Amsterdams oudste kunstgebit

Warmoesstraatbewoner had nijlpaardtanden

Vraag een doorsnee Nederlander wanneer het eerste kunstgebit gemaakt werd en hij staat met zijn mond vol tanden. En als er dan maar gegokt wordt, is het doorgaans op de eerste helft van de 20ste eeuw, toen er steeds meer kunststoffen werden uitgevonden. Mis! In de Warmoesstraat werd een 18de-eeuws kunstgebit gevonden. En elders was men er al veel eerder bij.

De alleroudste Europese kunstgebitten, gevonden in Italië, dateren maar liefst uit de 6de eeuw voor Christus! Ze waren gemaakt door de Etrusken, het cultuurvolk dat het wat later tegen de naburige Romeinen moest afleggen. Daarna raakte de techniek kennelijk vergeten. De eerstvolgende berichten over gebitsprotheses dateren pas van het eind van de Middeleeuwen. Alweer Italiaanse bronnen beschrijven het inzetten van tanden van overledenen en eveneens het gebruik van kunsttanden. Dit waren echter uitzonderlijke experimenten.

De eerste Europese afbeeldingen van kunstgebitten zijn van Ambroise Paré, een arts uit Parijs (1520-1590). Daarvoor werden menselijke tanden gebruikt, of ze werden gemaakt uit dierlijke materialen, zoals botten van grote zoogdieren of de tanden van olifanten, walrussen of nijlpaarden. Er werd herhaaldelijk gezocht naar alternatieve materialen; in de 18de eeuw werden bijvoorbeeld porseleinen kunstgebitten gemaakt. Menselijke en dierlijke materialen bleven echter in gebruik tot in de tweede helft van de 19de eeuw. Vanaf deze periode werden kunstgebitten van rubber gemaakt.

Er zijn slechts enkele gebitsprotheses bekend uit opgravingen buiten Italië. Een vroege vondst is een bovengebit uit de 16de of 17de eeuw, gevonden in een kerk in het Duitse Göppingen. Een 18de-eeuws gebit kwam tevoorschijn uit een Engelse beerput, in Rochester. In ons eigen land zijn enkele kunstgebitten gevonden in Alkmaar: twee 17de-eeuwse kwamen uit een beerput van een woonhuis en twee (respectievelijk uit de 18de en de 19de eeuw) uit de Grote Kerk. Uit het feit dat enkele gebitten gevonden zijn in kerkgraven, duidt er op dat de prothesedragers rijk waren.

Gezien die zeldzaamheid, was de gemeentelijke afdeling Archeologie in 1983 dan ook zeer content met de vondst van twee kunstgebitten in de beerput van Warmoesstraat 107. De vondsten uit de beerput dateren van het begin van de 16de eeuw tot de 18de eeuw. In een eerdere publicatie (van IJzereef en Pot, 1988) worden de gebitten 17de-eeuws genoemd, maar uit recent onderzoek blijkt dat ze gemaakt zijn in de tweede helft van de 18de eeuw. In die beerput was overigens nog veel meer te vinden: aardewerk, een houten lepel, breipennen, spelden en naalden en enkele muntjes.

Nijlpaardivoor

De kunstgebittenvondst gaat om een boven- en ondergebit, waarschijnlijk van één persoon. Het bovengebit vervangt vier snijtanden en een hoektand, het ondergebit vervangt vier snijtanden. Gaten in de beide kunstgebitten dienden voor de bevestiging. Kunstgebitten werden bijvoorbeeld met draadjes aan de tanden ernaast bevestigd.

In de publicatie van IJzereef en Pot was het bovengebit oorspronkelijk gedetermineerd als potvis- of nijlpaardivoor, het ondergebit als bot. Sinds 1988 is veel vooruitgang geboekt in het materiaalonderzoek en met name in het onderscheid tussen ivoor van verschillende diersoorten zoals olifant, walrus en nijlpaard (Rijkelijkhuizen, 2004). Nader onderzoek in dit kader toonde aan dat beide gebitten vervaardigd zijn uit nijlpaardivoor. Het bovengebit is gemaakt uit een hoektand, het ondergebit waarschijnlijk uit een snijtand van een nijlpaard.

In 1761 schreef C. Nozeman in zijn boek De dierlyke wereld dat gebitten meestal van walrusivoor werden gemaakt. Maar F. Houttuin repliceerde prompt in zijn Natuurlijke historie dat dit een ‘dwaaling’ was; walrussen en nijlpaarden werden wel vaker met elkaar verward. Hoe dan ook, nijlpaardtanden zijn “veel duurzaamer dan die van Walrus, en met een zeer witte Korst overtoogen. (…) Hierom zyn deeze Tanden thans nog zeer duur, geldende wel drie Guldens het Pond.”

Wij weten nu dat de genoemde ‘witte korst’ de emaillaag is, die een deel van de tanden van het nijlpaard bedekt. Die lijkt sterk op het glazuur op menselijke tanden. De witte laag is te zien op de voorkant van het bovengebit uit de Warmoesstraat. Op het ondergebit is geen emaillaag aanwezig, waardoor deze sterker verkleurd is.

Het verwerken van nijlpaardivoor was door de hardheid van het materiaal niet eenvoudig: echt specialistenwerk. Ook in de 19de eeuw bleef het duur. Een “geheel gebit in zeepaardtand” kostte ƒ 130, een “boven- of benedengedeelte ieder afzonderlijk in zeepaardtand” ƒ 70, blijkt uit een advertentie uit de Amsterdamsche Courant uit 1856. Alleen de puissant rijken konden zich zoiets veroorloven. De meesten moesten het op latere leeftijd doen met een tandeloos bekkie…

Tekst: Marloes Rijkelijkhuizen, Loes van Wijngaarden-Bakker en Jerzy Gawronski
Foto: Stadsarchief
Mei 2006

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Archeologie
Editie:
Mei
Jaargang:
2006 58
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1700-1800