Anderhalve eeuw Vondelstraat 32

Van adel tot woongroep

Meer dan veertig jaar woon ik in het huis Vondelstraat 32 in Amsterdam. Altijd was ik nieuwsgierig wie er eerder allemaal hebben geleefd. Hun geschiedenis laat zien hoe snel het karakter van de Vondelstraat is veranderd.

Waar nu de Vondelstraat is, liep in 1865 nog het Leyerdorperpad. Architect Pierre Cuypers kreeg in 1867 een vergunning om langs het oude pad een nieuwe wijk te ontwerpen. Ook het aannemersbedrijf Hartgerink en Overeem mocht er huizen te bouwen: de nummers 2 tot en met 34, het eerste huis in 1867. Van meet af aan was de Vondelstraat een dure straat, maar wel sterk gemengd: protestanten, katholieken en Joden woonden door elkaar. Advocaten, ambtenaren, ondernemers, kunstenaars, verpleegkundigen en ook artsen, onder wie Aletta Jacobs, die in 1892 vlakbij kwam wonen in de Tesselschadestraat.

Alle ‘enkele’ huizen hadden ongeveer dezelfde indeling. In het souterrain waren de bediendenvertrekken en de keuken; op de begane grond was de kamer aan de voorkant meestal bedoeld als kantoor. Daarachter lag de eetkamer, handig tegenover de trap vanuit het souterrain, waar de keukenmeid de schalen kon aanreiken. (Men had een of twee inwonende dienstboden, eventueel aangevuld met dagmeisjes.) Op de eerste etage lagen de salon, de ontvangstruimte en een achterkamer meer privé, daarboven de slaapvertrekken. Er was een badkamer en de meeste huizen hadden een of twee toiletten. Aansluiting op de waterleiding kregen de huizen ongetwijfeld ook, want in 1870 hadden 10.000 woningen in Amsterdam die al. De buizen voor de gasverlichting werden tussen de plafonds aangelegd. Ook het straatlicht was op gas, elke avond aangestoken door een lantaarnopsteker. 

 

Mesalliance

De eerste eigenaar was de jonge weduwnaar Wijnand Bunk (1831-1912). Hij kocht het huis direct van de aannemer en verhuisde op 1 mei 1870 van de Keizersgracht naar Vondelstraat 32 met zijn twee dochtertjes, Johanna en Wilhelmina, en zijn ongetrouwde zus Johanna ‘Nancy’ Bunk, die het huishouden voerde. De familie was hervormd en kerkte in de Waalse Kerk. Tezelfdertijd kwam op 34 de familie Berlage wonen. Nicolaas Berlage was net als Bunk jurist; zijn zoon Hendrik werd later de beroemde architect. In 1878 kreeg Bunk een plek in het provinciale College van zetters voor ’s Rijks directe belastingen (dat toezag op de grond- en personele belasting); kort daarna werd hij Hoofdcommies bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam. Mogelijk had buurman Berlage hem voor beide functies getipt, want die was vóór hem lid van het College van zetters. 

Tien jaar woonde de familie Bunk in de Vondelstraat en die tijd hebben ze de straat vol zien bouwen. Aan beide uiteinden verrees een kerk: aan de kop van de straat de Nederlands-hervormde Koepelkerk in 1879 en op driekwart de Vondelkerk, de rooms-katholieke kerk van het Allerheiligst Hart van Jezus (1880). In 1904 jaar brandde de Vondelkerk af, maar werd direct herbouwd door dezelfde architect, Pierre Cuypers.

Na hun vertrek bleef het huis eigendom van Wijnand Bunk. Jonkheer François van den Santheuvel (1836-1904) en Cornelia Sobbe (1841-1925) betrokken het nu. Zij waren in 1876 getrouwd. Cornelia was van beduidend eenvoudiger komaf dan haar echtgenoot. Haar vader was commissionair in assurantiën, een keurige burgerlijke stand, maar niet van adel – in de betere kringen gold zo’n huwelijk als een ‘mesalliance’. In 1981 schreef historica Isa van Eeghen: “De familie Van den Santheuvel [...] was een familie die nog leefde in een statische tijd. Rang, stand en vermogen speelden daarin een grote rol. Geen groter schande was denkbaar dan een mesalliance met iemand ‘sans le sou’ en nog erger werd het beschouwd zijn fortuin te verliezen.” Het echtpaar Van de Santheuvel verloor zijn fortuin niet, integendeel. Het stel verhuisde in april 1891 naar Den Haag.

 

Muizen

De bewoners bleven op stand. De volgende huurder was de 73-jarige Henriëtta Tolsma, weduwe van de elf jaar eerder overleden advocaat Leendert H. Kuhn, oud-deken van de Orde van Advocaten. Dochter Wilhelmina (44 jaar) en zoon Jacques (39 jaar) woonden nog thuis; drie oudere kinderen waren getrouwd. Jacques Kuhn begon op dit adres met koopman Max Stern de Transatlantische Handelsonderneming en had als eerste bewoner van Vondelstraat 32 een telefoon. Na het overlijden van Tolsma in 1907 trok een alleenstaande vrouw met twee jonge zoons (Willy en Bob) in het huis: Maria Anna van der Tak (32), net gescheiden van Adriaan Hirschig – in die tijd nog een omstreden toestand. Haar familie was vermogend; Maria’s vader was consul in Japan geweest. 

Tussen 1919 en 1932 bewoonde het oudere, katholieke echtpaar Egbert J.C. Goseling en Mathilda C.F. Heijman het huis. Zij kwamen van Huis Marseille, Keizersgracht 401. De inmiddels 68-jarige Goseling was lid van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten geweest. Hij kon terugzien op een glanzende loopbaan, als advocaat en procureur, en als centrale figuur in de rooms-katholieke gemeenschap van Amsterdam. Zoon Carel (1891-1941) werd partij- en fractievoorzitter van de in 1926 opgerichte Rooms-Katholieke Staats Partij en minister van Justitie in het vierde kabinet-Colijn (1937-1939). Dochter Jo woonde bij hen in. Ze lieten de open haarden of houtkachels vervangen door kolenkachels en er kwam elektrisch licht. 

Egbert Goseling had heel wat aan te merken op het huis, weten wij uit een boekje dat hij maakte ter gelegenheid van een verjaardag van zijn vrouw: “Een klein huisje met een gangetje en een smalle trap op een paar meter van de voordeur. De kamers zijn een halve meter te smal. Er is geen spreek- of vestiairekamer. De muren zijn dun. Je hoort de buren rechts en links kuchen, hoesten en niezen. Er is geen gelegenheid brandstoffen via het gangetje naar binnen te brengen. De in- en uitgangen worden versperd door fietsen. Er zitten veel muizen.” Toch vond Goseling dat hij op het mooiste punt woonde “in de prettige, gezellige en heerlijk lichte” Vondelstraat. In september 1932 verhuisden de Goselings naar het Sint Bernardusgesticht, waar ze overleden. De kinderen verkochten het huis in 1938.

 

Roofbezit

De koper was de eerste bewoner die niet tot de elite van de stad behoorde, maar hij was ambitieus en vast van plan om het verder te schoppen dan zijn vader, een loodgieter. De 31-jarige Herman Agtereek, pasgetrouwd met Wilhelmina Jansen (30), was begonnen als kantoorbediende en had in de avonduren cursussen Franse en Duitse handelscorrespondentie en boekhouden gevolgd. Op de begane grond en in het souterrain vestigde hij een bedrijf in kantoormachines. Hij liet het huis aanpassen aan de nieuwe functie en aan de nieuwe tijd: er kwam centrale verwarming op oliestook met “natuurlijke stijging”: heel dikke buizen in het souterrain, die naar boven toe steeds smaller werden. De zaak floreerde. Agtereek begon al snel te verbouwen in een allegaartje van stijlen: een open haard van gemetselde stenen in de salon, houten (nep)balken, glas-in-loodramen, authentieke 17de- en 18de-eeuwse tegeltjes in de gebeeldhouwde houten schouw, enzovoort. 

In de Tweede Wereldoorlog kon hij geen Amerikaanse kantoormachines meer invoeren en legde hij zich toe op Duitse merken en op reparatie. Om zijn bedrijf uit te breiden kocht hij in 1943 voor 18.000,- Vondelstraat 100 erbij. Eigenaar Izaak Cohen Bendiks was een maand eerder samen met zijn vrouw Mirjam Jacobson naar Westerbork gestuurd. De verkoper was de Niederländische Grundstücksverwaltung, de Duitse instelling die van Joden geroofd bezit verhandelde. Agtereek gaf zijn bedrijf ook een andere naam: Organisatie voor Machine-Toepassing, Ormato. Na de oorlog werd hij vrijgesproken van collaboratie, maar voor de aankoop van het huis kreeg hij een boete. Kopers van geroofd Joods bezit waren in beginsel te kwader trouw, oordeelde de Raad voor Rechtsherstel.

Op 25 februari 1953 overleed Herman Agtereek plotseling. Zijn weduwe verkocht Vondelstraat 100 en bleef vanaf 1960 helemaal alleen in Vondelstraat 32 achter. Ze liet het bedrijf zoals het was; de werkbanken, de bureaus, alles stond er nog. Onderhoud deed ze niet meer. Uiteindelijk werd ze in 1972 opgenomen in de Psychiatrische Kliniek Wolfheze. De curator hief Ormato op en verkocht het huis. 

 

Woongroep

Nieuwe tijden deden in 1973 hujn intrede met Woongroep De Volle Maan. Zes mensen – drie werkenden en drie studenten – die zich ‘woongroep’ noemden om zich te onderscheiden van een commune. In communes deelde iedereen alles met elkaar en bovendien leken die vaak wat aan de rand van de maatschappij te staan, terwijl in hun woongroep wel een gemeenschappelijke ruimte was, waar ze samen aten, maar elke bewoner een eigen kamer had.

Het huis zag er verschrikkelijk uit, uitgewoond en vervuild. De zes sloegen aan het opruimen en herstellen. Al na twee jaar viel de groep uiteen. Een van de bewoners wilde er met zijn vriendin en haar dochter blijven wonen. Hij kocht het huis samen met een vriend, die zijn vriendin meebracht – zo kwam ik hier. Het huis werd in twee woongedeelten verdeeld. Begin maart 1980 reden de tanks door de Vondelstraat, bij de krakersrellen vanwege de ontruiming van Vondelstraat 72 (op de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat). Wij zaten in de achterkamer, omdat in de voorkamer het traangas door de kieren van de ramen kwam. 

In 2019 is de buurt weer net als in 1870: prettig, gezellig, en alleen betaalbaar voor mensen die veel geld hebben. Gelukkig zie je er ook nog de grijze hoofden van de (minder rijke) mensen die er al heel lang wonen.

MARCELLA BLOK SCHREEF HET BOEKJE VONDELSTRAAT 32. DE GESCHIEDENIS VAN EEN AMSTERDAMS HERENHUIS 1870-1980. ZIE: WWW.MARCELLA-BLOK.NL

 

 

Beeld: De Vondelstraat, collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Juninummer 2019

Juninummer 2019
Delen:

Buurten:
Zuid
Dossiers:
Architectuur
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Verhaal
Editie:
Juni
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950 1950-2000 Vanaf 2000