Amsterdamse Akten: Drie Amsterdamse boekdruksters

Ongetrouwde vrouwen en weduwen hadden zelfbeschikkingsrecht

Elisabeth Sweers was ‘boekdruckster’ en dat was tamelijk uitzonderlijk in de 17de eeuw. Twee van haar dochters werkten ook in de drukkerij. Gedrieën gaven zij boeken uit onder de naam van Elisabeths overleden echtgenoot Paulus Aertsz. van Ravesteijn.  

Op 7 januari 1660 verschenen dertien medewerkers in dienst van ‘boekdruckster’ Elisabeth Sweers (1584-1661) voor notaris Jacob de Winter. Vrouwelijke boekdrukkers waren er niet veel. Elisabeth was de weduwe van Paulus Aertsz. van Ravesteijn (1581-1655), een van de grote drukkers van de 17de eeuw. Hij had zijn drukkerij in Amsterdam sinds 1610 en is onder andere bekend van de Statenbijbel, die hij overigens drukte in Leiden, waar hij in 1635 naartoe verhuisde. De Amsterdamse zaak deed hij toen over aan zijn zoon Nicolaes. Omstreeks 1646 keerde Paulus met de gehele drukkerijboedel weer terug naar Amsterdam. Hij drukte vooral bijbels, maar ook psalmen, catechismussen en ander werk.

Na zijn overlijden zette Elisabeth het bedrijf voort – een praktijk die tamelijk gangbaar was voor weduwen in vroegmodern Amsterdam. De weduwe van een koopman, bijvoorbeeld, kon zich presenteren als ‘koopvrouw’ en de weduwe van een houtkoper als ‘houtkoopster’. Wat niet wil zeggen dat de vrouw in kwestie dit beroep daadwerkelijk uitoefende. Niet zelden voerden weduwen slechts in naam de werkzaamheden van hun echtgenoot uit, terwijl er een man in dienst genomen was voor de praktische uitvoering. De vermelding ‘boekdruckster’ betekende dus niet per se dat Elisabeth zelf in de zaak actief was. Zo werkte haar neef Jeronimus Sweers blijkens de akte uit 1660 in de drukkerij als ‘meester drucker’. Had hij mogelijk de dagelijkse verantwoordelijkheid en stond de 77-jarige Elisabeth op veilige afstand van de drukpers?

Zelfbeschikking

Uit testamenten van na Paulus’ overlijden in 1655 blijkt dat de zaken anders lagen. Nog hetzelfde jaar liet zij een testament opstellen met de bepaling dat zij de boekdrukkerij “is continuerende” en dat als ze onverhoopt kwam te overlijden “eenige drukken en wercken” die nog “onvoltrokken onderhanden” waren door haar kinderen en erfgenamen “tot kosten van ’t gemeen sterfhuijs” voltooid moesten worden.

Wie die erfgenamen waren, weten we dankzij een testament uit 1658. Elisabeth liet aan haar twee ongetrouwde dochters Hester en Elisabet (zonder h) van Ravesteijn “alle de gereetschappen vande boekdruckerij [na] (waar in sij […] na haar mans dood is blijven sitten) bestaande in parssen, korregeersteenen, ramen, kassen, item houte ende andere letteren, matrizen, bankken, stocken ende plankken ende alles meer dat tot de gereetschappen vande boekdruckerij behoort […], niets uijtgesondert”. Kort voor haar dood in 1661 meldde Elisabeth bovendien dat haar dochters – “voornamentlijk d’gemelte Hester van Ravesteijn” – de drukkerij en de handel “hebben opgehouden ende waargenomen”, waardoor “seer goede ende merkelijke winsten” gemaakt zijn.

Hester (162?-1692) en Elisabet (1624-1681) speelden dus al tijdens het leven van hun moeder een belangrijke rol in de drukkerij – een betrokkenheid die alleen maar toenam na haar overlijden. Dat had alles te maken met hun huwelijkse staat. Ongetrouwde vrouwen als zij hadden – net als weduwen –zelfbeschikkingsrecht. Een juridische positie die natuurlijk alleen een vermogende vrouw kon benutten, niet wie aangewezen was op geldelijke steun van een kostwinner.

Rollen

De twee zussen zaten bepaald niet krap bij kas, blijkt uit de testamenten die zij in 1662 en 1664 gezamenlijk lieten opmaken. Kinderen van hun twee zussen Maria en Margareta en hun broer Nicolaes ontvingen legaten van enkele duizenden guldens. In 1664 is bovendien nog een interessant legaat ter waarde van 100 zilveren ducatons opgenomen voor hun ‘dienaer’ Gerrit van Doesburgh, die “als dan nogh bij haer is wonende, maar andersints niet”.

Aangezien de drukkerij, de boekwinkel en het woonhuis bij elkaar in de Zandstraat stonden, is het niet onlogisch dat Van Doesburgh zijn intrek bij Hester en Elisabet had genomen. Maar misschien was zijn rol toch groter dan die van ‘boekdrukkersgezel’, die hem in de akte van 1660 door Elisabeth werd aangemeten. Een liefdesrelatie met een van haar dochters lijkt overigens onwaarschijnlijk: in 1668 ging Gerrit, inmiddels boekverkoper, in ondertrouw met Geertruijd Schimmelpenningh. Getuige was de Amsterdamse dominee Samuel Coop van Groen, de weduwnaar van Maria van Ravesteijn en dus de zwager van Hester en Elisabet.

Binnen de drukkerij lijkt de rol van neef Jeronimus – alleen in de akte van 1660 aangeduid als meesterdrukker – aanzienlijk kleiner te zijn geweest dan die van zijn tante en haar twee dochters. Des te opmerkelijker is het dat deze drie ‘boekdrucksters’ tot op heden goeddeels onbekend waren. Zij hebben tussen 1655-1670 enkele tientallen werken gedrukt onder de firmanaam ‘Paulus Aertsz. van Ravesteijn, wed. en erven’. Dankzij de passages uit de testamenten weten we nu welke namen achter die firma schuilgingen en zijn deze drie vrouwelijke Amsterdamse boekdrukkers uit de vergetelheid gehaald.

 

Jirsi Reinders, #3 maart 2021

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers Kunst en Cultuur
Editie:
Maart
Jaargang:
Rubriek:
Amsterdamse Akten
Tijdperk:
1600-1700