Amsterdam aan het strand

Baden & zonnen in de stad

Het was de zomerhit van 2003: strand Blijburg op IJburg. En op het dak van Nemo is al sinds 2000 ’s zomers een strandje (weliswaar zonder zand, maar mét strandstoelen en parasollen), net als op het Stenen Hoofd en in Noord. Een rage, ja, maar geen primeur. Al voor en direct na de oorlog waren er in de stad genoeg alternatieven te vinden voor een dagje Zandvoort.

Net als Blijburg was ‘klein Zandvoort’ of ‘het Zandland’ het aangename bijproduct van een grote stadsuitbreiding. In 1928 werd de polder ten zuiden van de Stadionkade opgespoten met zand. Hierop moesten woningen verrijzen. Maar door de crisisjaren en de oorlog werd de bouw ervan jaren uitgesteld. Het gebied dat zich van de Stadionkade tot aan de Zuidelijke Wandelweg in Buitenveldert uitstrekte, had het aanzien van een uitgestrekt duinlandschap. Theo van Bakergem, een van de velen die ons op ons verzoek zijn herinneringen stuurde, verhuisde met zijn familie in 1934 naar een gloednieuwe woning op de Stadionkade. Vanaf de derde verdieping had hij vrij uitzicht over de zandvlakte tot aan het kerkje van Buitenveldert. Van Bakergem herinnert zich het smalle bruggetje voor voetgangers en fietsers over het Zuider Amstelkanaal. Aan weerszijden daarvan werden de aflopende oevers van het zandland in warme zomers gebruikt als strandje. “Daar zaten de moeders dan in meegebrachte ligstoelen of op handdoeken te zonnen. En werden door de kinderen zandkastelen gebouwd, of werd door hen pootje gebaad, en door sommigen zelfs voor zover mogelijk gezwommen.” Het water was niet echt geschikt om erin te zwemmen, het was ondiep en modderig. Van Bakergem: “Toen het water werd weggepompt omdat er een beschoeiing moest worden aangelegd, kwamen er kilo’s paling uit de modder naar boven. Dat wijst toch wel op een veenbodem.”

Tijdens de oorlogsjaren raakten de stadsbewoners steeds meer aangewezen op deze stadsstrandjes. De Noordzeestranden waren immers door de bezetter tot verboden gebied verklaard, en het werd steeds moeilijker om de stad te verlaten. In Nieuw-Zuid –Bibliotheek van Amsterdamse herinneringen (2003) beschrijft J.L. Dulfer hetzelfde strandje (bij de huidige Parnassusweg), waar zich met name tijdens de oorlog een uitgebreid strandleven ontwikkelde met ligstoelen en zelfs kleedhokjes. In hetzelfde boekje vertelt J.A. van der Veen dat hij pogingen deed om zandkastelen te bouwen. Tevergeefs. “Het zand was veel te droog en te fijn. Zodra je iets opgebouwd had, zakte het hele zaakje weer in elkaar.” Het Zandland verdween na de oorlog, toen het laatste deel van de bouwplannen van Plan Zuid alsnog werden uitgevoerd.

Lonken naar de matrozen

Een ander bekend stadsstrand was ‘het Zandje’ of ‘de Badplaats’ bij de Prins Hendrikkade. Al voor de oorlog was men daar begonnen met de voorbereidingen voor de aanleg van de IJtunnel. Ter verbreding van de Prins Hendrikkade was op het gedeelte tussen de Kikkerbilsluis tot aan het Scheepvaartmuseum zand gestort. Door de oorlog en door rijksbezuinigingen duurde het echter tot 1961 voordat met de bouw werd begonnen. Tot die tijd was het strand vooral populair bij de bewoners van de Oostelijke Eilanden, voor wie het strand tijdens warme zomerdagen een aantrekkelijk alternatief vormde voor de kleine, overbevolkte bovenwoningen van Kattenburg en Oostenburg. Anneke Wieffering woonde op Oostenburg en zag regelmatig kans om aan het oog van haar moeder te ontsnappen. Samen met een vriendinnetje toog zij naar het strandje, waar zij zich voorzichtig ontdeden van schoenen en sokken om pootje te baden. Zorgvuldig werden de paaltjes in het water vermeden, want daar was het water een stuk dieper. Gezwommen werd er niet door kinderen, die doorgaans pas vanaf hun achtste jaar zwemles kregen.

Er was nog een andere reden waarom maar weinig mensen te water gingen. An Karbet groeide op in de Foeliestraat, waar haar ouders een melkhandel hadden. Omdat het strandje op maar enkele meters van haar huis lag en de Prins Hendrikkade nog geen drukke doorgaande weg was, mocht zij al vroeg zonder begeleiding naar het strand. “Bij de paaltjes dreven vaak kadavers van dode honden. Helemaal opgeblazen. Je keek als kind wel uit om daar in de buurt te komen. Dat was vies en gevaarlijk. Sowieso was het water veel viezer, het stonk echt in de stad.”

Wie wel het risico van ziekte en ander ongemak namen, waren de wat oudere meisjes die naar de matrozen aan de overkant lonkten. Voor de aanleg van de IJtunnel lag op die plaats nog een deel van het marinecomplex. Willem Bosschert zat begin jaren vijftig als zeemilicien (dienstplichtige) in opleiding voor telegrafist op de Verbindingsschool van de Marine. “Op mooie zomerdagen zag je een strand vol meisjes die de matrozen lagen uit te dagen. Sommige meisjes zwommen zelfs naar de wallenkant van het Marinecomplex waar ze door de matrozen op de wal werden gehesen want zonder hulp kon je er niet op.” Volgens An Karbet, die zich deze taferelen ook kan herinneren, was het allemaal vrij onschuldig. “Er was zoveel afstand tussen jongens en meisjes, je deed gewoon niets met elkaar, behalve een beetje pret maken. Je moet weten: het was net na de oorlog en alles was zo vies. Maar de matrozen hadden echte zeep, die roken zo fris. Ze waren geschoren en ze hadden een mooi pak aan. Daarom waren ze populair bij de meisjes.” Of er echt romances zijn ontstaan uit deze strandontmoetingen is niet bekend. Wel dat niet alle meisjes zich hielden aan de zeden van die tijd. Bosschert: “Er was helemaal op de punt van de kade, waar nu het Nemo ligt, een bunkertje. Sommige matrozen trokken zich daar terug met een meisje. Nee, ik heb geen flauw idee wat ze daar uitspookten, hahaha.”

Zwemmen tussen de rotte appelen

Het Zandland en de Badplaats hebben jarenlang bestaan en waren stranden van formaat. Het Zandland mat ongeveer 300 meter, de Badplaats aan de Prins Hendrikkade zo’n 200 meter. Maar er waren ook kleinere, minder bekende stadsstrandjes. Meneer of mevrouw Dessing vertelt over het strandje aan het Westelijk Marktkanaal, waar kinderen uit West vertier zochten. Zandvoort en IJmuiden waren ver en duur in de crisisjaren, dus het strandje was een mooie uitkomst. “Wij stonden er met meegebrachte boterhammen en thermosflessen thee en koffie, met een kubusvormig geel/wit gestreepte strandtent, die op vier palen werd opgezet en vastgesjord met lijnen en houten haringen – om je decent om te kleden. Mijn zusje heeft er nog zwemmen geleerd, er was onder de regelmatige bezoekers een badjuffrouw; bij mij is dat vanwege toen nog grote watervrees nog niet gelukt.” Tilly Brand leerde er wel zwemmen en zwom er tussen de rotte appeltjes naar de overkant. Die appeltjes waren volgens haar afkomstig van de Centrale Markthallen die net waren gebouwd, waar een groentehandelaar ze blijkbaar in het doodlopende kanaal dumpte.

De heer Leideritz speelde in zijn jeugd op een strandje bij de westgevel van de in 1933 gebouwde Sint Augustinuskerk aan de Postjesweg. Dat was niet zonder gevaar. Het zand lag op het veen en dat leidde tot drijfzandvorming. Leideritz: “Ik zakte als negenjarige jongen tot mijn borst in het zand weg. Gelukkig riepen mijn vriendjes de hulp in van twee werklieden die gewapend met een ladder en een plank mij van de ondergang hebben gered.” Ook mevrouw Van der Burght-Peetoom ontsnapte ternauwernood aan de verdrinkingsdood. Zij was als vierjarige op het strandje bij het Westelijk Marktkanaal tussen de wal en de beschoeiing terechtgekomen en kopje onder gegaan. “Ineens hoorden mijn moeder en oma op echt Amsterdamse wijze roepen: “Daar verzuipt er een!” Dat was ik. Een man of grote jongen greep me en op de oever werd ik ondersteboven gehouden, zodat het water eruit kon lopen. Mijn redder heb ik helaas nooit kunnen bedanken.” Minder fortuinlijk was het kind dat vlak na de oorlog bij het strandje aan het einde van de Oude Hemweg verdronk. Op Theo Bakker - die toen zo’n jaar of vijf, zes was, maakte dat een dramatische indruk. “Er ontstond grote commotie. Mijn moeder pakte onmiddellijk haar spullen en vertrok met ons naar huis.” Het strandje verdween kort daarna toen het kanaal werd verbreed.

Bewoners van de Pijp hadden hun eigen kleine strandje aan de Amstel. Het lag op de plek waar eind jaren dertig het Roeicentrum en de oprit van de Berlagebrug werden aangelegd. In de novelle Over het water van H.M. van den Brink wordt de hoofdpersoon als kind door zijn onzekere moeder meegenomen naar het strandje. Na de eerste gelukkige indrukken van het kind dat in aanraking met het water komt, gaat het mis. Hij stapt in een spijker. Zijn moeder raakt in paniek en sleept het kind naar huis. “Aan mijn vader heeft ze waarschijnlijk nooit iets verteld van ons bezoek aan ons strand en van haar paniekerige falen. We zijn er die zomer ook niet meer in de buurt geweest. Wel herinner ik me dat er bij ons thuis, vele maanden later, met tevredenheid gesproken werd over het einde van de bouwwerkzaamheden in de wijk. Alles was dicht. De laatste klinker was gelegd. Nu zou het altijd vrede blijven.”

De terugkeer van het stadsstrand

Na de wederopbouw was de stad min of meer af. De strandjes waren ontstaan in de schaduw van de grote stadsuitbreidingen van de jaren twintig en de jaren vijftig en verdwenen met de voltooiing ervan. Voor de Amsterdammers was dat nauwelijks een gemis, want zij konden voortaan terecht in de nieuwe openluchtbaden in de stad. Door de uitbreiding van het openbaar vervoer en de toename van het eigen autobezit, was een ritje naar een recreatiegebied aan de rand van de stad geen grote of onbetaalbare onderneming meer. Zo nu en dan kon men nog wel terecht op een plekje in de binnenstad. Zo is er ongeveer tien jaar geleden heel even een strandje geweest op het terras van het gloednieuwe Holland Casino. Maar de echte comeback van het stadsstrand dateert van 2000. Nu Zandvoort en het trendy Bloemendaal zijn overspoeld door de massa en de eindeloze files naar het strand een bijna onneembare barrière voor een strandbezoek zijn geworden, is het stadsstrand weer helemaal ‘in’. Maar anders dan vroeger zijn deze stranden ontwikkeld door ondernemers met een feilloos gevoel voor de tijdgeest. En met zo’n succes dat een politieke partij in stadsdeel Centrum vorige jaar het plan opperde om weer een strand aan te leggen in het Oosterdok. Compleet met palmbomen, strandstoeltjes en een waterzuiveringsinstallatie zodat de bezoeker zonder angst voor zijn gezondheid te water kan gaan.

Delen:

Jaargang:
2004 56

Gerelateerd

Welke geheimen verbergt Lizzy Cottage?
Welke geheimen verbergt Lizzy Cottage?
Column 1 mei 2014
Aprilnummer 2014
Aprilnummer 2014
8 april 2014
Leidseplein, 9 mei 1921
Leidseplein, 9 mei 1921
Hier gebeurde het 16 april 2013