Tot eind jaren ‘30 heeft Amsterdam geen officieel, gemeentelijk luchtalarm. De stad vertrouwt op de particuliere sirenes van bedrijven, die normaal gesproken het begin en het eind van de werkdag aankondigen. Met de toenemende oorlogsdreiging groeit echter ook de angst voor het ‘luchtgevaar’. Om in het geval van een vijandelijk bombardement alle Amsterdammers tijdig te waarschuwen, is een beter alarmsysteem nodig.

En dus klinkt op 19 januari 1938 voor het eerst ‘den officieelen janktoon’ van de gemeentelijke sirene. Politie, brandweer en havenmeesters noteren of en hoe lang zij het alarm kunnen horen. Hun waarnemingen vallen tegen. De verkeersagent op de hoek van de Raadhuisstraat noteert precies de juiste tijden, maar een paar honderd meter verderop zegt zijn collega dat hij zich ‘in een doode hoek bevindt’ waar het geluid nauwelijks te horen is. Ook is het niet voor iedereen duidelijk dat de sirenes waarschuwen voor gevaar. Nederland wacht die dagen op een ‘heugelijke meededeeling’ vanuit Soestdijk, en veel Amsterdammers denken dat het geloei de geboorte van prinses Beatrix betekent. Op de Dam zet een voorbijganger zelfs het Wilhelmus in.

Al met al is Amsterdam nog niet voorbereid op het luchtgevaar. Het Algemeen Handelsblad concludeert: ‘Gebleken is (...) dat met deze eene [sirene] niet volstaan kan worden. Met andere woorden, dat men er dus meer moet hebben, of wel langs anderen weg, bedrijven en gezinnen zal moeten waarschuwen.’