‘Mijn eerste Ons Amsterdam las ik als 16-jarige in de bibliotheek op het Surinameplein. In het tijdschriftenrek vond ik het oktobernummer van 1965, met daarin een artikel over de Willemsparkbuurt. Vooral de foto’s intrigeerden mij. Ik herkende de Amstelveenseweg, de Zeilstraat, de Sophialaan; mijn eigen buurt. Rond 1890 was de omgeving daar nog heel landelijk. De Koninginneweg was een slingerende dijk, waar slechts een paar huizen aan stonden. De tram reed niet verder dan de Saxen Weimarlaan; daar hield de stad zo’n beetje op. Het was voor mij een ‘aha-erlebnis’: dus zó zag mijn buurt er tachtig jaar geleden uit!’

‘Thuis vertelde ik over mijn ontdekking. Mijn vader is zelfs nog een keer mee geweest naar de bibliotheek om de foto’s te bekijken. Hij vond ze ook interessant. Een paar weken later kreeg ik met Sinterklaas van mijn ouders een abonnement.’

En sindsdien bent u onafgebroken abonnee geweest?

‘Ja. De St. Jozefschool in Sloten, waar ik in 1971 begon als onderwijzer, had ook een abonnement. Toen de school in 1988 vanwege een teruglopend leerlingenaantal moest sluiten, erfde ik de hele collectie. Zodoende heb ik de jaargangen 1965 t/m 1988 nu dubbel.’

Hebt u altijd in Amsterdam gewoond?

‘In 1955 – ik was vijf – zijn we vanuit Zeeland verhuisd naar Amsterdam. We woonden in de Zeilstraat; toen de grote doorgangsroute naar Den Haag en Schiphol. Al het verkeer dat Amsterdam binnenkwam, moest langs mijn huis. Dat gold ook voor staatshoofden en andere prominente figuren. Ik weet nog dat ik op het Hoofddorpplein ging kijken naar koningin Elizabeth en koningin Juliana, die samen in een open auto zaten. De Sjah van Perzië heb ik ook gezien. En de Beatles natuurlijk! Zij reden in 1964 pal langs onze voordeur. Anders dan de koninklijke gasten, moesten de Beatles gewoon wachten voor het stoplicht aan de Amstelveenseweg.’

Wat is uw favoriete rubriek?

‘25 en 50 jaar geleden. Als ik dat lees, denk ik telkens: Ah, dat weet ik nog heel goed! Of, die heb ik ook vaak: Ik dacht dat het veel korter geleden was!’

‘Ik kan me bijvoorbeeld het Bouwvakkersoproer herinneren. In de zomer van 1966 liep een protest van bouwvakkers over de uitbetaling van hun vakantiegeld volledig uit de hand. De binnenstad was één groot machtsvertoon van alle soorten politie en militairen. In de Zeilstraat merkten we er niets van, maar ik volgde alles via de radio. ’s Avonds na het eten ben ik toch nog even naar het centrum gefietst. Op de Dam stond een politiehuisje: alle ramen waren ingeslagen. Overal lagen stenen en rotzooi. Ik stopte om te kijken, en er kwam meteen een agent op me af, met een karabijn. “Hup, doorfietsen! Niet stilstaan!.”’

‘Het bleef nog lang onrustig. In de weken na het Bouwvakkersoproer liepen er wel vijf verschillende soorten agenten door de stad: de gewone gemeentepolitie; de marechaussee met een indrukwekkend uniform vol koorden en knopen; de rijkspolitie; soldaten in donkerbruin en groen… Al die verschillende uniformen! Het was bijzonder om te zien.’

Waarom bent u abonnee?

‘Ik ben geïnteresseerd in de manier waarop de stad verandert. Wat ik leuk vind aan Ons Amsterdam is de herkenbaarheid. Je ziet een stukje stad dat eigenlijk al verdwenen is, en toch komt het je vertrouwd voor. Ik heb Amsterdam enorm zien veranderen. De katholieke jeugdbeweging waar ik lid van was, Gilde Jong Nederland, had een clubhuis vlak naast de Ringdijk. Daar speelden we buiten. Via een smal paadje klommen we de Ringdijk op; die stond vol struiken. Begin jaren zestig moest dat allemaal weg, om plaats te maken voor de snelweg. De landelijke omgeving is compleet verdwenen.’

‘Er is veel lelijks bij gekomen. De koepelkerk op het Leidsebosje is afgebroken. En dat we het Paleis voor Volksvlijt nooit herbouwd hebben, is een schande. Daar staat nu dat gedrocht van de Nederlandsche Bank: een puist in het aangezicht van Amsterdam. De Universiteitsbibliotheek op het Singel is ook een aanfluiting; zo’n vierkante gevel tussen al die historische panden. Dat zijn ingrepen waarvan ik zeg: Tjongejongejonge. Moet dat nou?’

Worden er ook mooie dingen gebouwd in Amsterdam?

‘Oei, dat valt niet mee hoor, om iets te bedenken. Maar je moet uitkijken dat je niet verzuurt en alleen nog maar het negatieve ziet. Dus ik wil toch een antwoord geven.’ Na even nadenken: ‘Ik vind dat heel veel panden goed worden opgeknapt. De Nieuwezijds Voorburgwal is mooi geworden. Er is meer ruimte voor voetgangers. Het zou natuurlijk nog beter zijn om de gracht terug te graven. Hup, de Nieuwezijds Voorburgwal weer vol water. Helaas zie ik dat niet meer gebeuren. We zijn te zeer gewend aan de situatie zoals die nu is.’

‘Overigens is ons idee van mooi en lelijk erg tijdgebonden. Neem bijvoorbeeld De Bazel, aan de Vijzelstraat. Dat is toch best een fraai pand. Maar toen het gebouwd werd in de jaren twintig waren de Amsterdammers kwaad. Het zou een gedrocht zijn; een verminking van de binnenstad. Hetzelfde geldt voor het Centraal Station. Daar hebben heel veel mensen zich tegen verzet. Gekkenwerk vond men het, om het open havenfront dicht te bouwen. Nu zou niemand meer anders willen.’

‘Zo zie je maar: alles went. Ook lelijke gebouwen.’

Foto: Hans van den Boogaard