Midden 19de eeuw kreeg de Joodse gemeenschap in Nederland te makenmet christelijke bekeringsijver. In Amsterdam waren het vooral gedoopte Joden van Sefardische afkomst, onder wie de dichter en schrijver Isaac da Costa en de arts Abraham Capadose, die door hun eigen achtergrond geïnteresseerd waren in de missieactiviteiten. Zij publiceerden het blad De Vriend Israëls, dat verspreid werd in de Jodenbuurt, en hielden bidstonden en bijbellezingen.

In augustus 1849 bracht de Duitse dominee Carl A. F. Schwartz in opdracht van de Vrije Schotse Kerk een oriënterend bezoek aan Amsterdam. Hij leerde Da Costa en Capadose kennen en zij vroegen de Schotten om deze broeder in de hoofdstad onder de Joden het Evangelie te laten verkondigen. Zo geschiedde. Op zaterdag 25 januari 1850 hield Schwartz zijn eerste preek in de Armeense kerk aan de Kromboomssloot, dicht bij de Jodenbuurt. In het begin waren er ongeveer twintig Joden onder zijn gehoor, maar hun aantal liep gestaag op tot tegen de tweehonderd. Om in de toeloop te voorzien, kocht Schwartz in 1856 de Fransche Schouwburg aan de Binnen-Amstel – nu de Kleine Komedie – voor f 24.700,-. Op 21 mei 1856 werd de Schotse Zendingskerk in gebruik genomen. Met enig dringen konden er 1400 mensen in.

Irritatie

Carl Schwartz was in 1817 geboren in Meseritz (Pruisisch Polen) als Solomon Schwartz, zoon van een Joodse familie. Het was de bedoeling dat hij rabbijn zou worden, maar in 1837 liet hij zich dopen en ging hij voortaan als August Ferdinand Carl door het leven. Vijf jaar later sloot hij zich aan bij de LondenseSociety for Promoting Christianity Amongst the Jews, die hem uitzond naar Constantinopel om daar onder de Joden te werken. In 1843 maakte hij de stapnaar de Vrije Schotse Kerk.

Van meet af aan ondervond hij in Amsterdam veel tegenstand. Nog voor zijn komst was vanuit de Joodse gemeenschap begonnen met de uitgave van het Israëlietisch Nieuws- en Advertentiebladom de zendingsactiviteiten tegen te gaan. Op zijn beurt richtte Schwartz De Heraut. Eene stem over Israël en tot Israëlop, een polemisch blad dat naar alle rabbijnen ging en werd verspreid over het land. Schwartz had weinig succes, integendeel, zijn optreden wekte juist irritatie bij zijn doelgroep. Hij uitte zijn teleurstelling inDe Herautover het feit dat het zelfs niet mogelijk was om zonder lastiggevallen te worden naar de prediking van een rabbijn te luisteren of zijn bladuit te delen.

“Hij [Schwartz] preekte bij voorkeur op sjabbes en werd zeer gehaat”, schreef Rebecca Kisch-Spitz (1869-1963) in haar boek Zichronoth – Herinneringen(1952). “Nog hoor ik mijn vader vertellen, dat boven een der ingangen van zijn kerk aan de Binnen-Amstel de tekst stond: ‘En het doornbos brandde maar werd niet verteerd.’ Hij voegde daaraan steevast toe, doelende op Schwartz: ‘Und sie werden jou brennen.’” In de zomer van 1858 werden in de Grote Sjoel en de Nieuwe Sjoel door Engelse christenen zendelingentraktaatjes verspreid. “Er is toen een grote ruzie ontstaan, waarbij men de vreemdelingen halfdood de sjoel heeft uitgeranseld.” De missieactiviteiten waren vooral gericht op de arme Joden, aan wie aanzienlijke geldbedragen werden aangeboden – tot f 200,- – om over te gaan tot het christendom.

Dolk

Twee weken voor de moordaanslag verscheen op 16 juli 1858 in het Israëlietisch Weekbladonder de sensationele titel ‘Een barbaarsche daad’ een artikel over de ontvoering van het zevenjarige Joods jongetje Edgardo Mortara door vijf pauselijke politieagenten uit zijn ouderlijk huis in Bologna. Volgens de kerkelijke wetten kon de jongen niet meer terugkeren naar zijn Joodse ouders. Het katholieke dienstmeisje van de familie Mortara had namelijk verteld dat zij Edgardo had gedoopt toen hij ernstig ziek was. Hij was nu katholiek en dit kon niet ongedaan gemaakt worden. De affaire veroorzaakte grote internationale beroering. De bekende en invloedrijke Brits-Joodse bankier en filantroop Moses Montefiore reisde tevergeefs naar Rome. “Non possumus”, was het antwoord van Paus Pius IX – “Wij kunnen niet.” Die zomer waren ook in de Amsterdamse Jodenwijk de gemoederen hoog opgelopen. Het is tegen deze achtergrond dat Samuel Hirsch zijn moordaanslag pleegde.

Wat er die dag gebeurde weten we uit het proces-verbaal van het vonnis van de arrondissementsrechtbank van Amsterdam van 21 december 1858. Samuel Hirsch was op 1 augustus 1858 vroeg naar de Schotse Zendelingskerk gegaan, een dolk onder zijn kleren verborgen. Een ‘bankbewaarder’ had hem desgevraagd achter de preekstoel een plaatsje gegeven. Toen dominee Schwartz de kansel bestegen had en begon te bidden, bestormde Hirsch de trap van de kansel en probeerde het deurtje te openen. Hoewel dit niet lukte, wist hij de geestelijke drie steekwonden toe te brengen, een in de linkerborst en twee in de linkerarm. Een getuige die Samuel vastgreep verklaarde dat hij zei: “Ik ben een Israëliet.” En: “Die proselietenmaker moet weg.”

Om zichzelf moed in te spreken had de vijftienjarige dader enige dagen eerder een religieuze tekst in het Hebreeuws geschreven en meerdere keren hardop uitgesproken. Hij dacht dat zijn actie God welgevallig was, maar erkende tegenover de rechter dat hij fout had gehandeld. Naar eigen zeggen had hij niemand in zijn plannen betrokken. De eis was tien tot twintig jaar verbeterhuis wegens poging tot manslag met voorbedachten rade. De verdediger verzocht nog om ontslag van rechtsvervolging wegens ‘zinsverbijstering’ of ‘wilsverlamming’ – Hirsch had verklaard dat “zoolang de daad niet gedaan was hem steeds iets zwarts voor de oogen zweefde en zijne hand gekromd was...” Maar de rechter concludeerde dat er sprake was van “een daad van vrije wil en oordeel” en gaf hem tot twaalf jaar cel.

Arrestatie

Samuel Abraham Hirsch was geboren op 1 maart 1843 als dertiende kind van een ontwikkelde orthodox-joodse familie. Zijn voorvaderen kwamen uit Frankfurt en hadden zich in Amsterdam gevestigd als drukkers van Hebreeuwse boeken. Moeder Elkele (Aaltje) Hes overleefde haar echtgenoot bijna een halve eeuw en voedde haar jongste kinderen alleen op. Zij regeerde de familie als een matriarch. Over de kinderjaren van Samuel is weinig bekend. Hij groeide op in de geest van de orthodoxie. Emotionele of gedragsproblemen zijn niet bekend. Wel verklaarde de dienstbode van de familie tijdens het proces dat hij “een stuurschen aard” had en volgens een ander was hij “afgetrokken en norsch van aard”.

Na de aanslag werd Hirsch door een politieagent gearresteerd, die hem beschermde tegen de woedende menigte. Isaac da Costa (hij leidde de kerkdienst) hervatte het gebedmet de woorden: “Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.” (Lucas 23:24). In de pers riep hij de christenen op “alle gedachte van liefdeloosheid, of wraak, of opgewondenheid uit het harte te verbannen, en veeleer, volgens den wensch van den zieke en het voorbeeld des Heeren, voor den ongelukkige en voor Israël te bidden.” De Joodse autoriteiten keurden de daad scherp af; de Joodse gemeenschap werd geen haar gekrenkt. Het Algemeen Handelsblad keurde de aanslag af, maar vond ook dat uit Hirsch’ daad bleek “... tot welk betreurenswaardige gevolgen te ver gedreven ijver in de poging tot wijziging der godsdienstige begrippen van andersdenkenden leiden kan”.

Opmerkelijk is de reactie van de schrijver Eduard Douwes Dekker, beter bekend onder zijn pseudoniem Multatuli: “Het jongetje in den Amsterdamsche Jodenhoek dat den prediker Schwartz trachtte te vermoorden is de enige consequente Israëliet, van wien ik sedert jaren gehoord heb. Geen aanhanger van Mozes mag afkeuren dat die knaap iemand wilde uit den weg ruimen, die vertellen kwam dat de wet ontbonden was, en dat men voortaan z’n God zou hebben te dienen volgens een nieuw reglement. Sei was du bist.”

Gratie

Carl Schwartz herstelde vrij snel van zijn verwondingen. Precies twee jaar later sprak hij in een preek over de aanslag. Hij ontkende dat hij betrokken was geweest bij de distributie van christelijke bekeringsteksten in de synagogen. Samuel Hirsch zou tegenover hem spijt hebben betuigd toen hij dat besefte. In 1864 werd Schwartz teruggeroepen naar Londen, waar hij in 1870 overleed.

Twee keer diende Hirsch’ moeder een verzoek tot gratieverlening in bij de Hoge Raad. Het eerste werd afgewezen, maar het tweede, op 6 maart 1862, vergezeld van een brief van een Joodse leraar die de Joodse gevangenen bezocht, vond een gewillig oor. De inmiddels achttienjarige jongen had een zeer bescheiden en lijdzaam karakter, aldus de leraar, en koesterde diep berouw van zijn daad. Advocaat Lodi Voûte gaf aan dat de misdaad “niet uit boosheid van gemoed voortkwam, maar alleen een uitvloeisel [was] van geheel verkeerd opgevatte godsdienstige begrippen”. De procureur-generaal adviseerde afwijzend, maar bij Koninklijk Besluit van 26 april 1862 kwam hij vrij.

De jongen had zijn tijd in het verbeterhuis goed benut en was aardig thuisgeraakt in klassieke, moderne en semitische talen. Hij ging in 1863 filologie, filosofie en geschiedenis te studeren aan de Universiteit van Berlijn en Joodse Studiesaan de Berlijnse Talmoed-hogeschool van rabbijn ElhananRosenstein; in 1867 werd hij in Frankfurt docent op de Joodse middelbare school van Samson Raphael Hirsch (geen familie), destijds de belangrijkste orthodoxe rabbijn van Duitsland. Twaalf jaar later vertrok hij naar het Jews’ College in Londen (tegenwoordig The London School of Jewish Studies) als opvolger van Hermann Adler, die tot opperrabbijn van Engeland werd benoemd. Na een loopbaan als geleerde en leraar overleed Samuel Hirsch in 1923.

DIT ARTIKEL IS EEN BEWERKING VAN EEN HOOFDSTUK UIT JAAP COLTHOF, VAN MOORDENAAR TOT RABBI. MARKANTE VERHALEN UIT JOODS AMSTERDAM ROND 1800, UITGEVERIJ VAN PRAAG, 2018.

Beeld: De Schotse Zendingskerk aan de Amstel. “Predikt het Evangelie aan alle creaturen”, staat er in de jaren 1860-1880 hoog op de gevel. En niet voor niets: het kerkgebouw was het centrum van het christelijke zendingswerk in Amsterdam onder met name de Joden. Hier stond dominee Carl Schwartz, hier vond de aanslag plaats. Collectie Vrije Universiteitsbibliotheek