Architect Gerrit van Arkel, 1858-1918

Oud-Hollandse stijl met schwung

Tijdgenoten vonden ze soms een tikkeltje te wild, maar ruim een eeuw later zijn de gebouwen van Gerrit van Arkel (1858-1918) architectonische delicatessen van de bovenste plank. Vooral talloze winkelpanden herinneren aan hem.

Gerrit A. van Arkel werd op 3 april 1858 geboren in een kinderrijk gezin in Loenen aan de Vecht. Behalve de gewone lagere school bezocht hij de zogenaamde Fransche School voor ‘jongeheeren’ uit de betere kringen. Geld voor een verdere opleiding was er niet. Vandaar dat hij op 14-jarige leeftijd als ‘timmermansjongmaatje’ in dienst trad van eerst een plaatselijke timmerman en daarna firma’s in Baarn en Amsterdam. Eenmaal in de grote stad kon hij avondonderwijs volgen bij de vermaarde Industrieschool der Maatschappij voor den Werkenden Stand, waar veel architecten vandaan kwamen. Docent Jan Galman, bekend als pleitbezorger voor een brug over het IJ, ontfermde zich over Van Arkel en liet hem tekenen aan zijn visionaire ontwerpen.

Van Arkel blonk uit en werd na de opleiding meteen aangesteld als leraar bouwkundig tekenen – op 17-jarige leeftijd, wel te verstaan. Hij zou zes jaar als docent aanblijven. In 1876 kwam hij bovendien als tekenaar op het bureau van G.B. Salm, waar hij werkte aan onder meer het Artis Aquarium, de Amstelbrouwerij en het gebouw van de Vrije Gemeente (nu Paradiso). Al op zijn 23ste was Gerrit van Arkel eraan toe zich als architect te vestigen. Hij begon het avontuur in 1882 samen met W. Wilkens, die echter in februari 1884 al overleed. Op de rijksmonumentenlijst staat het woonhuis Plantage Middenlaan 36, het enige nog resterende pand dat Van Arkel en Wilkens samen ontwierpen.

Brede dassen

Van Arkel zette het bureau in zijn eentje voort; de naam van Wilkens bleef tot 1893 gehandhaafd. Pas in 1914 zou hij, gedwongen door een ernstige ziekte waarvan hij ternauwernood genas, opnieuw een partner zoeken in de gedaante van H.J. Breman (van het Lloyd Hotel). Samen met Breman schiep Van Arkel het kantoorgebouw op de hoek van de Westermarkt en de Keizersgracht. De bouw leidde tot de nodige commotie, omdat een dubbele 17de-eeuwse trapgevel sneuvelde. De kwestie leidde uiteindelijk tot de oprichting van de Vereniging Hendrick de Keyser. Het gebouw werd opgeleverd in 1919, een jaar na Van Arkels overlijden.

Niet dat Gerrit van Arkel geen waardering had voor het verleden. Integendeel, hij was ook verzamelaar van Noord-Hollandse oudheden. Zijn woonhuis was een soort museum en hij behoorde tot de oprichters van het Genootschap Amstelodamum. Samen met de architect A.W. Weissman (ontwerper van het Stedelijk Museum) reisde hij van 1890 tot 1905 door alle uithoeken van de provincie, wat het zevendelige boek Noord-Hollandsche oudheden opleverde, vol minutieuze pentekeningen van Van Arkel die ook een verdienstelijk tekenaar was. In Enkhuizen liet hij zich aan een door twee mannen vastgehouden touw langs de toren naar beneden zakken om zo de inscripties te kunnen natekenen. Tegen het eind van zijn leven werd Van Arkel erelid van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Het enorme boekwerk leverde hem ook een lidmaatschap op van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, hoewel Weissman degene was die het schrijfwerk voor zijn rekening nam.

Hoewel hij toen al een zeer drukke praktijk had als bouwmeester, was Van Arkel van 1899 tot 1906 als vrijzinnig-democraat lid van de Amsterdamse gemeenteraad. Hij was maar zelden aanwezig en deed vooral van zich spreken door adviezen buiten de raadzaal. Gerrit van Arkel was een opvallende verschijning, met zijn grote slappe hoed, brede doorgaans blauwe dassen en uitbundige gelaatsbegroeiing. Hij moet een flamboyant type zijn geweest, dat uit volle borst het ‘architectenlied’ meebrulde op de boottochtjes van het pas opgerichte genootschap Architectura et Amicitiae. Van Arkel trouwde twee keer. Uit het tweede huwelijk, met de elf jaar jongere Maria du Pré in 1901, werd dochter Martha geboren. Vanaf 1909 woonde het gezin in Abcoude.

Van Arkel was gecharmeerd van de Oud-Hollandse stijl, die de 17de-eeuwse grachtengordel domineert. Maar hij gaf er zijn eigen draai aan, om niet te zeggen schwung. In zijn vroegste gebouwen zijn elementen uit de gotiek, renaissance en barok op feestelijke wijze door elkaar gehusseld. Al snel kwamen er steeds meer jugendstil-elementen bij. Er zitten altijd wel leuke uitbouwtjes en erkertjes aan – toevallig genoeg is arkel verouderd Nederlands voor erker. Versieringen aan vooral de bovenverdiepingen en de gevels zijn opvallend. Daken hebben een voor Nederland ongebruikelijke halfbolle, halfholle vorm (‘ojief’). Een raar en niet erg bruikbaar torentje kon er meestal ook nog wel van af. Op latere leeftijd kalmeerde Van Arkel wat en bekeerde hij zich tot een sobere variant van de Amsterdamse School – “soberheid, nimmer ontaardend in somberheid,” zoals een criticus opmerkte.

Het Moortje

Van Arkel voelde zich aanvankelijk verwant met de pleitbezorger van de Oud-Hollandse stijl, Isaac Gosschalk, die de Wester- en Oostergasfabriek bouwde. Vanaf 1895 echter was hij een van de eersten die de grootheid inzagen van de nieuwe bouwmeester Hendrik Petrus Berlage. Zozeer volgde hij in zijn latere, ‘sobere’ fase zijn voorbeeld na dat Van Arkels gebouwen soms werden toegeschreven aan Berlage.

Er staan heel wat scheppingen van Van Arkel op de monumentenlijsten – twaalf op de rijksmonumentenlijst en zeventien op de Amsterdamse lijst. Van zijn talloze winkels zijn er nog aardig wat in bedrijf. De benedenverdieping is dan natuurlijk meestal aangepast. Dat geldt echter niet voor de bakkerij op de scherpe hoek van de Spuistraat en de Raamsteeg. Dit typische pand werd in 1898 gebouwd voor luxe-bakkerij D.C. Stähle en is nog steeds een bakkerij/croissanterie. Het oorspronkelijke interieur met glas-in-loodramen is vrijwel onaangetast. De nu witte gevel was overigens oorspronkelijk wel wat donkerder.

Een wel zeer opvallend pand, enige jaren geleden gerestaureerd, is de sigarenwinkel De Transvaalsche Boer uit 1900 op de hoek van de Gastmolensteeg en de Herengracht. Op de puibalk staat een houten beeldje van een Zuid-Afrikaanse boer. Een eeuw geleden vonden veel Amsterdammers dit torenhuis met zijn vele kleuren en asymmetrische details eigenlijk een beetje te wild. Een andere sigarenwinkel van Van Arkel is ‘Het Moortje’ van negen jaar eerder, op de hoek van de Heiligeweg en de Kalverstraat. Tegenwoordig zit er een juwelier.

De vestiging van H&M een paar panden links ervan is ook een schepping van Gerrit van Arkel. De prachtige gevel werd in 1893 ontworpen voor handschoenenzaak Anton Huf Jr. Het is al vaker gezegd: om in een winkelstraat echt iets aardigs te zien moet je naar de verdiepingen boven de winkelpui kijken. Ook computerwinkel PC-Oké in de Utrechtsestraat bijvoorbeeld zit in een Van Arkel, uit 1894. Oorspronkelijk zat hier naaimachinehandel H. Brückmann – het staat nog op de pui.
De winkel annex woonhuis voor bakker W.J. Heinemann op Keizersgracht 766 stamt uit hetzelfde jaar en staat te boek als een van de eerste Nederlandse gebouwen in jugendstil. Het steekt eigenwijs een verdieping boven de omliggende bebouwing uit. Ook horecagelegenheden kwamen van de tekentafel van Van Arkel: grand café De Kroon op het Rembrandtplein (1898) is het bekendste.

Steeds berlagiaanser

Een bijzonder gebouw is Helios op het Spui uit 1896. Dit is een van de eerste fotografische ateliers in Nederland, gebouwd voor M. Buttinghausen. In de begindagen van de fotografie was de lichtgevoeligheid van het fotopapier zo laag, dat er eigenlijk alleen met zonlicht afdrukken konden worden gemaakt – zogenaamde heliografieën. Vandaar dat het dak van het pand geheel van glas is. Voor het ontwerp kreeg Van Arkel in 1900 een onderscheiding op de wereldtentoonstelling in Parijs.

Met pure woningbouw hield Gerrit van Arkel zich niet zo vaak bezig. Het appartementengebouw Korte Marnixkade 4 is een van de uitzonderingen. Hij bouwde dat in 1894 samen met Herman H. Baanders. Het is opmerkelijk door de knik in de rooilijn. Samen met Baanders ontstond in 1905 ook het kantoorgebouw van de Eerste Hollandsche Levensverzekerings Bank op de hoek van de Keizersgracht en de Leliegracht. Baanders had aanvankelijk de opdracht in zijn eentje en maakte de eerste ontwerpschetsen. Waarschijnlijk werd de jongere Van Arkel erbij gehaald vanwege diens ervaring met grotere bedrijfspanden. Met zes verdiepingen en een hoogte van 37 meter werd het een van de eerste ‘kantoortorens’ in Nederland. Omwonenden hadden veel kritiek op de hoogte, die nu nauwelijks meer opvalt in het straatbeeld.

Met kantoorontwerpen kon Van Arkel zich echt uitleven. Een befaamd voorbeeld is het rijk versierde The Marine Insurance Company Limited op de hoek van het Rokin en de Wijde Lombardsteeg uit 1901, waar de invloed van Berlage zichtbaar begint te worden. Schuin ertegenover staat nog een Van Arkel: Rokin 58 werd in 1898 opgetrokken als kantoorgebouw voor de pakhuizen- en transportonderneming Vriesseveem. Nu kan men er ‘professioneel zonnen’.

De oorspronkelijk als combinatie van winkels en woonhuizen opgezette hoek van de Raadhuisstraat en Keizersgracht uit 1903 is een goed voorbeeld van Van Arkel in zijn latere, ‘sobere’ periode. Later werd het een kantoor van een levensverzekeringsmaatschappij. Het meest ‘berlagiaanse’ gebouw van Van Arkel is het kantoor voor de Buitenlandsche Bankvereeniging uit 1904 op het Damrak. C&A werd er eind jaren zestig nogal bruut tegenaan gezet.

Tegen het eind van zijn carrière bouwde Van Arkel een aantal panden voor de diamantindustrie, die toen op een hoogtepunt verkeerde. Twee staan er nog: uit 1907 de Diamantslijperij van Asscher in de Tolstraat, en uit 1911 de Diamantbeurs bij het Weesperplein. Het laatste is het enige overgeblevene van de drie beursgebouwen voor de diamanthandel. In 1990 werd het ingrijpend verbouwd om onderdak te bieden aan de Amsterdamse Milieudienst. Van Arkel heeft een verbazingwekkend groot oeuvre in Amsterdam achtergelaten, want na enkele moeilijke laatste jaren overleed hij al jong, op 60-jarige leeftijd in 1918.

Tekst: Sjaak Priester
Mei 2007

Delen:

Dossiers:
Architectuur Amsterdammers
Editie:
Mei
Jaargang:
2007 59
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950