Amsterdam in de film

De cineasten Joris Ivens en Henk Kleinman maakten eind jaren twintig twee prachtige films over het bruisende stadsleven van Amsterdam. In Regen en Zeemansvrouwen brengen ze een ode aan de stad, die de hoofdpersoon is, niet het decor. De films zijn te zien tijdens de tentoonstelling Modern Perspectives over foto en film in het Stadsarchief. Regen is integraal te zien in de tentoonstellingszaal, naast allerlei fragmenten uit onder meer Zeemansvrouwen. Rommy Albers zal de film Zeemansvrouwen eenmalig vertonen en inleiden op zondagmiddag 27 oktober.

Een zee van paraplu’s op de Dam. Druppels flonkerend als diamanten aan een brugleuning bij de Oudezijds Kolk. Tramwielen door een plas op het Rokin. Amsterdam is een stad onder water in Regen, de twaalf minuten korte film van Joris Ivens en Mannus Franken uit 1929. Een journalist van de Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef op 11 februari 1930: “Men moet er zich aan overgeven met de rust van een opiumschuiver, die de gevolgen van zijn bedwelming afwacht.” 
In oktober 1929 filmde cameraman Andor van Barsy de Edison Lichtweek ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de gloeilamp. Tientallen zuilen van licht geven het avondlijke Damrak een sprookjesachtig aanzient. Op de Dam is een raket van licht verrezen. De ramen van Hirsch op het Leidseplein ogen als de vensters van een ruimteschip. De beelden vormen het begin van Zeemansvrouwen (1930) van Henk Kleinman. Criticus Loe Jordaan van De Groene Amsterdammer zag een “a-dramatische” vertelling uitgedrukt in een “zuiverheid van stijl en een kracht van visuele emotie die niet te vergelijken zijn met vroegere Nederlandse speelfilms”. 
Regen en Zeemansvrouwen zijn grotestadsfilms. Odes aan de stad, waarin Amsterdam een personage is. Maar hoe Amsterdams ook, een andere metropool was de bron van inspiratie. 

 

Verleidingen

In augustus 1921 verhuisde de 23-jarige Joris Ivens naar Berlijn, om te studeren aan de Technische Hogeschool. Het was een stap richting de leiding van het familiebedrijf, de foto- en filmhandel CAPI (de initialen van zijn vader, Cornelis Adrianus Peter Ivens). Aan filmen dacht hij nog lang niet. De onbekrompen en kosmopolitische Duitse hoofdstad was vol verleidingen. “Berlijn kookte letterlijk en ik had meteen al het gevoel dat ik binnen was gedrongen in een universum waar, geheel in tegenstelling tot Holland, de mensen en ideeën zich in een staat van onevenwichtigheid en vrijheid bevonden vanwaaruit ieder zich in het avontuur van het leven kon storten zoals hem of haar goed dacht”, schreef Ivens meer dan zestig jaar later in zijn autobiografie Aan welke kant en in welk heelal.
Alles leek in Berlijn uit het lood geslagen. Het sleutelwoord was dynamiek. In de galeries ontdekte Ivens onder meer tekenaar en schilder George Grosz. Metropolis (1917): de drukte van de stad in felle rode kleuren, een en al beweging, de mens overweldigd door wolkenkrabbers, beklemd in een labyrint van straten en stegen. In de bioscopen draaide de expressionistische horrorfilm Das Kabinet des Dr. Caligari (1920) van Robert Wiene, vol scheve huizen en hellende straten. 
Najaar 1926 verruilden Ivens en zijn vriendin, de fotografe Germaine Krull, Berlijn voor Amsterdam. In hun kunstenaarshuis aan de Amstel 190, met uitzicht op de Blauwbrug, en in de cafés Reynders, Américain en De Kring op het Leidseplein bespraken beeldend kunstenaars, schrijvers en architecten van de Nederlandse avant-garde twee onderwerpen: het nieuwe medium film en de mens in de moderne stad.

 

Het hele artikel lezen? Je vindt het in het oktobernummer van Ons Amsterdam, dat 4 oktober verschijnt.

Dit nummer niet missen, maar nog geen abonnee? Meld je aan vóór vrijdag 20 september 16:00 u.!

 

Beeld: Still uit 'Regen' van Joris Ivens

 

Delen: