Ook de pers is in groten getale aanwezig, en in de dagen die volgen verschijnen in alle kranten uitgebreide verslagen. De meeste zijn positief, zo niet lyrisch van toon. Oscar Carré, die met zijn rondtrekkende paardencircus al eerder in Amsterdam is neergestreken, trakteert zijn gasten dan ook op een indrukwekkende voorstelling. De beste van zijn 105 paarden en ruiters komen in actie, en rijden een prachtige ‘quadrille’ (een soort dans-te-paard, waarbij de ruiters zich opsplitsen in vier groepen). Daarna vertonen Carré’s zonen Maximilaan, Adolf en Alfred een ‘kunstrit’ op hun pony's, waarmee zij zich ‘bewijzen zich als zijnde stoute ruiters’.

Natuurlijk is niet iedereen enthousiast. In de Opregte Haarlemsche Courant verschijnt een zure ingezonden brief. Ene L.S. vindt het nieuwe circus in zijn stad maar niets: ‘In verhouding tot zijne bevolking heeft Amsterdam te veel schouwburgen, wordt er te veel gespeeld, te veel muziek gemaakt,’ schrijft hij. Acteurs en muzikanten hebben volgens hem nu al moeite om voldoende publiek te trekken, en de komst van Circus Carré zal dit probleem enkel verergeren. L.S. vreest zelfs voor de toekomst van de Amsterdamse theaterwereld, want: Toneelspelers moeten vanwege de grote concurrentie ‘hunne toevlucht nemen tot kunst- en vliegwerk. [Het wordt hen daarom onmogelijk zich] te bepalen tot reine, verkwikkende kunst.’

Beeld: Circus Carré in 1900. Stadsarchief Amsterdam

Beeld: Circus Carré in aanbouw, enkele maanden voor de opening. Stadsarchief Amsterdam.