Architect Arthur Staal, 1907-1993

Nooit rumoerig of pathetisch

Hij was vanaf de jaren dertig een profeet van het Nieuwe Bouwen, niet te verwarren met de Nieuwe Zakelijkheid. Want modern en eenvoudig hoeft nog niet saai te zijn, betoogde Arthur Staal, die vooral bekend werd als architect van de ‘Shelltoren’ in Noord.

Architectuur kreeg Arthur Staal met de paplepel ingegoten. Zijn vader was Jan Frederik Staal, de veelgeprezen ontwerper van de ‘Wolkenkrabber’ op het Victorieplein. Het Amsterdamse milieu waarin Arthur op 3 juli 1907 ter wereld kwam was progressief-protestants en intellectueel. Zijn vader had socialistische sympathieën en flirtte zelfs even met het communisme.

Al op de hbs viel zijn talent voor tekenen op. Na zijn eindexamen in 1924 vormde hij zich verder aan de School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Kunstambachten in Haarlem. Deze opleiding werd een jaar later vanwege bezuinigingen opgeheven, waarna Staal zijn heil zocht bij de nieuwe MTS voor Bouwkunde in Utrecht. In 1928 kreeg hij het diploma. Aansluitend ging hij een jaar in de leer bij zijn vader, daarna nog een jaar bij architectenbureau Baanders.

Vanaf 1930 noemde Arthur Staal zich zelfstandig architect. Maar hij had geen ongelukkiger moment kunnen kiezen: zo kort na de beurskrach lag het bouwen op zijn gat. Hij wist enkele opdrachten binnen te slepen, maar nestelde zich in 1932 weer veilig onder de vleugels van zijn vader. Ook daar was het geen vetpot: Staal junior kreeg weinig anders omhanden dan winkelverbouwingen.

Gave des woords

Het was een periode waarin architectuur nauwelijks verder kwam dan de tekentafel, omdat geld voor de uitvoering veelal ontbrak. Zo werkten vader en zoon Staal geruime tijd aan een tweede ‘Wolkenkrabber’, geprojecteerd naast het Rijksmuseum. Het was ook een periode waarin architecten veel tijd vonden om te debatteren over de grondslagen van hun vak.

Arthur Staal had van zijn vader de gave des woords meegekregen (zijn hele loopbaan zou hij voor collega’s de inleidingen bij hun ontwerpen schrijven). Onder zijn leiding maakte een stroming van jonge architecten, Groep ’32, zich sterk voor het Nieuwe Bouwen – moderne architectuur, maar heel anders dan de Nieuwe Zakelijkheid. Terwijl bij die laatste stroming alles draaide om functionaliteit, had het Nieuwe Bouwen gepaste waardering voor traditionele begrippen als ornament en symmetrie. Vandaar dat je bij Staal en consorten tussen de strakke blokken altijd wel wat schuine lijnen of een uitbouw ziet.

Le Corbusier was hun grote idool; in 1934 bezocht Staal hem in Parijs.
Net als de Nieuwe Zakelijkheid werkte het Nieuwe Bouwen met beton en glas, maar hield daarbij wel rekening met de omgeving waarin een gebouw stond. “Een op zichzelf uitstekend bedacht gebouw waar iedere bediende, directeur en glazenwasser aan zijn trekken kan komen, zal wanneer het niet zorgvuldig in de omgeving is ontworpen, een onding zijn,” zei Staal in een interview. Volgens hem was het Nieuwe Bouwen trouwens een rechtstreekse nazaat van het fraaie baksteenclassicisme uit de Gouden Eeuw. Beide immers waren te typeren als “een stijl van pure, klassieke eenvoud – nooit rumoerig of pathetisch”.

Reizen op de motorfiets

Behalve door theoretische scherpslijperijen werden de jaren dertig ook gekenmerkt door de vele architectuurprijsvragen, die vaker niet dan wel tot een gebouwd resultaat leidden. Bekend is de slepende prijsvraag voor een Amsterdams raadhuis op het Frederiksplein. Vader en zoon Staal eindigden in de eerste ronde van 1936 bij de beste vier, maar vielen later af.

In 1935 won Arthur Staal de Prix de Rome. Behalve uit een gouden medaille bestond de prijs uit een driejarige studiereis naar landen rondom de Middellandse Zee. Staal maakte op de motorfiets een avontuurlijke tocht naar Marokko, Algerije en Tunesië. Hij bestudeerde er vooral stads- en dorpspleinen. In 1939 deed hij er nog een schepje bovenop met een reis naar Egypte, Soedan en Syrië. Zijn reisverslagen werden uitgegeven: Onder de gouden zon van het morgenland in 1940 en Hellas in 1944. Na de bevrijding werden ze herdrukt.

Van de Tweede Wereldoorlog lijkt Staal zich weinig te hebben aangetrokken. Samen met Huig Maaskant deed hij in 1941 gewoon mee aan een ontwerpwedstrijd van het onder NSB-leiding staande Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Er zijn ook aanwijzingen dat Staal opdrachten aannam van de Duitsers, zelfs nog in 1944.

Bij de bevrijding was Arthur Staal 37 jaar. Pas toen kwam zijn loopbaan echt op gang. De wederopbouw deed de opdrachtenstroom aanzwellen. De oorlogsschade moest worden hersteld, te beginnen met goedkope huurwoningen. Staal kreeg grote opdrachten voor Velsen-IJmuiden en ook voor Amsterdam-West. Wat duurdere huurwoningen maakte hij bijvoorbeeld aan de hoek van de Pythagorasstraat en de Copernicusstraat in de Watergraafsmeer.

Ook de markt voor luxe woningen trok aan. In Oud-Zuid staan een paar villa’s van Staal. Relatief veel bouwde hij in Zandvoort, waar hij de helft van het jaar woonde met zijn vrouw, de danseres Quita Pronk (ze trouwden in 1946). Zijn andere woning was aan de Amsterdamse Lijnbaansgracht. Daar zat ook zijn bureau. Dat zou zijn hele loopbaan nooit meer dan vijf medewerkers tellen.

Kop van IJzer

Op het gebied van bedrijfspanden had Staal het meeste succes. Hij bouwde in Amsterdam een aantal kantoorgebouwen, zoals aan de Apollolaan en op de hoek van de Utrechtsestraat en het Frederiksplein. In 1968 ontwierp hij het hoofdkantoor van de Nederlandse Crediet Verzekeringsmaatschappij aan Keizersgracht 271-277. Het kwam dit jaar leeg. Het grote Rijkspostspaarbankgebouw aan de Haarlemmerweg is ook van Staal (1969).

Een van zijn grootste werken is gebouw Metropool aan de Weesperstraat (1964), dat hij samen met C. de Vries schiep. Aanvankelijk had de fameuze meubelfirma Gispen daar grote toonzalen, eveneens door Staal ontworpen. Begin jaren negentig werd het deel op de hoek van de Nieuwe Prinsengracht, de zogenaamde ‘Kop van IJzer’ (genoemd naar de firma die hier zat), afgebroken en vervangen door een staaltje typische blufarchitectuur uit de jaren negentig. Daartegen heeft Staal zich nog vergeefs bij de rechtbank verzet.

In de Amrobank had hij een trouwe opdrachtgever. Bankfilialen van Arthur Staal staan onder meer op het Haarlemmerplein (1972), op de hoek van de Stadhouderskade en de Van Woustraat (1974), in de Kinkerstraat (1976) en op de Rozengracht (1981). Elders in het land staan er nog een stuk of tien. Winkels stonden ook op zijn programma: zo is de Amstelveense C&A op het Plein 1960 van Arthur Staal. Een andere grote opdrachtgever was Wagon Lits. In 1957 kreeg hij zijn eerste opdracht voor een motel aan de rand van Amsterdam (Sloterweg). In de jaren zeventig werd de A4 voltooid en lag het gebouw plotseling buiten de route. Een nieuw motel van de hand van Staal kwam in 1978 gereed aan de nabijgelegen Oude Haagseweg, direct aan de snelweg. Eerder al, in 1962, had hij het Euromotel bij de Utrechtsebrug ontworpen.

Nu nog in het oog springend is het Clubgebouw voor Roei- en Zeilvereniging ‘De Amstel’ aan de Hobbemakade dat Arthur Staal in 1954 ontwierp, tegelijk met het ernaast staande Shell-benzinestation. Het staat op de dit jaar samengestelde lijst van 100 belangrijkste naoorlogse monumenten van Amsterdam.

Slordige speelweide

Verreweg de belangrijkste opdrachtgever van Arthur Staal was het Shell Laboratorium in Amsterdam-Noord. Vanaf 1956, toen hij een bedrijfsgeneeskundig centrum aan de Tolhuisweg neerzette, tot aan 1976 met het bedrijfsrestaurant aan de Badhuisweg bouwde Staal een groot aantal laboratoria en werkplaatsen. Hoogtepunt, zowel in letterlijke als figuurlijke zin, is de Shelltoren met de fraaie naam Overhoeks. Amsterdammers vinden dit óf een van de mooiste gebouwen van Amsterdam, óf een van de lelijkste – een tussenpositie lijkt niet mogelijk. Het staat wel vast dat het een landmark is van Noord én het belangrijkste gebouw van Arthur Staal. Inmiddels is het rijksmonument.

Voor Overhoeks – een ander woord voor diagonaal – werd de eerste paal geslagen op 18 maart 1965. Het werd in 1970 in gebruik genomen, later dan aanvankelijk beoogd vanwege tegenslag met de fundering. Vanuit de bar op de vijftiende verdieping is het uitzicht fenomenaal – lange tijd was Overhoeks het hoogste gebouw van Amsterdam. In de loop van volgend jaar gaat Shell het pand verlaten. Het wordt verbouwd tot bedrijfsverzamelgebouw door Wessel de Jonge, die ook de Van Nelle-fabriek in Rotterdam aanpakte. De naam Overhoeks is nu uitgebreid tot de woonwijk die hier komt.

In 1977 trad Staal terug als architect. Zijn laatste grote project is de verbouwing en uitbreiding van De Brakke Grond tot Vlaams Cultureel Centrum, afgerond in 1980. Als gepensioneerde maakte hij nog een ontwerp voor het Museumplein in een door NRC Handelsblad in 1988 uitgeschreven wedstrijd. Daarmee trad hij in de voetsporen van zijn vader: Jan Frederik Staal had in 1932 een, later bejubeld, plan voor het Museumplein geschetst, compleet met operagebouw tegenover het Concertgebouw. Arthur had trouwens in 1951 al een comité opgericht om iets te doen aan die “modderige en slordige speelweide” midden tussen de musea. Arthur Staal overleed in Amsterdam op 5 december 1993, 86 jaar oud.

Tekst: Sjaak Priester
Oktober 2008

Delen:

Buurten:
Noord
Dossiers:
Architectuur Amsterdammers
Editie:
Oktober
Jaargang:
2008 60
Rubriek:
Verhaal