‘Mijn interesse in de stad is geboren tijdens de lessen van meneer Kok. Meneer Kok was geschiedenisleraar op het Van der Waals Lyceum aan de Mauritskade. Hij zag eruit als een saaie ambtenaar, maar kon heel bevlogen vertellen. Voor zijn leerlingen richtte hij een ‘geheim genootschap’ op: Gilde Jan Wagenaar. Wie geïnteresseerd was in de geschiedenis van Amsterdam kon zich aanmelden.

Dan volgde een ontgroening in de lerarenkamer – ik herinner me dat de ruimte verduisterd was en vol kaarsen stond; we dronken een vies drankje en één jongen moest op zijn hoofd staan en een liedje zingen. Wie dit doorstond was een volwaardig lid, en mocht mee op de wekelijkse excursies van meneer Kok. Hij liep na schooltijd met ons door de stad, en wees ons op alle verschillende gevels. Trapgevels, klokgevels, lijstgevels… Ik kan ze nog altijd herkennen.

‘Met het Gilde gaven we ook een clubblad uit, De Gevelspeurder.’ Braakenburg heeft zijn exemplaar (uit 1958) bewaard en pakt het erbij: zes aan elkaar geniete A4'tjes, volgetypt op de typemachine. ‘Het eerste verhaal, over de verdwenen Jan Roodenpoortstoren, heb ik geschreven. De informatie had ik uit Ons Amsterdam gehaald.’ In het artikel pleit de 12-jarige Braakenburg onder meer voor het herbouwen van de toren op het Singel. Hij sluit af met de woorden: ‘Wanneer je meer over de toren wil weten, ga dan eens naar de gemeentelijke commissie Heemkennis, Willemsparkweg 125, daar kan men je vast wel aan een los oktobernummer van “Ons Amsterdam” helpen.’

Dus zo hebt u Ons Amsterdam leren kennen?
‘Tijdens de gildebijeenkomsten lag het nieuwste nummer van Ons Amsterdam altijd op tafel. Dat las ik dan. In 1959 heb ik zelf een abonnement genomen. Of beter gezegd: ik heb mijn moeder ervan overtuigd om abonnee te worden. Want van mijn dubbeltje zakgeld per week kon ik dat toen niet betalen.’

U leest al ruim zes decennia Ons Amsterdam. Is er een onderwerp waar u graag nog een artikel over zou zien?
‘Jullie zouden eens iets moeten publiceren over pensions. In Amsterdam was dat na de oorlog een populaire woonvorm. Het was immers bijna onmogelijk om een “echt” huis te vinden; ook mijn ouders lukte dat niet. Wij woonden daarom met zijn drieën in pension Trompetter, op de hoek Oosteinde-Sarphatistraat. Op de eerste verdieping hadden we een enorme kamer, bijna een zaal. Dat was onze woonkamer, maar mijn ouders sliepen er ook. Op zolder had ik nog mijn eigen kleine kamertje.’

Hoe was dat?
‘Het was krankzinnig. Dat pension zat vol wonderlijke vogels. Neem onze onderbuurvrouw Elisabeth Bensdorp, beter bekend als nachtclubzangeres Lizzy Valesco. Zij trad ’s nachts op en sliep overdag. Wij moesten dan stil zijn. Als ik met mijn speelgoedtrein speelde, legde ik luciferdoosjes onder de rails om het geluid te dempen. Boven ons woonde een gepensioneerde kolonel. Hij stapte iedere ochtend met een aktetas onder zijn arm de deur uit, alsof hij naar kantoor ging. In werkelijkheid dwaalde hij maar wat door de stad, en nam in de cafés links en rechts een neutje. In de avond kwam hij dan weer terug, heel keurig, met die aktetas.

Op de begane grond bivakkeerde een uitvinder, een eigenzinnige man met slierterig haar en een jasje van rood ribfluweel. In de kelder bouwde hij jarenlang aan een onzinkbare reddingsboot. Er was altijd kabaal, en als hij de motor liet proefdraaien stonk het hele pension naar benzine.

De boot werd uiteindelijk te groot om door de deur of de ramen te passen: om het ding toch naar buiten te krijgen hebben ze een stuk uit de pui moeten slopen. De proefvaart vond plaats in de Prinsengracht, tegenover het Amstelveld. Het water was daar zo ondiep dat de onzinkbare reddingsboot prompt in de modder bleef steken.’

Waarom leest u Ons Amsterdam?
‘Omdat ik uit Amsterdam kom, en het is goed om de geschiedenis van je eigen stad te kennen. Dat gaat verder dan alleen “weten wat er is gebeurd”. Ik ben opgegroeid in Oost; mijn basisschool zat op de Plantage Muidergracht. Dat was de oude Jodenbuurt, maar we hadden het nooit over de oorlog. Op school niet, thuis niet, en in de buurt ook niet. Terwijl het overal nog zo zichtbaar was.

In de Weesperstraat bijvoorbeeld, waar veel huizen leegstonden en vaak half waren ingestort. Voor de oorlog woonden daar Joden. Die doken onder of werden gedeporteerd, en tijdens de hongerwinter zijn de leegstaande woningen gesloopt. Alles van hout werd eruit gehaald en ging in de kachel. Als kind zag ik de kapotte huizen, maar ik vroeg me nooit af wat daar was gebeurd.

Op de middelbare school leerden we wel iets over de oorlog, maar het echte besef daalde veel later in. In de jaren negentig heb ik een paar keer een groep Amerikanen rondgeleid door Amsterdam. Ik liep met hen door de buurt van mijn kindertijd, en pas toen drong het écht tot me door wat zich daar allemaal had afgespeeld. Blijkbaar had ik die blik van buiten nodig. Dankzij de Amerikanen en hun vragen realiseerde ik me pas goed waarom de Weesperstraat van mijn jeugd vol ruïnes stond.’