De mannen waren in de minderheid. Er waren op die zonnige winterkoude ochtend van 1 februari 1939 vooral vriendinnen en ‘mevrouwen’ meegekomen naar perron 1 op het Centraal Station (het huidige perron 2). Die mevrouwen hadden opvallend vaak een sip kijkende kinderschaar in hun kielzog. Sommige dienstmeisjes smeedden op het laatste ogenblik nog plannen om in de vakantie even terug te komen naar Amsterdam. Maar of ze écht in dit Wiedersehen geloofden? Om de pijn te verzachten kochten hun werkgeefsters bij de AKO-jongen op het perron nog vlug een geïllustreerd tijdschrift of een reep chocola voor onderweg.

Waarom er meer mannen dan vrouwen onder de uitzwaaiers waren? De meisjes die op 1 februari vertrokken, hadden meestal geen vaste verkering. Als je met een Nederlander verloofd was, kon je de dans ontspringen door te trouwen en als we de Nederlandse pers mogen geloven, werd van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

Berichten over een verplichte terugkeer waren in de tweede helft van december 1938 voor het eerst opgedoken. Even leken het loze geruchten, maar in de laatste week van het jaar ontving een aantal meisjes in Amsterdam toch echt een aanschrijving. Ze moesten zich met hun paspoort melden op het Duitse consulaat. Bij wijze van kerstsurprise kregen ze daar te horen dat de looptijd van hun paspoort was ingekort tot 2 februari 1939. Vóór die datum moesten ze terug naar huis en wie daaraan geen gehoor gaf, kon het Duitse staatsburgerschap verliezen.

Grote druk

Hausmädchenheimschaffungsaktion was de officiële naam van de operatie om alle Duitse en Oostenrijkse dienstmeisje in het buitenland verplicht terug te laten keren naar hun geboorteland. Dat waren er in de jaren tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog nogal wat. In Nederland werkten er rond 1930 zeker 35.000. Ze waren massaal binnengestroomd omdat er in de eerste periode na de voor Duitsland fataal afgelopen Eerste Wereldoorlog in eigen land geen werk was. Velen keerden in de loop van de jaren dertig weer terug, maar in 1938 werkte er zeker nog zo’n 20.000 in Nederland.
En nu moesten ze op commando allemaal naar huis. De meisjes werden geacht hun vaderlandse plicht te gaan vervullen als Duitse moeder of om de plaats in te nemen van de mannen die steeds meer werden opgeroepen voor de strijdkrachten. Het naziregime wilde de meisjes bovendien behoeden voor buitenlandse propaganda, vooral als ze werkzaam waren in Joodse huishoudens in den vreemde.

Met de aanschrijvingen van december 1938 trad de eerste fase van de repatriëring in werking. Doelstelling was om te beginnen dat ongeveer 3000 dienstboden hun koffers zouden pakken, maar dat aantal werd niet gehaald. Volgens officiële opgave van Duitse zijde reisden er in de eerste drie maanden van 1939 uit Nederland ongeveer 400 meisjes op eigen initiatief af en nog eens 1000 na aanmaning. In de loop van het jaar kreeg de vertrekoperatie overigens meer succes. Uiteindelijk gingen ze bijna allemaal. De druk was groot.

Geen extra rijtuig

De meisjes die zich eind december 1938 in Amsterdam op het Duitse consulaat hadden gemeld, legden zich lang niet allemaal bij de gang van zaken neer. Waarom moesten ze terug? Wat voor werk stond hen in Duitsland te wachten? Het gebrek aan animo werd in de Nederlandse pers breed uitgemeten: hoe dit ging dit aflopen? De spanning steeg naarmate de laatste vertrekdatum naderde.

“Waar blijven ze?”, kopte De Telegraaf op 30 januari 1939. Een mannetje van de krant had die week op het Centraal Station een oogje in het zeil gehouden en kon niet zonder triomf vaststellen dat er van een massale uittocht geen sprake was. Het extra rijtuig dat de Duitse treinreisorganisatie Mitropa voor de laatst mogelijke vertrekdag wilde inzetten, was bij gebrek aan belangstelling geannuleerd. “Er moeten in Amsterdam een paar duizend Duitse en Oost-Markische meisjes wonen, maar te oordelen naar de geringe drukte bij de Vreemdelingendienst en bij de reisbureaus is men geneigd te veronderstellen dat er heel veel in ons land zullen blijven.” De Telegraaf wist verder te vertellen dat zich de afgelopen dagen bij de vreemdelingendienst in Amsterdam ongeveer 150 meisjes hadden aangemeld om aan te kondigen dat ze weg gingen. Tientallen dienstboden zouden de laatste weken nog snel in het huwelijksbootje gestapt zijn om voortaan als Nederlandse door het leven te gaan.

Stipt op tijd

Het sociaaldemocratische Zaans Volksblad was op zaterdag 28 januari gaan kijken op het Centraal Station. De reporter voerde korte gesprekjes met meisjes die in kleine groepje vertrokken naar onder andere Keulen, Wiesbaden, Neurenberg, Wenen, Osnabrück, Hannover, Goslar, Halle en Leipzig. “Wie met haar sprak, werd getroffen door de onzekerheid. Zouden ze ook in Duitsland weer huishoudelijk werk krijgen, waren ze bestemd voor de slecht betaalde, zware arbeid op het land? Of zouden ze in de fabrieken de plaats moeten innemen van de mannen, die in het militaire apparaat zijn opgenomen of vestingen bouwen? Zonder enig enthousiasme, in volkomen fatalistische stemming gingen zij weg”, schreef hij in de maandagkrant.

Twee dagen later vertrokken op die eerste februaridag uit Amsterdam de laatste meisje die aan de oproep van het consulaatgehoor gaven en dat waren er zo’n honderd. Naarmate de wijzers van de stationsklok richting tien uur schoven, kwamen op perron 1 de zakdoeken tevoorschijn. Er waren er die met een Duits boek op schoot het vertrek onbewogen afwachtten in de coupé, maar de meesten verdrongen zich bij de ramen.

Stipt op tijd gaf de chef het sein voor vertrek. Onmiddellijk na het fluitsignaal zagen de achterblijvers de trein met het bekende bord ‘Amsterdam-Zevenaar-Emmerik-Wenen’ het Centraal Station uitschuiven. Vriendinnen en ‘mevrouwen’ die in de coupés afscheid aan het nemen waren, hadden haast moeten maken om nog de trein uit te komen. Één van hen haalde niet. Zij zag de deur voor haar neus dicht klappen en kon pas op het eerstvolgende station uitstappen.

Marius van Melle & Niels Wisman
Januari 2014

Beeld: Een dienstmeisje in de Houtkopersdwarsstraat, circa 1900. Stadsarchief Amsterdam