‘Ik ben 65 jaar. Jonger dan Ons Amsterdam. Dat ik toch alle jaargangen compleet heb, is te danken aan mijn vriend Wim. Wim en ik waren collega's op de transportafdeling van Het Parool. Ondanks het grote leeftijdsverschil – toen ik begon als stagiair ging Wim al bijna met pensioen – konden we het ontzettend goed met elkaar vinden. We hebben altijd contact gehouden. Wim was abonnee van het eerste uur, en kon veel vertellen over de stad. Toen hij overleed, deze maand twintig jaar geleden, heb ik zijn jaargangen van Ons Amsterdam geërfd.’

Wim en ik maakten bijna tot zijn overlijden elke week een wandeling door Amsterdam. Samen bepaalden we dan welke gebouwen konden blijven, en welke moesten worden afgebroken. Dat moderne politiebureau op de Nieuwezijds Voorburgwal had wat ons betreft bijvoorbeeld zo tegen de grond gemogen. Wim was een man van de gevels. Hij heeft mij geleerd omhoog te kijken. Op drukke kruispunten was dat nog weleens lastig. Dan stond hij daar midden op de weg naar een mooie gevel te staren. Ik hield mijn ogen liever gericht op de auto's die op ons afkwamen.’

Hadden jullie een favoriet stukje stad?
‘We liepen overal. Het historische centrum is natuurlijk prachtig, maar Java-eiland vind ik ook goed gelukt. Dat is met smaak ontworpen. Leuke grachtjes, zonder dat ze geprobeerd hebben het nep-oud te maken. Dat is mooi. Maar er is ook een hoop lelijke nieuwbouw, hoor. Die hoge torens aan het IJ; dat is Amsterdam toch niet.’

Waarom niet?
‘Een goed Amsterdams gebouw heeft een leefbare schaal. Dat je een praatje met je buren kan maken. Dat je elkaar tegenkomt. Zulke dingen verdwijnen wanneer een gebouw te hoog en te groot wordt. Als jij in zo’n enorme flat op nummer 434 woont, ken je heus niet de mensen van nummer 12. Een Amsterdammer moet zich onderdeel van de stad voelen. Dat is lastig wanneer je in een wolkenkrabber aan het IJ woont, omdat je veel geld hebt en zo nodig over alles uit moet kijken. Wim is er niet meer, maar ik weet zeker dat we die hoge torens aan het IJ samen hadden verfoeid.'

Met al die wandelingen door Amsterdam hebt u de stad wel zien veranderen.
‘In de jaren zeventig was Amsterdam – ik wil niet zeggen een vervallen stad, maar het kwam er wel in de buurt. Aan de grachten zag je overal dichtgetimmerde ramen en verkrotte woningen. De kop van de Zeedijk was een soort vrijstaat. Er liepen alleen maar dealers en junkies. Als 16-jarige scholier ben ik daar met een vriend doorheen gefietst. We vonden: De stad is van ons. We laten ons niet zeggen waar we wel en niet mogen komen! We gaan over de Zeedijk fietsen! Nou, dat hebben we één keer gedaan. Heen, richting het station. Daarna durfden we niet meer terug. Het was echt een no go area: we werden nog net niet van onze fiets getrokken.’
‘Nu is de Zeedijk gelukkig weer een mooi stukje Amsterdam geworden. Er is sinds die jaren veel positieve verandering geweest.’

Wat hebt u geleerd uit Ons Amsterdam?
Ons Amsterdam vergroot je kennis. Verhalen over migranten laten zien dat de stad al 750 jaar een smeltkroes is. Die kennis bepaalt weer je blik op de stad. Een tijd geleden publiceerde Het Parool een reeks artikelen over de vraag: Wat is een Amsterdammer? Ik ben streng in de leer: een Amsterdammer is iemand die in Amsterdam woont. Punt.’ ‘Sommige mensen vinden: Je moet drie generaties in de Jordaan wonen en een accent hebben als Ciske de Rat. Dat is onzin. Als je naar Amsterdam komt, word je een Amsterdammer. Zo gaat dat al eeuwen. En die meneer en mevrouw die veertig jaar in de Jordaan hebben gewoond, in het huis waar hun grootouders nog geboren zijn, en toen naar Purmerend verhuisden: hartstikke leuk, maar zij zijn nu Purmerenders. Zo simpel is het.’

Welk artikel is u altijd bijgebleven?
‘Een paar jaar geleden hadden jullie een nummer over de annexaties van 1921. Dat vond ik een goed thema. Ik woon al bijna mijn hele leven in Noord, en sinds 1993 in Ransdorp. Dat was een zelfstandige gemeente, die in 1921 door Amsterdam werd overgenomen. Hoewel wij hier natuurlijk vinden dat het eigenlijk andersom is: wij hebben Amsterdam geannexeerd en jullie mochten de naam houden. Het artikel in Ons Amsterdam beschrijft hoe het werkelijk gegaan is: na een grote overstroming was Ransdorp compleet bankroet. De Ransdorpers hebben toen gesmeekt of Amsterdam hun gemeente wilde overnemen.’

Voelt Ransdorp nu als Amsterdam?
‘Amsterdammers laten Noord altijd een beetje links liggen. Als wij vroeger “naar de stad gingen” dan bedoelden we: we gaan met de pont naar het centrum. Net alsof Noord niet bij de stad hoorde. We hadden geen goede reputatie. Je had twee restaurants en verder was er niks. Dat is nu wel anders. Nu is het hip.’
‘Toch wordt Noord nog vaak een beetje vergeten. De fietsbrug is een mooi voorbeeld. Daar wordt al jaren over gepraat, maar er gebeurt uiteindelijk niks.’

Die fietsbrug moet er komen?
Ja natuurlijk! Er wonen 100.000 mensen in Noord. Dan is het toch belachelijk dat we geen goede fietsbrug hebben. En iedereen zegt: Oh, de pont is zo leuk. Nee, de pont is afgrijselijk! Vroeger gingen er tenminste nog grote boten. Daar mochten auto’s op. Maar nu staan we daar als haringen in een ton. Ik vind het niks. Je moet toch gewoon kunnen fietsen? Amsterdam is een fietsstad.’

Hebt u nog meer wensen voor de stad?
‘Het is raar dat de drie hoofdgrachten in Amsterdam allemaal mannen zijn. De Prins, de Keizer, de Heren… Ik heb eens een brief naar Het Parool gestuurd: laten we de Prinsengracht omdopen tot de Prinsessengracht. Als je dat drie keer gezegd hebt, ben je eraan gewend. Mensen vinden zoiets ondenkbaar, maar waarom eigenlijk? Natuurlijk kan je van de Prinsengracht de Prinsessengracht maken; er is helemaal geen reden om dat niet te doen. Misschien moet ik eens met de burgemeester praten, maar zij zegt dan dat er daar een commissie voor is en dat ik daar in drievoud een brief naartoe moet sturen Zo zal het vast gaan.’
‘Ik denk niet dat ze naar me zullen luisteren. Net als met die flats aan het IJ. Ik zeg: je moet niet zo hoog bouwen, en ze doen het toch. Politiebureau Burgwallen staat er nog steeds, en er is geen fietsbrug naar Noord…’ Lachend: ‘Het is wel jammer dat er zo slecht naar mij geluisterd wordt.’