Annexaties 1921. 'De slag gevallen'. Eigen plannen van Watergraafsmeer richtten niets uit tegen de annexatie

Watergraafsmeer was allang geen boerengemeente meer toen Amsterdam op de deur klopte. Achter de Middenweg stond een nieuwe, moderne woonwijk.

“Woensdag is het dan geschied. De vergadering der Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft zonder hoofdelijke stemming het wetsontwerp tot uitbreiding van Amsterdams grondgebied, aangenomen …” Het Weekblad voor Watergraafsmeer bracht op 12 november 1920 geen vrolijk nieuws. ‘De slag gevallen’, stond er boven het artikel. Zo voelde het ook. Het besluit had in Watergraafsmeer “een stille ontroering gewekt”, schreef de historicus Jaap Kruizinga later.

Er was nog hoop geweest dat Watergraafsmeer op het laatste moment aan de annexaties zou ontkomen, maar een verzoek aan minister Jan Kan om de Watergraafsmeerse belangen nog eens apart af te wegen faalde. Naar verluidt had de burgemeester van Amsterdam, Willem Tellegen, alle Amsterdamse leden van de Tweede Kamer op het stadhuis uitgenodigd en ze dringend verzocht tegen de amendementen op de annexatiewet te stemmen. Dat deden ze.

Voor Watergraafsmeer sloeg op oudejaarsavond 1920 dus het finale uur. Op de ochtend van die 31ste december kwam de gemeenteraad voor de laatste keer bijeen. De publieke tribune was volgepakt: veel bewoners wilden die historische zitting in het raadhuis aan de Linnaeuskade zelf bijwonen. Burgemeester Johannes Wilhelmus de Wit zat voor de laatste maal de vergadering voor; de verslaggever van Het Weekblad voor Watergraafsmeer had zijn pen in de aanslag.

De laatste ingekomen stukken werden afgehamerd, de begrotingen over 1921 zonder debat en zonder stemming goedgekeurd. Vervolgens kreeg het oudste raadslid, Johan Frederik ‘Nap’ Ankersmit, voorzitter van de SDAP-fractie, het woord. Hij was journalist, hoofdredacteur van de SDAP-krant Het Volk, en behalve gemeenteraadslid ook lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. De nestor memoreerde eerst de “goede omgangsvormen” in de raad. “Er was vaak scherpe strijd gevoerd, maar dat geschiedde steeds op hoffelijke bescheiden wijze. Spreker gevoelde zich verplicht dank te zeggen voor de persoonlijke welwillendheid welke de leden, ondanks politieke verschillen, steeds elkaar betoonden.” Hij dankte ook burgemeester De Wit, die zich als voorzitter altijd boven de politiek had weten te stellen.

Plannen

Nap Ankersmit belichaamde de toenemende politieke invloed van de arbeidersbeweging op lokaal niveau. Hij liet niet na erop te wijzen dat sinds de komst van socialistische raadsleden de belastingopbrengst in Watergraafsmeer verveelvoudigd was van ƒ 25.000,- tot ƒ 300.000,-, dat de salarissen gestegen waren en er betere scholen, een watervoorziening en een muntgasleiding gekomen waren. Dat alles had Watergraafsmeer tot een moderne gemeente gemaakt, ook voor de minder gesitueerden. Toch was hij een voorstander van de annexatie door Amsterdam. Hij meende ook dat de meerderheid van de arbeiders en de “modern denkenden” het met hem eens was: “Zij zullen niet met weemoed, maar met voldoening overgaan tot Amsterdam.”

Niet iedereen dacht er zo over. Juist omdát de Watergraafsmeer zich had ontwikkeld tot een ‘moderne’ gemeente. Voor een deel was de gemeente nog landelijk gebied, met talrijke boerderijen langs de Ringdijk. Maar de huizen in de Linnaeusparkbuurt konden concurreren met de betere buurten in Amsterdam en trokken welgestelde Amsterdammers aan, iets waar de gemeente wel de lusten van had, maar niet de lasten. Er lagen ook ambitieuze plannen voor verdere groei. Burgemeester De Wit had al in 1907 door de architecten Piet Vorkink en Jacques Wormser een groot Uitbreidingsplan Watergraafsmeer laten ontwerpen, een “klaroenstoot tegen een mogelijke annexatie”, met woningen voor 200.000 inwoners – twintig keer zoveel als er woonden.

Allemaal voor niets, zo leek het. De Wit sprak het slotwoord in die laatste raadsvergadering. Hij had meer dan 21 jaar het burgemeesterschap vervuld en was ervan overtuigd, zei hij, dat hij een goed beheerde gemeente overdroeg. “Daarvoor komt de dank in de eerste plaats aan de Raad, vervolgens aan de wethouders en in de laatste plaats aan de voorzitter.” Hij dankte de wethouders, de raadsleden, de gemeentesecretaris, de politie en het gemeentepersoneel, “beval zich in de herinnering der heren aan en sloot met hamerslag de laatste raadszitting”. De heren stelden zich vervolgens op voor de fotograaf, die het historische moment kwam vastleggen.

Optocht

Een groepje teleurgestelde bewoners had het plan opgevat om de gemeente die dag symbolisch te begraven, in een plechtige begrafenisstoet met alles erop en eraan. Nu bleek dat de burgemeester daar toestemming voor had gegeven. Hij verdedigde zich door te zeggen dat iets dergelijks ook gebeurd was bij de annexatie van Woensel bij Eindhoven. Zo’n begrafenisstoet was niet in strijd met de goede zeden, alles zou ordelijk verlopen. De meeste gemeenteraadsleden vonden het maar een onfatsoenlijk idee. Een motie om de optocht niet door te laten gaan werd met één stem tegen aangenomen.

Ondanks het verbod werd Watergraafsmeer op 31 december toch clandestien begraven. Aan de plechtigheid namen vijftien bewoners deel. Om 12.00 uur stelde de rouwstoet zich op voor het café (Ringdijk 75) van gemeenteraadslid Harmen Bethlehem, de enige die tegen het verbod gestemd had: hij had de leiding van de optocht. Een zestal in het zwart gestoken dragers met hoge hoed droeg een baar waarop een kistje stond, gevuld met Watergraafsmeerse aarde. Vier fakkeldragers, een als ouderwetse aanspreker geklede ‘voorloper’ en trommelslager Jan van Langen, die op de met rouwfloers overdekte trom sloeg, liepen voorop. Langzaam – het regende flink – ging het langs de Ringdijk naar het Rechthuis, waar even stilgehouden werd, en vervolgens de Middenweg op tot Frankendael. Daar keerde de stoet, hield vervolgens stil voor het huis van burgemeester De Wit en na een tocht door de Wetbuurt arriveerde de lijkstoet op een half onder water liggend weiland achter het huis van boer David Slagt op de Ringdijk, aan het einde van de tegenwoordige Nobelweg.

Treurmuziek

Het kistje ging de grond in, er werden drie kransen gelegd en er waren enkele toespraken. Op het graf kwam een gedenkplaat met de woorden: ‘In dankbare herinnering aan ons geliefd Watergraafsmeer’. Treurmuziek klonk. Het was de bedoeling dat de sociaaldemocratische Muziekvereeniging van Watergraafsmeer die ten gehore zou brengen, maar op het repertoire stond geen droevige muziek en de tijd had ontbroken om nog iets passends in te studeren. Er waren dus wat losse muzikanten geregeld. De optocht trok veel bekijks. “Menige oud-Meerbewoner herinnert zich nog de natte voeten, welke hij op de bijkans geheel onder water staande ‘begraafplaats’ heeft gehaald”, schreef Kruizinga later.

Het evenement kreeg nog een staartje. Betlehem had de vier fakkels die de stoet verlichtten uit het brandspuithuis van de gemeente gehaald – als brandmeester van de gemeente had hij toegang. Daarmee was hij zijn boekje te buiten gegaan. De politie meldde zich daags na de optocht bij hem om de sleutels in beslag te nemen. “Naar ons verzekerd werd, zijn de autoriteiten over het optreden van dezen ‘vrijmoedigen’ brandmeester niet best te spreken”, wist De Telegraaf.

JO HAEN MEDEOPRICHTER VAN DE STICHTING VRIENDEN VAN WATERGRAAFSMEER.

December 2020

Beeld: Middenweg 1892, Jacob Olie. Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Buurten:
Oost
Editie:
December
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950

Gerelateerd

Annexaties 1921. Landhonger. 28 december 1920: Amsterdam wordt vier keer zo groot
Annexaties 1921. Landhonger. 28 december 1920: Amsterdam wordt vier keer zo groot
Verhaal 1 december 2020
Annexaties 1921. Hibsekrib, Watergraafsmeer
Annexaties 1921. Hibsekrib, Watergraafsmeer
Verhaal 1 december 2020