Architect Theo Bosch

Architectuur als genereus gebaar naar de mens

102006_ArchitectArchitecten van wie praktisch iedereen het werk de moeite waard vindt, zijn er niet veel. Theo Bosch (1940-1994) is een van de weinigen. Bijna iedereen, kenner of niet, heeft wel iets met zijn gebouwen. Je voelt je er onmiddellijk prettig. Het ging Bosch dan ook niet in de eerste plaats om zijn gebouwen, maar om de mensen die erin wonen, werken of studeren.

Theo Bosch hield van mensen, en had vertrouwen in ze. Op het naïeve af, soms. Een aantal van zijn gebouwen – het Pentagon, het P.C. Hoofthuis – moest naderhand tot zijn verdriet worden aangepast omdat de “geleidelijke overgang van buiten naar binnen” die hij voorstond, te uitnodigend bleek voor de onaangepaste types die nu eenmaal ook bij de grotestadsbevolking horen.
Theodorus Johannes Bosch werd op 24 februari 1940 geboren als middelste van drie kinderen in een Amsterdams gezin van Zevendedagbaptisten, een zeer bijbelvaste stroming die niet de zondag maar de zaterdag als sabbat (rustdag) beschouwt. Zijn vader werkte voor de oorlog bij Werkspoor en had later een timmermansbedrijfje in de Zeeheldenbuurt. De weg naar de architectuur was een klassieke: Bosch wist al vroeg dat hij architect wilde worden en begon op zestienjarige leeftijd als loopjongen bij een architectenbureau. Zijn opleiding was aanvankelijk niet veel soeps: zelfs de eerste klas van de mulo wist hij niet af te maken. Wel had hij op de ambachtsschool timmeren en meubelmaken geleerd.
Op het architectenbureau kreeg men echter in de gaten dat in de loopjongen talent school, en al snel mocht Theo Bosch helpen met tekenen. Allengs werd meer werk aan hem overgelaten, en uiteindelijk wist hij de manco’s in zijn opleiding ook weg te werken. Hij haalde in 1963 de avond-uts, en drie jaar later het diploma ‘voortgezet bouwkunde-onderricht’ aan de Academie van Bouwkunst. Op die laatste werd hij pas toegelaten na een goed woordje van Herman Hertzberger, die in Bosch waarschijnlijk al een geestverwant had herkend.
Vanaf begin jaren zestig werkte Bosch kort bij een groot aantal hoofdzakelijk in Amsterdam gevestigde architectenbureaus, tot hij in 1965 als eerste medewerker werd aangetrokken door Aldo van Eyck (1918-1999). De verbintenis met de toen al wereldberoemde en veeleisende Van Eyck zou Bosch’ wederwaardigheden bijna twintig jaar bepalen, tot er in 1984 met een knal een einde aan zou komen.
Aldo van Eyck en Theo Bosch waren in veel opzichten tegenpolen. Van Eyck was het prototype van de kunstenaar-architect die grote faam genoot vanwege zijn bevlogen colleges over Noord-Afrikaanse volksbouwkunst voor Delftse studenten. Hij kon de vele ideeën die in hem opborrelden nauwelijks in bedwang houden, veranderde vaak impulsief van gedachten en bleef eindeloos veranderingen aanbrengen in zijn ontwerpen. Bosch daarentegen werkte veel systematischer. Na enige tijd ontstond een stilzwijgende taakverdeling: Van Eyck was de man die in de beginfase van projecten de ruwe plannen maakte en zijn niet geringe overtuigingskracht inzette om opdrachtgevers over de streep te trekken, terwijl Bosch het grootste gedeelte van de uitvoering op zich nam.
Bij de Amsterdamse projecten van het duo Van Eyck-Bosch horen woningen in de Jordaan (hoek Palmdwarsstraat-Tweede Goudsbloemstraat en bejaardenwoningen in de Rozenstraat), maar de naam van Theo Bosch werd vooral gevestigd door zijn werk in de Nieuwmarktbuurt. Daar immers vond na de metroaanleg het eerste grote stadsvernieuwingsproject van Nederland plaats. Bosch is hier van de late jaren zestig tot de vroege jaren tachtig bij betrokken geweest. Aanvankelijk had Aldo van Eyck de supervisie, maar al snel werd Bosch de drijvende kracht. Voor de gemeente was Bosch bepaald niet de gedroomde projectleider, voor de buurtbewoners daarentegen wel. Hij was immers de eerste architect die serieus werk maakte van bewonersinspraak. Voor Bosch waren niet de afdelingen Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting zijn opdrachtgevers, maar de bewoners van de stad.

‘Goed gedrag van gebouwen’
Niet alleen het stedenbouwkundig plan van de Nieuwmarktbuurt is van Theo Bosch, dat geldt ook voor de architectonische uitwerking van veel van de panden. Hij voerde er negen projecten uit, en had de supervisie over een tiental andere. Verreweg het belangrijkste project is het Pentagon. Daar komen de ideeën van Bosch (en Van Eyck) het duidelijkst voor het voetlicht: de ‘compacte functiemenging’ van wonen en werken, het ‘goede gedrag’ van gebouwen in de ‘georganiseerde chaos’ van de bestaande omgeving. Bosch moest niets hebben van op de tekentafel ontworpen slaapsteden als de Bijlmer en Almere. “Mijn architectuur,” zei hij in een hoogdravende bui, “is als een genereus gebaar naar de mens.” Bosch was dan ook niet mals in zijn kritiek op vakbroeders als Koolhaas en Weeber, die volgens hem “minachting voor de mens” ten toon spreidden. Omgekeerd kreeg hij vaak het verwijt een naïeve dromer en onverbeterlijke moralist te zijn.
Het hoeft nauwelijks betoog dat aan hun werkverdeling haken en ogen zaten, en geregeld zaten Van Eyck en Bosch elkaar dan ook in de haren. Bosch kon het niet altijd velen dat Van Eyck met de eer ging strijken. Ook had Van Eyck de hebbelijkheid om de aansprekende utiliteitsprojecten naar zich toe te trekken, en de nederige woningbouw aan Bosch over te laten. Geregeld liepen de ruzies hoog op. In 1969 werd Bosch zelfs even op staande voet ontslagen, om praktisch meteen weer te worden aangenomen. Een jaar later maakte Van Eyck zijn eerste medewerker volwaardig compagnon en ontstond Aldo van Eyck en Theo Bosch Architecten vof. In 1979 werd het een bv. Het bedrijf zou bewust altijd een klein architectenbureau blijven met hooguit vijftien medewerkers (onder wie Jo Coenen).
Tot een definitieve breuk kwam het in de eerste helft van de jaren tachtig. Oorzaak: de Letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam (het P.C. Hoofthuis) tussen Singel en Spuistraat. De prestigieuze en gecompliceerde opdracht was eerst op persoonlijke titel naar Aldo van Eyck gegaan, maar deze had het nog te druk met zijn Hubertushuis (‘Moederhuis’) aan de Plantage Middenlaan. Theo Bosch begon er alvast aan te werken, en toen Van Eyck zich ermee begon te bemoeien konden de twee niet tot overeenstemming komen over de rooilijn en de kleuraccenten en Van Eyck haakte af. “Je kunt nu eenmaal niet met zijn tweeën een potlood vasthouden,” luidde de verklaring van Bosch.
Het P.C. Hoofthuis staat nu te boek als belangrijkste werk van Theo Bosch. Bij de oplevering haalde Amsterdam collectief opgelucht adem. Jarenlang was gevreesd voor weer zo’n afstotende betonnen kolos op een van de gevoeligste locaties van de historische binnenstad, maar nadat de steigers waren weggehaald was er nauwelijks wanklank te horen. Met het P.C. Hoofthuis was er op de plaats van de onherbergzame Twentse Bank een boeiend, levendig, plezierig stukje binnenstad bijgekomen. Tot uit Japan toe kreeg Bosch lof toegezwaaid. Volgens de Britse architectuurcriticus Peter Buchanan markeerde het gebouw een heuse nieuwe architectuurrichting, de ‘New Amsterdam School’. Dat het spoedig nodig bleek een paar van de ‘dubbelzinnige overgangsgebieden’ tussen straat en het inwendige af te sluiten met wat stevig hekwerk om de junks buiten de deur te houden, deed hoegenaamd niets af aan de kwaliteiten.

Schuine ‘Bosch-plinten’
In 1984 ging Theo Bosch alleen verder. Het was niet gemakkelijk om aan opdrachten te komen, alleen al omdat Bosch na zijn bemoeienissen met de Nieuwmarktbuurt niet bepaald te boek stond als een architect die gemakkelijk en goedkoop was voor zijn opdrachtgevers. Hij nam soms opdrachten aan die een flink eind buiten zijn vertrouwde terrein vielen. Zo bouwde hij in 1986 op het industrieterrein Amstel III een bedrijfshal voor Honeywell. Hij verdiende bij als deeltijddocent aan de Academie van Bouwkunst en als gastdocent in Berlijn en Hamburg. De studenten daar droegen de Amsterdamse, amper Duits sprekende non-conformist op handen en hij vond het geweldig om met “Herr Professor” te worden aangesproken.
De eerste belangrijke opdracht die de firma Theo Bosch Architect kreeg was een groot woningbouwproject (de Sijzenbaan) in Deventer. Het leverde hem veel waardering en de Gerrit Rietveldprijs op. In 1987 werd Bosch, op voorspraak van PvdA-wethouder Adri Duivesteijn voorzitter van de welstandscommissie in Den Haag. Een andere belangrijke opdracht was de stedenbouwkundige supervisie in Hilversum.
Na het succes in Deventer durfde ook Amsterdam hem wel weer een omvangrijk woningproject toe te vertrouwen, op het voormalige Technische Unie-terrein aan de Houtmankade (1990). In de ‘hamerkoppanden’ werd ook een politiebureau gehuisvest. Hij maakte ook een uitbreiding aan het in 1859 door Willem Springer gebouwde Tolhuis op de Buiksloterweg in Noord. Bosch verloste de stad in 1989 met zijn Willemshuis ook van een beschamend gat op de Stadhouderskade, dat daar na de brand in het Van Nispenhuis in 1977 was ontstaan en door onverkwikkelijke speculatiepraktijken meer dan een decennium had bestaan.
Zijn laatste Amsterdamse project heeft Theo Bosch niet meer in voltooide staat kunnen zien: het Faciliteitengebouw of Voorlichtingspaviljoen op het Binnengasthuisterrein, een ovaal paviljoen dat met een glazen navelstreng verbonden is met het hoofdgebouw van de kinderkliniek van Amsterdamse-Schoolvoorloper J.M. van der Mey uit 1911. Het is zijn tweede project voor de Universiteit van Amsterdam en net als de Letterenfaculteit voorzien van de kenmerkende ‘Bosch-plinten’ – schuine plinten van glazen baksteen waardoor de kelderverdieping licht krijgt en als bijkomend voordeel dat het vrijwel onmogelijk is fietsen tegen de gevel te zetten.
Theo Bosch was een gezelschapsdier. Hij moest altijd volk om zich heen hebben en was een graag geziene gast in café De Pool. Voor een rustig gezinsleven was hij niet in de wieg gelegd. Zijn huwelijk met een vriendin die hij kende van de kleuterschool strandde eind jaren zeventig, naar men zegt mede door de spanningen van zijn ruzies met Aldo van Eyck. Theo Bosch overleed op 6 april 1994 onverwachts aan een hartstilstand, slechts 54 jaar oud. Hij ligt op de Oosterbegraafplaats.

Tekst: Sjaak Priester
Oktober 2006

Delen: