In de vroege uren van 13 mei 1988 vinden voorbijgangers aan de kop van de Zeedijk een man op straat liggen. Aanvankelijk wordt ervan uitgegaan dat het een verslaafde is die zijn roes uitslaapt, maar dan blijkt dat de man is overleden. De volgende dag wordt in het mortuarium duidelijk dat het om de wereldberoemde trompettist Chet Baker gaat.

Chet begon zijn professionele carrière als jazztrompettist in 1952 en debuteerde met zijn soloalbum ‘Chet Baker Sings’ in 1954. Het album bevatte het nummer ‘My Funny Valentine’ – zijn grote hit. Met een talent vergelijkbaar met de legendarische Miles Davis, het uiterlijk van James Dean en zijn zachte, kwetsbare stem, werd hij al snel opgemerkt in de jazzwereld. In 1955 was zijn eerste internationale tour en op 17 september stond hij op het podium van het. Concertgebouw. Een aantal weken na dit optreden volgde een tragische gebeurtenis: de pianist overleed aan een drugsoverdosis.

De pianist was niet de enige overmeesterd werd door drugs. Chet en vele leden van zijn band waren verslaafd geraakt aan heroïne en waren ook tijdens het optreden in het Concertgebouw onder de invloed. De roem van Chet nam exponentieel toe in de jaren 50. Maar door het frequente drugsgebruik en vele gevangenisbezoekjes, kwam hier een eind aan in het midden van de jaren 60. Na vele kleine optredens en veel rondzwerfen, kwam hij in de jaren 80 in Amsterdam terecht – waar hij regelmatig optrad in het Bimhuis aan de Oudeschans. De avond vóór zijn overleden zou Chet weer optreden, maar in plaats daarvan ging hij naar de Zeedijk om drugs te kopen en checkte hij in bij het hotel aan de Prins Hendrikkade. Een paar uur later viel hij uit het raam en kwam met zijn hoofd tegen een betonnen paaltje. Of hij uit het raam is gesprongen of gevallen is tot op de dag van vandaag nog steeds een mysterie.

Header: zapdelight / Flickr