzaal

Het gildebestuur bestond uit zes overlieden, aangesteld voor een periode van drie jaar. Elk jaar maakten twee bestuursleden plaats voor twee nieuwe en de familiewapens van de nieuwkomers werden dan aangebracht op het gewelf van de snijzaal in de Waag. Het gilde had een fonds waaruit uitkeringen werden gedaan aan zieke gildebroeders en de weduwen van chirurgijns. De inkomsten kwamen uit contributies, les- en examengelden, boetes en de kaartverkoop voor openbare ontledingen. Opvallend aan het gilde was dat het openstond voor alle burgers van de stad, ook de Joodse; in 1728 telde het gilde 45 christenen en twaalf Joden.

In september 1731 kwam Abraham Titsingh in het gildebestuur en zag dat dat bol stond van corruptie, fraude en misbruik. Sommige overlieden lieten leerlingen extra betalen voor een examen, anderen verkochten diploma’s zonder dat er een meesterproef was afgelegd. Het overschot van de entreegelden voor de anatomische lessen staken de overlieden in eigen zak. Drie van hen hadden in 1728 Cornelis Troost de opdracht gegeven om hun groepsportret te schilderen, op kosten van de gildekas; zij bleken ook allemaal een rijtuig te hebben gekocht, met geld van het gilde en ten nadele van het weduwenfonds.

Titsingh vatte de koe bij de horens. In zijn pamflet De verdonkerde heelkonst der Amsterdammers uit 1730 had hij al aangekondigd dat niet alleen het gilde, maar eigenlijk de hele gezondheidsdienst van de stad moest worden schoongeveegd. Hij verzamelde klachten tegen de overlieden, waarna de burgemeesters een commissie instelden waarin vooral medestanders van Titsingh zitting hadden. Toen bleek dat de klachten gegrond waren werden de vijf zittende overlieden Adriaan Verduijn, Elias Huijser, Roelof Roelvink, Jan Koeverding en Anthoni Milaan vanwege ‘quade directie’ uit hun functie ontheven. Drie oud-bestuurders werden van nieuwe verkiezing uitgesloten.

Coulant

De burgemeesters besloten genadiglijk af te zien van verdere juridische stappen. De ontslagen overlieden bleken de ernst van de situatie echter niet goed begrepen te hebben. Ze gingen langs bij de president-burgemeester, Jan Trip, en vroegen of ze niet toch gewoon hun jaar mochten uitzitten. Trip hield ze bars voor dat de burgemeesters de overlieden al buitengewoon coulant hadden behandeld: ‘Weet gijlieden niet wat men doet met meineedigen?... vertrekt, of wij zullen met U lieden wat anders doen!’

Abraham Titsingh kreeg de opdracht tien nieuwe overlieden voor te dragen, van wie de stadsregering er vijf uitkoos. Titsingh werd ‘deken’, voorzitter van het bestuur. De nieuwe mannen lieten zich mét Titsingh portretteren door Jan Maurits Quinkhard, voor zeshonderd gulden, maar nu op eigen kosten en met de bedoeling het schilderij aan het gilde te schenken. Willem Röell werd in een apart portretje in het grotere schilderij opgenomen; hij was in 1731 aangesteld als praelector.

Titsinghs nieuwe bezems veegden letterlijk schoon. Omdat de schoorstenen in de Waag niet deugden waren kamers van het gilde vaak ‘tot stikkens toe vol rook’, waardoor ‘onse ornamenten, insonderheyt de schilderijen, bedorven worden’. Het nieuwe bestuur liet de rookafvoer verbeteren en alle schilderijen schoonmaken en repareren, waaronder ook de ‘afgeschilferde’ mantel van Nicolaas Tulp in de Anatomische Les, ‘zijnde versengd, doordien een vuurge rook langen tijd tegen dat schoone stuk van REMBRANDT heeft geklommen’.

Vervolgens begon Titsingh met het herzien van de examens, de administratie werd op orde gebracht en ‘zogenaamde Meester Barbiers, Onvrije Meesters, gepermitteerde Beunhaazen, Aderlaters en, of, hoe dat zoort van volk ook mogte genaamd zijn’ werden uit het gilde gezet.

Irrationele denkbeelden

In zijn tomeloze ijver kreeg Titsingh het al snel met zijn gildebroeders aan de stok. Hij zocht de confrontatie in het openbaar door het doen van wetenschappelijke publicaties waarin hij het werk van andere medici en chirurgijns onderuit haalde. Het leek dan te gaan over een zuiver professioneel verschil van mening over een detail van de medische wetenschap, maar op achtergrond speelde een groot verschil van inzicht in hoe de beoefening van die wetenschap eigenlijk in elkaar zat.

Hendrik Ulhoorn ontpopte zich tot Titsinghs voornaamste tegenstander. Hij behoorde in 1731 nog tot de tien gildebroeders die Titsingh had voorgedragen, maar de vriendschap bekoelde rap. Ulhoorn gaf al sinds 1720 anatomische demonstraties in het Binnengasthuis, met groot succes. Hij vond dat er in de medische praktijk te veel aan oude, soms irrationele denkbeelden werd vastgehouden, ook aan die van grote mannen als Nicolaas Tulp en Frederik Ruysch. Hij meende ook dat het vak heelkunde zó omvangrijk was geworden dat het niet alleen door doctores medicinae kon worden gedoceerd. Ook de overlieden van het gilde zouden les moeten gaan geven.

Chirurgijns als Titsingh kwamen daardoor in een lastig parket. Ulhoorn had in Parijs gestudeerd, maar Titsingh niet, eigenlijk had die alles wat hij wist in de praktijk opgestoken. Hij had zich daarom al vaak laatdunkend uitgelaten over de universitair geschoolde artsen, en vooral over de Franse heelkunde (‘snijd, of brand, of help van kant’); hij zei liever ‘op Hollandse benen te lopen dan op Franse stelten’. De afkeer van alles wat Frans was kan te maken hebben met de dood van zijn vader.

Ulhoorn had goed gezien dat overlieden als Titsingh door de mand zouden vallen als ze echt voor de klas zouden moeten staan, en hij zag aankomen dat ze dan ‘van het zoete overmanschap zouden wegloopen’. Volgens Titsingh moesten chirurgijns vooral niet hun boekje te buiten gaan – ze waren nu eenmaal geen doctores: ‘Wij swakke oeffenaars moeten omzoeken na ware ondervindelijke bewijzen. (…) Om deze reden moeten wij tragten met geleerde mannen gemeenzaam te verkeeren (…) dat is nutter als ons op te vullen met eigen wijsheid en ingebeelde wetenschap in de heelkonst’.

De onenigheid liep steeds hoger op. Titsingh beschuldigde Ulhoorn ervan dat hij zijn lessen alleen gebruikte om naam te maken voor zichzelf; Ulhoorn vond daarentegen dat Titsingh ‘als usurpateur te werk ging’. Wat niet hielp was dat Willem Röell ondertussen een potje maakte van zijn werk als praelector. Openbare anatomische lessen gaf hij nauwelijks, examens werden geregeld afgezegd. Hij had allerlei bijbanen; er werd gezegd dat als hij niet ziek was, hij wel op reis of vakantie was.

Open ruggetje

De burgemeesters zagen dat Röell de ‘handwerken der chirurgie’ niet onderwees en ze benoemden daarom een tweede ‘heelmeester’ om een deel van de lessen op zich te nemen: de populaire Hendrik Ulhoorn. Op 4 april 1732 besloot het gilde dat ook Abraham Titsingh lessen mocht geven, wanneer ‘de professor’ verhinderd was.

De heren kregen vervolgens slaande ruzie over een gecompliceerd medisch onderwerp, spina bifida (‘open ruggetje’). Ulhoorn publiceerde daarover in januari 1732 een verhandeling, waarop Titsingh in datzelfde jaar antwoordde met de publicatie van Heelkundige verhandeling over de tegennatuurlijke splijtinge der ruggegraad. Ulhoorn sloeg terug met een Tweede vertoog over de spina bifida, waarin hij zich rechtstreeks tot Titsingh wendde, ‘Gy, die een tegenstrever zyt van al wat goed is.’

Hij liet geen spaan heel van Titsinghs werk. Die had simpelweg stukken en brokken uit het werk van andere artsen overgeschreven tot ‘een hakmoes door malkander (..) met schelden en schimpen vermengt’; de passages die hout sneden zouden bij elkaar niet meer dan ‘een briefje ter grootte van ruijm een blad’ uitmaken. ‘Ondertussen pronkt gij hier en daar met de namen van geleerde en uitmuntende mannen, welker schriften gij niet geleezen, en mogelijk noijt gezien hebt.’ Het zou beter zijn, schreef Ulhoorn, als Titsingh zich zou beperken tot de zorg voor de wezen in het Burgerweeshuis, ‘zonder u met zaaken, die boven uw bereijk en begrip zijn, te bemoejen.’

Dat loog er niet om. Nóg pijnlijker was dat Ulhoorn schreef dat zich in het gilde sinds Titsingh’s aantreden alleen nog maar méér problemen hadden voorgedaan: ‘‘Is 't evenwel anders niet als kijven en krakeelen dat daar omgaat’. Titsingh zou de notulen manipuleren, hij zou examenkandidaten van tevoren de vragen influisteren, en de arme weduwen hadden nog meer te klagen dan onder het vorige, corrupte bestuur, aldus Ulhoorn: ‘Wij horen niet dat zij 't nu beter hebben, en dat ze meer onderstand bekoomen, maar wel dat de meubelen der gildekamer worden verbeetert en pragtiger gemaakt’ en dat de kamer ‘met allerhande schilderwerk word versiert’.

Verloskunde

Zo rommelde het voort. Het werk van de chirurgijns leed er zichtbaar onder. In 1734 kwamen er bij de stadsregering klachten binnen van de doctores medicinae en Willem Röell dat chirurgijns aan verloskunde deden zonder een examen te hebben afgelegd. Verloskunde had altijd tot het takenpakket van de gildeleden gehoord, dus voor Titsingh was dat een strijdpunt.

In 1746, toen Titsingh weer overman was, vaardigde de stadsregering tot zijn verbijstering een verordening uit die bepaalde dat chirurgijns voortaan alleen als verloskundige mochten werken als ze een examen hadden gedaan bij het Collegium Medicum. Daarmee stond het gilde buitenspel. Er werd een uitzondering gemaakt voor niet meer dan vier chirurgijns, onder wie – pijnlijk genoeg – Abrahams neef Albert.

Titsingh trad af. Volgens de medisch historicus Rochus Krul ‘liep hem de gal over’ en bleef hij nog lang ‘woelen en kuipen’. De arts Izaak Bilderdijk, vader van Willem Bilderdijk, noemde Abraham ‘een harde kwast, waarop meer dan één beitel stomp geslagen is’. Pas met de aanstelling van Petrus Camper in 1755 als ‘Professor in de Anatomie en Chirurgie’ kwam het gilde in rustiger vaarwater. In dat jaar werd besloten de ontleedkunde voortaan als vak aan het Athenaeum te onderwijzen en de praelector als ‘professor’ bij de orde van hoogleraren in te lijven. Abraham Titsingh overleed in 1776, 92 jaar oud.

Voor dit artikel is dankbaar gebruik gemaakt van De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch door Luuc Kooijmans (2004) en 'Abraham Titsingh. Harrewarrerijen en schermutselingen [...]' door R. Krul in Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1891)

Header: De nieuwe overlieden van het chirurgijnscollege. Van links naar rechts: A. Vermey, Cornelis van der Swed, Johannes de Bruyn, Willem Monnikhof, Wichard van Wesik en Abraham Titsingh. In het portretje Willem Röell. Schilderij uit 1732 door Jan Maurits Quinkhard, Amsterdam Museum.