Amstel 58, 15 oktober 1912. De eerste padvindsters

“Ik zal ernstig trachten mijn plicht te doen tegenover God, Koningin en Vaderland.” Zo moet het op 15 oktober 1912 ongeveer geklonken hebben uit 27 meisjeskelen in gebouw ‘Salvatori’ op Amstel 58 (nu De Kleine Komedie). Daar legden de eerste padvindsters van Amsterdam honderd jaar geleden onder het toeziend oog van hun ouders hun ‘belofte’ af, nadat ze eerst nog geluisterd hadden naar een vermanend woord.

“De meisjes werden toegesproken door mevrouw Den Tex-Boissevain, die wees op de verplichtingen welke zij als padvindsters op zich namen. Inzonderheid wees de spreekster er echter op, dat deze verplichtingen nooit mogen afhouden van de eisen welke door school of huisgezin gesteld worden.”
Het Algemeen Handelsblad deed op 16 oktober 1912 verslag van de allereerste bijeenkomst van padvindsters in Amsterdam. De aanwezige meisjes verschilden flink in leeftijd. Ze waren in de afgelopen maanden al regelmatig in aparte groepen van acht bijeengekomen onder toezicht van hun jeugdige leidsters. De activiteiten van deze ‘patrouilles’ hadden zich vooralsnog beperkt tot wandelen en spelen, maar eenmaal verenigd tot een groter geheel was het nu tijd voor de ‘echte’ padvindersdingen.
“Terwijl de muziek – een padvindersstrijkje onder leiding van den heer G.J. Robbers – het Wilhelmus speelde, bezegelden de meiskens hunne belofte met een handdruk aan mevrouw Den Tex. Een groot aantal jeugdige padvinders woonde de plechtigheid bij, na afloop waarvan door den heer E. Heijmans een voordracht met lichtbeelden werd gehouden over paddenstoelen.”
Toen de eerste Amsterdamse meisjes in het najaar van 1912 officieel als padvindsters werden geïnstalleerd, bestond de padvinderij nog niet zo lang in Nederland en evenmin eigenlijk in het geboorteland van de beweging, Groot-Brittannië. Ruim vier jaar eerder pas (in 1908) waren daar op initiatief van de legendarische Baden Powell de eerste groepen ‘scouts’ gevormd en in 1910 had Nederland kennis gemaakt met de padvinderij.
In dat jaar trokken ook de eerste Amsterdamse padvinders erop uit in hun ‘patrouilles’ en in 1911 werden in een van de barakken van het militaire kamp aan de Zeeburgerdijk acht ‘troepen’ van de hoofdstedelijke padvinderij officieel ingedeeld. Alleen jongens waren lid van deze groepen, die in stoere uniformen en gewapend met stokken onder andere langs de Diemerzeedijk hun verkenningstochten uitvoerden.

 

Poppen boetseren

De padvinderij groeide in deze jaren in Amsterdam net als in de rest van het land stormachtig, want de formule van Baden Powell sloeg aan. Kleine groepen kwamen vaak spontaan tot stand met steun van welgestelde burgers, die de kinderen bij hen thuis gelegenheid gaven tot samenkomen.
Hoewel de beweging er prat op ging ook ‘fabriekskinderen’ aan te trekken, waren de eerste padvinders kinderen van ouders uit de gegoede burgerij. Dat kon haast niet anders, alleen al omdat ze moesten beschikken over vrije tijd en geld voor een uniform en andere attributen. In Den Haag, Amersfoort en Leiden kwam het in 1911 al tot de vorming van groepen padvindsters, die ook wel ‘meisjesgezellen’ werden genoemd. Amsterdam was dus zeker niet de eerste stad waar deze meisjespadvinders zich verenigden in groter verband.
Koekjes bakken, eerste hulp bij ongelukken en touwtjespringen: dat waren de mogelijke activiteiten voor de Amsterdamse meisjes die in het Algemeen Handelsblad van 26 oktober 1912 genoemd werden in een oproep aan dames om zich te melden als leidster. Dat was natuurlijk wel wat anders dan het spannende spoorzoeken, hutten bouwen en kampvuur maken dat de padvinderij voor jongens in deze jaren tot zo’n succes maakte.
Maar waarschijnlijk was het ook voor de meisjes spannender dan het hier klonk. Afgaande op wat de padvindsters in de rest van het land voorgeschoteld kregen, mogen we aannemen dat ook het verkennen, kamperen en het leggen van ingewikkelde knopen in het Amsterdamse programma een plaats kregen. Die kant van het padvindstersleven voltrok zich in besloten kring en blijft dus aan onze waarneming onttrokken, maar van andere verrichtingen van de meisjes zijn we dankzij de pers redelijk op de hoogte.
Op 3 mei 1913 waren ze blijkens een kort berichtje in het Algemeen Handelsblad met een tent aanwezig op de tentoonstelling ‘De Vrouw’ op het Amsterdamse landgoed Meerhuizen aan de Amsteldijk. Ze stonden er met door henzelf uit plasticine geknede poppen, die het padvindstersleven verbeeldden. Verder waren ze op het tentoonstellingsterrein behulpzaam met een opgewekte gedienstigheid. Vooral hun met naald en draad verleende “hulp bij ongelukken aan de kleding” van de bezoeksters werd hogelijk gewaardeerd.

Wij zijn bereid
In het Handelsblad van 10 mei 1913 lezen we dat de meisjes van de Amsterdamse ‘Primula-patrouille’ een feestavond hielden in de Moorsche Zaal van het American Hotel. Hoogtepunt van de avond was het zingen van de Nederlandse vertaling van het padvinderslied We Are Prepared onder leiding van mevrouw H. Hopman-Kwast. Troepleidster mevrouw M. Cijfer van Wijngaarden werd verrast met een bloemstuk waarin een zilveren signaalfluitje verborgen zat. Het padvindersorkestje van G.J. Robbers was weer van de partij en er was bal na.
De padvindsters van Amsterdam bekommerden zich ook om het lot van minder bedeelde stad- en leeftijdgenoten, getuige de bijeenkomst die ze op 2 januari 1914 organiseerden in de toneelzaal ‘Oost-Indië’ in de Watergraafsmeer. Een “uitdeling aan een vijftigtal behoeftige Amsterdamse kinderen” werd daar blijkens een berichtje in het Handelsblad gecombineerd met een feestavond voor de ondersteunden. De vrolijke kinderlach was er niet van de lucht.
In de zomer van 1914 telde Amsterdam inmiddels zo’n zeventig padvindsters. Een aantal van hen kampeerde in augustus van dat jaar met hun Leidse vriendinnen op de Veluwe. Maar wat een hoogtepunt in hun padvindstersleven had moeten worden, liep uit op een teleurstelling. De kampeervakantie werd voortijdig afgebroken in verband met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de algemene mobilisatie die daarop in Nederland volgde.
Diezelfde maand nog vinden we Amsterdamse padvindsters bij het Walenweeshuis op de Vijzelgracht (nu Maison Descartes) als toezichthoudsters bij de uitdeling van voedselbonnen aan behoeftigen. Zo kwamen de meisjes ook in oorlogstijd hun plicht tegenover God, Koningin en Vaderland na overeenkomstig hun padvindersbelofte. Blijkens een bericht daarover in het socialistische dagblad Het Volk van 24 augustus 1914 werd het bedillerige en soms ook giechelige toezicht van 13- en 14-jarige meisjes op volwassenen door de wachtende werklozen als vernederend ervaren.

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman

 

Beeld: Viering van het 10-jarig bestaan van de Nederlandse Padvindsters Gilde in het vereningingsgebouw, Amstelveenseweg 122, 1926. Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1900-1950

Gerelateerd

Stadsschouwburg, Leidseplein 26, 13 september 1926: De laatste eer
Stadsschouwburg, Leidseplein 26, 13 september 1926: De laatste eer
Hier gebeurde het 18 januari 2018
Hier gebeurde het... De Nieuwe Kerk 17 november 1937
Hier gebeurde het... De Nieuwe Kerk 17 november 1937
Hier gebeurde het 1 juni 2010
Hier gebeurde het… Haarlemmerstraat, 21 september 1946
Hier gebeurde het… Haarlemmerstraat, 21 september 1946
Hier gebeurde het 1 februari 2005