Architect Philip Warners, 1888-1952

Pionier van het etagehuis

Philip Warners hield van beschaafde conversaties in een stijlvolle omgeving. Bouwen voor de betere kringen was dan ook zijn specialisme. Vooral maakte hij naam als schepper van het ‘etagehuis’: het eerste luxe appartementsgebouw.

Toch was Philip Anne Warners (1888-1952) zelf niet van uitzonderlijk goede komaf. Hij was het derde kind van de aannemer Philip Andries Warners en Johanna Koster. Het op de Overtoom gevestigde aannemersbedrijf had regelmatig belangrijke projecten onder handen, zoals het Scheepvaarthuis en het Lloyd Hotel op de Oostelijke Handelskade. Het lag voor de hand dat Philip, net als zijn oudere broer Ko die de zaak van zijn vader zou overnemen, ook iets in de bouwkunde ging doen. Net als veel tijdgenoten werd hij opgeleid aan de Industrieschool van de Maatschappij voor den Werkenden Stand, waarna hij in de leer ging bij diverse architectenbureaus. In 1909 en 1910 volgde Philip een opleiding bij de Architectural Association in Londen. Het is waarschijnlijk een belangrijke ervaring voor hem geweest, want gedurende zijn hele carrière was zijn werk doortrokken van een Engels aandoende kwaliteit.
Zijn eerste zelfstandige opdrachten verwierf hij als 22-jarige merkwaardig genoeg in Roemenië. Daar bezat zijn oom een concessie om aardolievelden te ontginnen. Warners’ eerste gebouwen zijn dan ook een complete olieraffinaderij en bijbehorende woningen voor de Nederlandse staf. Het werk van de jeugdige Nederlander viel kennelijk in goede aarde bij welgestelde Roemenen, want al snel volgde een aantal opdrachten voor grote, luxueuze villa’s. Jong als hij was, had Warners al heel wat personeel onder zich. Toch voelde hij zich ondergewaardeerd en niet erg gelukkig.
Na een studiereis door Italië, Griekenland en Turkije keerde hij terug naar Nederland, waar hij in 1913 trouwde met Hennie, een dochter van de fameuze boekhandelaar en uitgever Allert de Lange. Uit het huwelijk zouden drie zoons worden geboren: Allert, die later de architectenpraktijk van zijn vader zou voortzetten, Henk en Erik. Philip vestigde zich als zelfstandig architect in Amsterdam. Om zich te onderscheiden van zijn vader die dezelfde initialen droeg, liet hij zich voortaan F.A. Warners noemen.

De flat als rijkeluiswoning
Al in het eerste jaar kreeg Warners diverse opdrachten in Amsterdam. Een ervan betrof een nieuw type gebouw, het ‘etagehuis’, waarmee hij zich een blijvende plek in de architectuurgeschiedenis heeft verworven. Huize Loma (1913), de De Lairessestraat 4-8, is het eerste Nederlandse voorbeeld van het uit Wenen, Parijs en Berlijn bekende luxe appartementsgebouw. In de vier woonlagen van het in baksteen opgetrokken pand zijn acht forse woningen van minstens zes kamers ondergebracht. In 1924 zou Warners er nog een verdieping bovenop zetten; het gebouw kreeg toen ook een lift en centrale verwarming.
Met Huize Loma was de flat in Nederland geïntroduceerd. Zou in latere decennia het begrip flatgebouw een neutrale tot zelfs onaangename klank krijgen, dat was in het eerste kwart van de 20ste eeuw nog niet het geval. Flatgebouwen waren toen riante onderkomens voor de bemiddelde en ietwat avontuurlijk ingestelde bovenklasse. Kenmerkend was de indeling met gelijkvloerse woningen, maar aan de buitenkant waren deze flats nauwelijks te onderscheiden van de gangbare blokken duurdere herenhuizen. Philip Warners bouwde zijn flats voor artsen, hoogleraren en advocaten. Ze waren voorzien van salons, herenkamers, speelkamers, bibliotheken, bedienden- en chauffeurskamers. Ze hadden inpandige garages, afzonderlijke personen- en goederenliften, daktuinen, centrale verwarming en de permanente zorg van een inwonende conciërge. Met zijn appartementsgebouwen bracht Warners de leefstijl van de grote Europese hoofdsteden naar Amsterdam.
Warners heeft zich gedurende zijn hele loopbaan op dit segment van de markt gericht. In zijn omvangrijke oeuvre is geen arbeiderswoning of volksschooltje te vinden. Het dichtst in de buurt komen nog twee blokken ‘middenstandswoningen’ in de Cornelis Krusemanstraat voor woningbouwvereniging Ons Huis (1922) en blokken op het Olympiaplein (nummers 11-29, 1927) en in de Gerrit van der Veenstraat (nummers 126-130, 1927).
Huize Loma is alleen maar het eerste van een lange reeks woongebouwen voor de klasse die oog heeft voor echte kwaliteit en genoeg geld om die te betalen. Warners’ gebouwen zijn smaakvol, maar niet overdadig. De stijl sluit aan bij die van de Amsterdamse School. Ze zijn gemaakt van goede, kostbare materialen. Een gebouw is maar korte tijd nieuw, aldus een van Warners’ levenslessen, en gedurende veel langere tijd oud. Zorg daarom voor materialen die mooier worden als ze verouderen, zoals graniet, tufsteen, brons en teakhout. Materiaal was cruciaal voor Warners: hij droeg altijd een speciaal mes bij zich om, waar hij ook was, de kwaliteit van houtwerk te beproeven. Voor veel woningen ontwierp Warners ook het interieur en belangrijke delen van het meubilair.

Zestien kamers
Warners ontwierp niet alleen zijn flatgebouwen, hij exploiteerde ze ook. Samen met zijn schoonvader Allert de Lange richtte hij al direct in 1914 AMEE op, de NV Amsterdamsche Maatschappij tot Exploitatie van Etagewoningen. Het bedrijf zou tot in de jaren dertig verscheidene projecten realiseren, hoofdzakelijk in Amsterdam-Zuid, maar ook in Den Haag. Horizontaal eigendom bestond nog niet en daarom werden de woningen niet verkocht. In plaats daarvan werden ze via een bijzondere constructie verhuurd. De bewoners kochten aandelen in het hele gebouw en kregen daarmee recht op bewoning van een appartement. Warners stak heel wat tijd en energie in de exploitatie van zijn complexen, en misschien was hij wel meer zakenman dan architect. AMEE bleef tot in de jaren tachtig actief, onder leiding van zijn zoons Henk en Erik, en leidt nu een slapend bestaan.
In een paar jaar tijd zette AMEE vier ‘etagehuizen’ neer in de De Lairessestraat: Huize Zonnehoek (1915), Huize Zuidwijck (1916), Klein Zuidwijck (1916) en De Steenhoek (1920). Andere projecten in Zuid waren Parkwijk in de Waldeck Pyrmontlaan (1923), Oldenhoeck in de Jacob Obrechtstraat (1926, met een tennisveld) en Schouwenhoek op de Apollolaan (1934). De gebouwen staan er allemaal nog, maar aan sommige is in de loop der jaren wel het nodige veranderd. Het grootste en meest luxueuze appartementencomplex bouwde Warners overigens niet voor zijn eigen bedrijf, maar voor een andere onderneming. Het is Westhove op de hoek van de De Lairessestraat en de Jan van Goyenkade (1922). Er zitten zestien woningen in met tien tot zestien (!) kamers. Voor een van de woningen ontwierp Warners ook het behang. In het trappenhuis zit beeldhouwwerk, vermoedelijk van Hildo Krop.
Niet alleen met comfortabele appartementsgebouwen bediende Warners de bovenkant van de Amsterdamse woningmarkt, dat deed hij ook met een aantal villa’s en herenhuizen. Wie in de omgeving van de Apollolaan rondkijkt, het gebied dat in Berlages Plan-Zuid bedoeld was voor ‘eerste klas’-bebouwing, kan heel wat aardige optrekjes van Warners bewonderen. Veelal gaat het om enkele of dubbele woningen voor artsen of notarissen met een praktijk aan huis. Zo staat in de Emmastraat een blok van vijf herenhuizen, gebouwd in opdracht van zijn schoonvader (1918) en staan er dubbele woonhuizen in onder meer de J.J. Viottastraat en op de Jan van Goyenkade. Ook buiten Amsterdam, in plaatsen als Laren en Aerdenhout, ontwierp Warners villa’s en landhuizen. Zijn eigen levensstijl paste trouwens goed in zulke omgevingen. Hij deed aan elitesporten zoals cricket, tennis en golf, en was een van de oprichters van de Nederlandsche Skivereeniging.

Skyscraper
Met zijn flatgebouwen ging Warners niet echt de hoogte in. Vooral vanwege de bouwverordening bleven zijn etagehuizen beperkt tot vier verdiepingen. De eerste echte Amsterdamse hoogbouw van woningen staat dan ook op naam van J.F. Staal, met zijn fameuze ‘Wolkenkrabber’ op het Victorieplein. Philip Warners heeft zich, in de schaarse uitingen die hij deed, wel voorstander betoond van echte hoogbouw. Die kans kreeg hij met een ander product waarmee hij de bovenkant van de markt bestookte: het luxueuze kantoorpand. Voor kantoorpanden golden minder klemmende hoogtebeperkingen dan voor woongebouwen. Zijn onderneming AMEE bouwde kantoren met voor de toenmalige Amsterdamse begrippen enorme hoogten. Ze sieren nog steeds de binnenstad – als dat de juiste uitdrukking is. Atlanta (1929) op de Stadhouderskade, tegenover het Leidsebosje, telt zeven verdiepingen en maakt zichzelf nog een stukje hoger door een brutale, een kwartslag gedraaide toren met speer erop. In 1955 zette Warners’ zoon Allert er nog een verdieping bovenop.
Candida (1932) steekt met zijn tien verdiepingen flink uit boven de belendende panden op de Nieuwezijds Voorburgwal en werd door Warners beschouwd als de eerste echte ‘skyscraper’ van Amsterdam. Atlanta en Candida waren Amerikaans aandoende gebouwen, bedoeld voor een snel groeiende economie. Daarom ook hadden de panden een betonskelet, dat een flexibele indeling mogelijk maakte. Uiteraard hadden ook Warners’ kantoorpanden het nodige comfort: centrale verwarming, liften plus ruime en lichte werkplekken. Weg met de “ouderwetsche kantoren met kamertjes, hokjes en gangen, trapjes op en trapjes af”. Een moderne kantoorinrichting verdiende zichzelf terug doordat het enkele arbeidsplaatsen kon schelen, rekende Warners zijn clientèle voor.
Wonderlijke uitzonderingen binnen Warners’ zakelijke oeuvre zijn twee grote bierhuizen in opdracht van Heineken. ’t Brouwerswapen op het Rembrandtplein kreeg bij oplevering in 1938 heel wat architectuurkritiek over zich uitgestort en werd in 1976 afgebroken, maar café-restaurant ’t Goude Hooft in Den Haag staat er nog.
Na de oorlog verplaatste Warners zijn werkterrein naar Tilburg, al bleef hij wonen in Amsterdam. Hij bouwde enkele fabrieken, waarvan de Sunlight zeepfabriek in Vlaardingen de bekendste is. Zijn stijl werd strakker, meer Delftse dan Amsterdamse School. Hij overleed vrij jong, op 20 februari 1952.

Tekst: Sjaak Priester
Juli-Augustus 2006

Delen: