‘Mijn opa werkte op de Stadsdrukkerij, in de Stadstimmertuin. Hij heeft het allereerste nummer van Ons Amsterdam gedrukt, en is toen meteen abonnee geworden. Hij bond zijn nummers ook zelf in.

Toen hij overleed ging de hele verzameling naar een oom. Mijn moeder was daar goed pissig over. Ze besloot zelf alle nummers maar weer bij elkaar te sprokkelen; daar heeft ze jaren over gedaan. Regelmatig gingen we op woensdagmiddag naar De Slegte. Mijn moeder had dan een lijstje bij zich van alle Ons Amsterdams die ze nog miste. Samen gingen we de bakken met losse tijdschriften door, op zoek naar het zomernummer uit 1953 of het februarinummer uit 1961. Als ze weer een jaargang compleet had, ging die meteen naar de binder. Mijn moeder wilde per se alle nummers weer bij elkaar hebben. En dat is gelukt.’ Gebarend naar de ingebonden jaargangen in de boekenkast: ‘De verzameling is compleet. Ze staan alleen nog niet op volgorde.’

Waarom bent u abonnee?

‘Omdat ik Amsterdammer ben.’ Sanders wijst op het kettinkje met drie gouden andreaskruizen rond haar nek. ‘Hier heb ik ook nog een tattoo van. Ik ben een trotse Amsterdammer. Ik houd van mijn stad en wil er graag veel over weten. De laatste tijd ben ik trouwens wel iets minder trots. De stad is nogal veranderd. De Amsterdammers zijn verdwenen.’

Toch niet allemaal?

‘Nee, niet allemaal. Ik vind het leuk om zonder plan door de stad te lopen. Dan neem ik mijn fototoestel mee en ga ik foto’s maken, bijvoorbeeld van de Wallen. Ik raak dan wel weleens aan de praat met iemand, en het grappige is: dat is altijd een Amsterdammer. Nooit een toerist of iemand van buiten. Dat is dus blijkbaar toch een stukje Amsterdamse volksaard, dat nog altijd bestaat.’

Wat is uw favoriete rubriek?

‘50&25 jaar geleden. Ik probeer altijd te bedenken waar ik zelf was, op het moment dat een bepaalde gebeurtenis plaatsvond. Meestal weet ik dat niet meer, maar soms komt er iets voorbij wat ik me nog kan herinneren. Er werd bijvoorbeeld een keer geschreven over de krakersrellen. Mijn moeder had er een gave voor om daar middenin terecht te komen. Met mij aan de hand. Mijn moeder was een stoere dame en het maakte haar geen reet uit. Ze zei gewoon tegen de ME’ers: “Rot op!” en tegen de krakers ook: “Rot op!” Dan greep ze mij vast en liep ze door. Het was nooit eng.

‘Ik heb in Ons Amsterdam ook weleens iets gelezen over herrie met voetbalsupporters. Dat heb ik als kind veel meegemaakt. Mijn opa’s en oma’s woonden altijd in de buurt van het stadion: eerst naast De Meer, toen aan de Stadionkade en later bij de Arena. Als we in het weekend op bezoek gingen, zaten we in de tram tussen de Ajax-supporters. En als we langs het stadion liepen, vlogen de bakstenen ons om de oren. In Diemen lagen na elke wedstrijd de tegels weer uit de grond. Dat kan ik me nog goed herinneren; dat we altijd moesten rennen voor rondvliegende stenen.’

Waar leest u Ons Amsterdam?

‘Op de bank. Ik lees elk nummer in de week dat ’ie bezorgd wordt. Aan het eind van jaar laat ik alles inbinden, en kijk ik de tijdschriften nog eens door. Vooral die oudere nummers, uit de jaren veertig en vijftig, vind ik leuk om af en toe weer door te bladeren.’

Waarom houdt u van Amsterdam?

Omdat ik hier geboren ben. In de Van Oldenbarneveltstraat. Mijn opa woonde daar ook: ik sliep in hetzelfde kamertje als mijn vader als kind. De Staatsliedenbuurt is echt mijn thuis. Ik ben er opgegroeid en heb er bijna mijn hele leven gewoond. Op mijn dertigste ben ik verhuisd naar de Admiralengracht, maar dat duurde maar kort. Ik houd van de Staatsliedenbuurt; elke andere buurt is me vreemd. Als je ergens bent geboren, lijkt het alsof daar altijd de zon schijnt, zelfs als het regent. Andere plekken voelen in vergelijking grauw. Dan denk je bij je eigen: ik zou hier toch niet dood gevonden willen worden.’

Dat gevoel had u al aan de Admiralengracht, een paar honderd meter verderop?

‘Ja, het was niet ver. Maar toch wist ik al heel snel: Ik moet hier weg. Dit is mijn buurt niet.’

U hebt dus nooit buiten Amsterdam gewoond?

Meteen, lachend: ‘Nee. Dat gaat ook niet gebeuren. Geef me dan maar meteen een nekschot. Utrecht is leuk, voor een middagje, maar het is niet Amsterdam. Ik krijg al de kriebels in Amstelveen. Daar was ik vorige week. Het is zo’n fijn gevoel om na een bezoekje aan Amstelveen de ring weer binnen te komen. Dan denk ik echt: Ah, gelukkig. Ik ben weer thuis!’