De Amsterdamse rooms-katholieken pakken het groots aan. Een week lang staat het Paleis voor Volksvlijt in het teken van de ‘missie’: de verspreiding van het evangelie. Veel aandacht gaat uit naar de koloniën, waar de meeste Nederlandse missionarissen actief zijn. In de galerie wordt 'inheemsche kunst' tentoongesteld: schilderijen en beeldhouwwerken afkomstig uit Nederlands-Indië. Men hoopt dat de bezoeker de koloniën zo beter leert kennen en zich bewust wordt van ‘de zegenrijken invloed van het Christendom aldaar’.

De reacties van de pers zijn wisselend. De verslaggever van het rooms-katholieke dagblad De Tijd is (vanzelfsprekend) vol lof. De M.A.C.T.A. is volgens hem maar met één woord te omschrijven: ‘grandioos!’
Het socialistische Dagblad Het Volk slaat een andere toon aan. De redactie blijkt niet zo overtuigd van die 'zegenrijken invloed van het Christendom'. Naar aanleiding van de M.A.C.T.A. publiceert de krant een spotprent met de titel ‘Wat niet te zien is op de Zendings-toonstelling te Amsterdam’. De tekening toont, in de woorden van een boze brievenschrijver: ‘een forsch geteekende vuist, die een inlander, de armen in kruischvorm uitgespreid, neerkwakt tegen een opgeslagen Bijbel.’

Ondanks kritiek uit (radicaal) linkse hoek, is de M.A.C.T.A. een succes. De tentoonstelling trekt ruim vijftigduizend bezoekers. Sommigen zijn enthousiast over de Missie, anderen vooral onder de indruk van alle schilderijen uit verre landen. Een bezoeker stuurt een brief aan een rooms-katholiek dagblad, waarin hij stelt: ‘Tentoonstelling en congres hebben geleerd dat wij geen recht hebben om laag neer te zien op de ongekerstende volken van het verre Oosten en Westen, die ook hun eigen cultuur hebben, hun eigen beschaving en kunst.’

Beeld header: Het Paleis voor Volksvlijt (niet tijdens de M.A.C.T.A.) Stadsarchief Amsterdam.