Architect Isaac Gosschalk

‘Een gebouw heeft stijl als het uitdrukt wat het is’

012004_ArchitectBeeldbepalende gebouwen in Amsterdam zijn van hun hand. Zelf zijn ze soms vergeten. Een serie portretten van bouwmeesters die hun stempel op de stad hebben gedrukt. In deze eerste aflevering: Isaac Gosschalk, een van de eerste ‘ingenieur-architecten’ van Nederland. Hij ontwierp onder meer de Wester- en Oostergasfabriek.

Architect werd je tot midden 19de eeuw door van onderaf als tekenaar bij een gevestigde bouwheer te beginnen. De opleiding bouwkunde in Delft kwam er pas in 1863. Isaac Gosschalk (1838-1907) was zijn tijd vooruit en toog naar het buitenland om een opleiding tot bouwkundig ingenieur te volgen. Tussen 1858 en 1862 liep hij college aan het Eidgenössisches Polytechnikum in Zürich, destijds en ook nu nog de beste bouwkunde-opleiding in Europa. In zijn werk is die ingenieurshand terug te zien: zijn bekendste gebouwen zijn fabrieken en stationsgebouwen, de voorboden van de moderne industriële tijd. Mét stijl, dat wel.

Gosschalk werd in 1838 geboren in een Amsterdams liberaal-joods artsengezin. Hij trouwde in 1880 met de zeventien jaar jongere lutherse winkeliersdochter Elizabeth Feis. Twee jaar later betrok het echtpaar een van de fraaie stadsvilla’s die Gosschalk had gebouwd op de Weteringschans, tegenover het Rijksmuseum – de nummers 113-129 en 139-151 zijn alle van zijn hand. De familie Gosschalk kwam zelf op nummer 113 te wonen. Zijn naam was toen al gevestigd, vooral dankzij zijn vriend Gerard Adriaan Heineken. Deze legde al op 22-jarige leeftijd de basis voor zijn bierimperium met de overname van brouwerij De Hooiberg. Zeven jaar later, in 1870, verrees aan de Stadhouderskade zijn Stoombierbrouwerij, ontworpen door Gosschalk. Dit pand betekende zijn doorbraak, vooral ook omdat reclamepionier Heineken er vaak afbeeldingen van gebruikte. In de jaren dertig van de vorige eeuw maakte het gebouw plaats voor de huidige biervesting van B.J. Ouëndag, een leerling van Gosschalk.

Dankzij het elegante Panoramagebouw op de Plantage Middenlaan (1880) raakte Gosschalks naam ook buiten architectuurkringen bekend. Naast andere vergezichten was hier twee jaar lang het beroemde Panorama van Mesdag te bezichtigen. Het gebouw bleef tot 1926, als laatste van de Amsterdamse panoramagebouwen, geopend en werd ten slotte na jaren leegstand in 1935 afgebroken. Nu staat er het bejaardentehuis Sint Jacob. Gosschalk ontwierp nog meer bekende gebouwen in Amsterdam: het koffiehuis/theater Mille Colonnes op het Rembrandtplein (gesloopt in 1922; nu is hier discotheek Escape) en het ziekenhuis van de Nederlands-Israëlitische Gemeente op Nieuwe Keizersgracht 104-106. Deze gebouwen zijn verdwenen. Andere scheppingen van hem staan er nog: de Groote Club in de Paleisstraat bij de Dam (samen met H.J. van den Brink, 1870-1872), het deftige hotel Die Port van Cleve op de Nieuwezijds Voorburgwal achter de Dam (1888) en de deels gerestaureerde huizen van familie annex timmerbedrijf Deenik op Reguliersgracht 57-59 (1882). Een rij woningen in de Vossiusstraat (op de hoek bij de ingang van het Vondelpark) werd door Carel Willink gebruikt als decor voor een van zijn noodlotsschilderijen.

Gosschalk bouwde ook buiten Amsterdam, in 1869 bijvoorbeeld het landhuis Vogelensang in Hilversum. Volgens kenners staat zijn mooiste gebouw zelfs in Groningen: het spoorwegstation uit 1899, dat met Haarlem en Amsterdam CS wedijvert om het predikaat mooiste treinstation van Nederland. Vooral de veertien meter hoge stationshal, door F.H. Bach met Jugendstilmotieven versierd en in 1999 in oude luister hersteld, geldt als zeer geslaagd.

Vloertjes als papier

Isaac Gosschalk bemoeide zich intensief met de Amsterdamse gemeentepolitiek, vooral waar het ging om bouwkundige ingrepen in de stad. Hij was een fel tegenstander van de vestiging van het Centraal Station aan het IJ. Om het Leidseplein als alternatieve locatie kracht bij te zetten ontwierp hij zelfs een geheel nieuw spoortracé tussen Amsterdam en Rotterdam. Toen hij dit pleit verloor trok hij zich niet wrokkig terug, maar dacht mee over de consequenties. Als eerste pleitte hij in 1872 voor het dempen van het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal om het kolossale nieuwe station bereikbaar te maken. Zo’n drastische aanpak was in de geest van “onze praktische en doortastende voorvaders” uit de 17de eeuw, vond hij.

Niet veel later nam hij zelf zitting in de gemeenteraad, waar hij twaalf jaar lang (van 1875 tot 1887) veel energie stak in zaken die zijn vakgebied raakten. Zo hebben we het aan hem te danken dat het Weteringplantsoen niet twintig, maar dertig meter breed is. Gosschalk was lid van de progressief-liberale kiesvereniging Burgerpligt. Daarvan maakten vooral jonge ondernemers deel uit, zoals Heineken en lettergieter Nicolaas Tetterode. Zij vonden dat het stadsbestuur zaken als onderwijs en volksgezondheid ter hand moest nemen om de toestand van de lagere klassen te verlichten. Gosschalk interesseerde zich altijd al voor de opkomende arbeidersbeweging. In 1867 had hij samen met zijn vriend Coenraad A.J. Geesink, directeur van een zeepziederij, maar ook korte tijd secretaris van de Algemeene Nederlandsche Typografenbond, een reis georganiseerd met 22 werklieden naar de wereldtentoonstelling in Parijs.

Anders dan veel tijdgenoten was Gosschalk geen bewonderaar van de toparchitect van zijn tijd, P.J.H. Cuypers (1827-1921), de schepper van het Centraal Station. Hij vond de zeer katholieke bouwmeester aan de ene kant te tierelantijnig, en aan de andere kant een te rechtlijnig denker. Maar ook in deze tegenstelling betoonde Gosschalk zich grootmoedig: als lid van een beoordelingscommissie beval hij juist zijn neogotische rivaal aan voor het uiterst prestigieuze Rijksmuseum.

Niet dat Gosschalk, die geldt als een uitgesproken vertegenwoordiger van het Hollandse neorenaissancisme, wars was van versieringen. Integendeel zelfs: “Een mooie schijn is mij liever dan een lelijke werkelijkheid,” schreef hij in 1867. Maar het moest er niet te dik op liggen: zodra een versiering te nadrukkelijk was toegevoegd aan een op zichzelf compleet geheel, ging het hem te ver. “Een gebouw heeft stijl als het een karakter heeft, als het uitdrukt wat het is, mits het dat doet op een schoone wijze.”

Zo kon hij zich erg opwinden over de bouwstijl die tegenwoordig wel Hollands eclecticisme wordt genoemd: vlees noch vis, zoals de naam al aangeeft. Voorbeelden staan in de Amsterdamse Plantage, maar vooral in Arnhem. Gosschalk in 1867: “Men stapelt van slechten steen een muur op, brengt er balkjes in als zwavelstokken en vloertjes als papier; van de gaten die men uitspaart, groeit hier een deur, dáár een venster. Is men zoover gevorderd, dan treft men een overeenkomst met den stukadoor, die alles met een laag pleister volsmeert, aan de ramen profielen trekt, hier schiftingen en daar voegen hakt. Eindelijk gaat men naar een magazijn met surrogaten, kiest zich een kuif en een lijst en een wapentje en een consoletje, en bevestigt dat met ijzer- of koperdraad aan den gevel. Het gebouw is klaar, de architekt geprezen.” Schrijven, dat kon Gosschalk waarachtig wel.

Kolossale gasfabrieken

Voor Amsterdam ligt Gosschalks belangrijkste nalatenschap in de Wester- en Oostergasfabriek, die hij verbluffend snel na elkaar bouwde. De Westergasfabriek aan de Haarlemmerweg verrees in de periode 1883-1885 en omvat maar liefst zestien gebouwen, die samen de grootste collectie-Gosschalk vormen. Ze staan allemaal op de Rijksmonumentenlijst. De Westergasfabriek was de grootste steenkolengasfabriek van Amsterdam, en de bijbehorende gashouder was de grootste van Nederland. De fabriek bleef tot 1967 in bedrijf. Daarna verloste de Groningse gasbel de steden van de omslachtige en zeer vervuilende eigen gasproductie. Het terrein van de Westergasfabriek is door de Amerikaanse landschapsarchitecte Kathryn Gustafson omgetoverd tot een nieuw Westerpark. Met zijn glooiingen heeft dit terrein het in zich om, als de tijd eroverheen is gegaan, het mooiste park van Amsterdam te worden. De prachtige gebouwen van Gosschalk, opgeknapt door Francine Houben, hebben allemaal een herbestemming gekregen in de culturele sfeer of als stadsdeelkantoor.

Iets soortgelijks staat te gebeuren met de Oostergasfabriek aan de Polderweg, een even groot complex uit de periode 1885 tot 1887. Deze fabriek is slechts tot 1923 in bedrijf geweest. Het elektrificeren van de straatverlichting vanaf 1917 deed de vraag naar gas teruglopen. Inmiddels hebben de gebouwen tal van nieuwe bestemmingen: zo is de steenkoolstokerij nu Sportfondsenbad en de ammoniakfabriek dierenasiel; de ingenieurswoning was tot voor kort politiebureau. Nu liggen er nieuwe plannen voor het terrein: er komt een nieuw centrum voor het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer, met winkels, woningen, scholen, een stadsdeelkantoor, een danstheater op het fundament van de gashouder en een grand café in de ingenieurswoning. In 2008 moet het af zijn. Misschien kan daar dan ook een straat of plein naar Isaac Gosschalk worden vernoemd.

Want deze architect is helaas in de vergetelheid geraakt. Toen hij nog maar begin vijftig was, trok hij zich terug uit de architectuur, vermoedelijk vanwege zijn zwakke gezondheid. Hij vestigde zich in Brussel, vanwaar hij gepeperde ingezonden brieven naar Amsterdam bleef sturen. Zo vond hij de Beurs van Berlage maar niks. Dat die man in een gevel van bijna 200 meter nou niet één verspringinkje wilde maken, al was het maar van 50 of 30 centimeter! De versieringen van het nieuwe Beursgebouw waren voor hem ‘speculaaspoppen’. In 1907 overleed Isaac Gosschalk. Alleen het links-liberale weekblad De Amsterdammer herdacht hem.

Tekst: Sjaak Priester

Januari 2004

Literatuur:
W.R.F van Leeuwen: Isaac Gosschalk (1838-1907), een tovenaar met berg- en baksteen, doctoraalscriptie VU, 1985.

Delen: