‘Ik ben opgegroeid boven de redactie van Ons Amsterdam,’ vertelt Van Laar. ‘Eerst was dat Stadhouderskade 40. Dat pand werd tijdens de oorlog gebruikt door Duitsers en NSB’ers, die op Dolle Dinsdag zijn gevlucht. In 1945 stond het dus leeg. Mijn vader, net uit het verzet, heeft het opgeëist voor de door hem opgerichte Vrijwillige Politie. Wij verhuisden naar de bovenverdieping, waar de zolder nog volstond met Duitse rommel en boekjes van de NSB.’

En daar is Ons Amsterdam geboren?
‘In 1949. De gemeenteraad speelde destijds met het idee om van Amsterdam een zogenaamd moderne stad te maken. Men wilde nauwe straatjes verbreden, monumentale panden slopen en vrijwel de hele Jordaan moest tegen de grond. Mijn vader was daar fel op tegen. Hij besefte dat hij de “gewone” Amsterdammer van zijn stad en de geschiedenis moest laten houden. Daarom heeft hij Ons Amsterdam opgericht.’

‘De eerste jaren deelde Ons Amsterdam het gebouw met de Vrijwillige Politie. Mijn vader had twee banen: politiecommandant en eindredacteur. Als agenten instructies kwamen halen, liepen ze zo de redactie op. Beneden bevond zich een grote tuinkamer met een prachtige parketvloer. Die werd door de politie gebruikt als stalling. Het stond er altijd vol fietsen met vieze modderbanden. In de kamer daarnaast werd Ons Amsterdam in elkaar gezet.’

Hoe ging dat in zijn werk?
‘Op de redactie werd al het materiaal verzameld. Mijn vader zat dan, in zijn naar pijptabak stinkende werkkamer, foto’s uit te zoeken. Op de Stadhouderskade werd ook bijgehouden wie het nieuwe nummer kon ontvangen. Dat ging met behulp van ponsplaatjes. Als een abonnee betaalde, kreeg zijn kaart in de kaartenbak een stempel en een knipje. Elke maand kwamen de vrachtwagens van de Stadsdrukkerij de nieuwe nummers brengen: dikke pakken in bruin papier. Op de redactie werden daar – met glucon en een grote kwast – wikkels omheen gelijmd. Vervolgens moest alles naar het postkantoor. Dat was gelukkig maar een paar huizen verderop.’

Er is sinds die begintijd behoorlijk wat veranderd.
‘Als trouwe lezer kan ik wel zeggen dat Ons Amsterdam veelzijdiger is geworden. In de beginjaren werden de meeste verhalen geschreven door academici. Dan kreeg je een artikel van negen pagina’s over iemand die in negentienhonderd-zoveel een zakkenhandel dreef op de Herengracht, waarbij alinea’s lang kon worden uitgeweid over de kopjes waar hij zijn thee uit dronk. Heel interessant, maar ook een beetje langdradig. Tegenwoordig is het blad toegankelijker. Er komt ook meer recente geschiedenis aan bod, wat ik goed vind.’

Wanneer werd u zelf abonnee?
‘Toen mijn moeder overleed. Van de zes kinderen was ik degene die haar abonnement overnam. Dat was logisch: ik ben de Amsterdam-gek van de familie. Dat komt door mijn vader, die met mij door de stad liep en dan zoveel kon vertellen over huizen en straten en gevelstenen. Mede dankzij die verhalen ben ik architect geworden. Mijn vader is overleden toen ik 10 jaar was. Ik heb hem tamelijk kort meegemaakt, maar hij heeft mij wel de waarde van historie bijgebracht.’

‘Mijn boekenkast staat vol met boeken over de architectuur en geschiedenis van de stad. Ik lijk daarin op mijn vader: alles wat met Amsterdam te maken heeft, moest hij hebben. Toen het honderdste telefoonboek uitkwam, wilde hij dat ook bewaren. Dat vond hij uniek; er is maar één keer een honderdste telefoonboek van Amsterdam. Mijn moeder werd er weleens een beetje moe van. Maar zij was van huis uit dan ook Utrechter. Dat is toch ander volk.’

Uw vader is tot zijn overlijden in 1955 hoofdredacteur gebleven.
‘Ja. Hij was altijd bezig met Ons Amsterdam. Niet alleen met het blad, maar ook met van alles eromheen. Hij organiseerde stadswandelingen en rondvaarten, maakte schoolboekjes en heeft zelfs eens een draaiorgelfestival op poten gezet. Dat was een wedstrijd op de Dam. Mijn vader had tien draaiorgels geregeld. Een paar Bekende Nederlanders – of Bekende Amsterdammers eigenlijk – moesten draaien. En dan gingen we kijken wie dat het beste kon.’

‘Samen met zijn assistent Jan Weggelaar bedacht hij ook prachtige reclameacties. Zo regelde hij voor de Sinterklaasintocht van 1953 een Ons Amsterdam-praalwagen. Die reed rondjes over het Weteringcircuit, met de tekst “Lees Ons Amsterdam”.’

‘En Weggelaar heeft in het souterrain van de redactie eens twee enorme panelen in elkaar getimmerd. Daarop zag je de jaartallen van 1949 tot heden met daarachter het aantal abonnees, uitgebeeld in miniatuur-kaftjes van Ons Amsterdam. Mijn vader heeft toen geregeld dat die in de etalage van de V&D mochten staan. Iedereen die de Munt overstak, zag zo in één oogopslag de groei van het aantal Ons Amsterdam-abonnees door de jaren heen.’

Hij was een bijzondere man.
‘Mijn vader kende iedereen en kreeg alles voor elkaar. Voor de oorlog was hij een bekend figuur binnen de SDAP, waardoor hij vrienden had in de gemeenteraad. Wethouder Ab de Roos heeft zich persoonlijk bemoeid met de oprichting van Ons Amsterdam. De markante directeur van Artis, Frits Portielje, kende hij ook, en maakte hij lid van de redactie. Op die manier bracht hij allerlei verschillende mensen bij elkaar.’

‘Hij was altijd aan het regelen en vergaderen. Je zou bijna kunnen zeggen dat als er iets gebeurde in Amsterdam, mijn vader erbij betrokken was. Het is in die zin ook niet verbazingwekkend dat hij jong is overleden: hij heeft zo ontzettend hard gewerkt.’