Americain, een Amsterdamse huiskamer

Een eeuw gastvrijheid in Amerikaanse stijl

In het American Hotel zitten vandaag de dag niet meer dé spraakmakende acteurs, kunstenaars en schrijvers aan de leestafel. Het zijn nu vooral de zaken- en dagjesmensen die de “Amsterdamse huiskamer” bezoeken. Voor het 100-jarig bestaan is de artistieke reputatie eventjes hersteld: zo’n 100 kunstenaars hebben in één dag het monumentale pand op het Leidseplein in verf weergegeven.

“In welk café in Amsterdam kan het publiek zó zijn kunstenaars in vrijheid bewonderen?” vroeg Groene-redacteur C.F. van Dam zich in 1930 af. En “waar is de portier zó welwillend om luide de naam van een jonge toneelspeler of schilder tweemaal op een drukke avond af te roepen? Luid, vooral luid, opdat de bezoekers, oplettend geworden als een terriër, wiens naam door de baas wordt gebast, kunnen zien waar het aankomend wonder is.” Het antwoord luidde: Americain. ‘Americain’ zonder accent op de e, ja, al zouden de Fransen daar kritiek op hebben. Ooit is dat streepje weggelaten en daar zijn ze nu koppig in. Zoals het hotel ook niet hotel Americain heet, maar American Hotel, op z’n Amerikaans dus.

De behuizing van het befaamde hotel annex café-restaurant – symbool van het ‘nieuwe bouwen’ - bestaat honderd jaar en dat viert de vijfsterrenjubilaris in stijl. Op uitnodiging zetten afgelopen oktober zo’n honderd kunstschilders het monument aan het Leidseplein op doek. “Wij waren altijd al een pleisterplaats voor kunstenaars,” legt Michael Kooitje van het American Hotel uit, “en met deze actie wilden wij ons weer eens als zodanig afficheren.”

Al vóór de vorige eeuwwisseling, “bij het gelig licht der suizende gasballonnen”, kwamen er mensen van culturele naam en faam in het American Hotel, al moesten sommige reputaties nog gevestigd worden. Zoals die van Margaretha Zelle – later beter bekend als Mata Hari – die haar huwelijk met Rudolf MacLeod luister bijzette met een ‘dejeuner-dinetoire’ in het restaurant van het hotel. Het etablissement werd gefrequenteerd door advocaten, politici, sportlui, architecten en musici, maar bovenal door schrijvers en acteurs. “Achter de hoge vensters,” schreef Fred Thomas in 1957 in Gasten op het Leidseplein, “werden reputaties gemaakt van spelers, schrijvers, critici…” Het hotel was dan ook strategisch gelegen, naast de Stadsschouwburg.

 

Een groots hotel in Amerikaanse stijl

In de tweede helft van de 19de eeuw kwamen ook in Amsterdam, naar buitenlands voorbeeld, de grand hotels op. Het gunstige economische klimaat, het geloof in de voortschrijdende techniek en het uitdijende Europese spoorwegennet maakten de tijd rijp voor deze luxe “logeerpaleizen voor de nieuwe rijken”. Eén van die nieuwe hotels was het American. De hotelier en architect C.A.A. Steinigeweg, die lange tijd in de Verenigde Staten had gewoond en daar waarschijnlijk ervaring in de hotelbranche opdeed, liep rond met plannen voor een groots hoofdstedelijk hotel “in Amerikaanse stijl”. De gemeente hapte toe en verkocht hem in 1879 een gedeelte van de Singelgracht, ter hoogte van het Leidseplein – dat tussen het Leidsebosje en de Stadsschouwburg nog geheel uit water bestond. Voordat de eerste paal de grond in kon, moest er dan ook nog een flink stuk gracht worden aangeplempt. Maar in 1882 was het eerste American Hotel, op de hoek van het Leidseplein en de Marnixstraat, áf.

Dat het hotel op Amerikaanse leest was geschoeid, viel de gast direct bij binnenkomst al op. Zo sierde het wapen van de Verenigde Staten – in reusachtige afmetingen – de entree en sprongen ook de levensgrote beelden van “Roodhuiden-opperhoofden en hun squaws” in het oog. En het deftige hotel had nog een aantal nieuwigheidjes. Boven op het dak stond een toeristische trekpleister van de eerste orde: een belvédère met prachtig uitzicht die bovendien bereikt kon worden met een “stijgwerktuig”, een primeur voor Nederland. In de kelder bedienden twee knechten een wiel waarmee bezoekers letterlijk omhoog werden getakeld. Later maakte deze handmatige ‘ascenseur’ plaats voor een elektrische.

Steinigeweg oogstte lof met zijn hotel, maar bleek een matig directeur. Er moest een zwaargewicht aan te pas komen om de onderneming weer stevig op de rails te zetten. Die zwaargewicht was August Volmer, een hotelier in hart en nieren die zijn vakmanschap al met hotel Krasnapolsky had bewezen. Hij, en later zijn zoon en diens stiefzoon, maakte van Americain een begrip. Om te beginnen maakte Volmer senior het hotel winstgevend en realiseerde hij zich dat er ingrijpende verbouwingen nodig waren om het bedrijf up-to-date te houden – zowel de beperkte elektrische als de sanitaire voorzieningen bleken al snel achterhaald. Bovendien wilde Volmer uitbreiden – en wel rigoureus: Steinigewegs creatie werd met de grond gelijk gemaakt, samen met een aantal percelen in de Marnixstraat en de belendende polite-brandweerpost op de hoek van de Leidsekade, die de Maatschappij tot Exploitatie van het American Hotel had opgekocht. De architecten W. Kromhout en H.G. Jansen kregen de opdracht op deze riante plek een gebouw te ontwerpen dat uit drie delen bestond: een hotel met een ingang aan de Leidsekade, een café-restaurant met entree aan het Leidseplein en feestzalen die via de Marnixstraat te bereiken waren. Overigens is die laatste ingang in 1971, tijdens een van de vele verbouwingen, gesloten.

Tegenwoordig geldt het asymmetrische ontwerp van Kromhout en – in mindere mate – Jansen als vooruitstrevend en vernieuwend voor de bouwkunst. Sinds 1972 staat het monumentale pand met art-deco-interieur op de monumentenlijst. Maar niet alle tijdgenoten zagen het mooie er aan af. Bij de oplevering in 1902 vielen woorden als “disgracieus”en “plomp”. Kromhout had goed gekeken naar de oosterse bouwkunst en zag zelf de Arabische renaissance terug in zijn bouwwerk. De bouwmeester was ook nauw betrokken bij de inrichting: Kromhout ontwierp zelf onder meer stoelen en lichtornamenten en gaf opdrachten aan bekende meubelmakers – zo tekende de firma Hillen aan het Damrak voor het “blauwe ameublement” voor de conversatie-, schrijf- en leeszaal.

Het was overigens na de nieuwbouw dat de naam American verbasterde tot Americain, omdat het café in het nieuwe hotel zo ging heten. Dat had niet alleen te maken met het feit dat café een Frans woord is, maar ook met de introductie van de Franse keuken in het hotel.

Ondanks dissidente geluiden, kreeg het nieuwe hotel over het algemeen een goede pers. Door het gefilterde licht dat via het glas in lood de vestibule aan de Leidsekade naar binnen scheen, kreeg men “reeds direct een indruk van degelijkheid en huiselijkheid”, zo heette het. Ook over de intieme zitjes in het ruime café-restaurant waren zowel pers als publiek vol lof. En dat – artistieke – publiek kwam in groten getale.

Befaamd werd vooral de leestafel – het “Quartier Latin” van Americain – die uitkeek op de artiesteningang van de Stadsschouwburg in de Marnixstraat en waar avond aan avond kunstenaars van diverse pluimage aanschoven. Zoals bijvoorbeeld de dichter-vertaler en stamgast Jacques Rensburg in zijn zwarte zwaluwjas. Hij wist zich met zijn “jongste linguïstische ontdekkingen” altijd snel het “luidruchtige middelpunt van een zich slap lachende schare”. Het was ook aan deze tafel dat de onlangs overleden auteur Jan de Hartog eens ontzet de wenkbrauwen optrok toen een collega-kunstenaar een keiharde boer liet. “Wat had u dan verwacht,” vroeg deze hem fronsend. “Een carillon?”

En dan waren er de ruzies, die soms op een vuistgevecht uitliepen, zoals tussen de schrijvers Martinus Nijhoff en Eddy du Perron. De twee lagen elkaar niet en een paar stevige borrels – waar vooral Nijhoff wel raad mee wist – deden de rest.

 

Gelieve niet op de zilveren schotels te snijden

In 1906 had Volmer junior de bedrijfsvoering van zijn vader overgenomen en hij laveerde Americain door een aantal diepe dalen, waaronder de Tweede Wereldoorlog. In 1939 serveerde het restaurant nog een kerstmenu voor ƒ 3,50 dat onder meer bestond uit zalm, kalfsvlees en pâté de foie gras truffée – met op de menukaart het vriendelijke verzoek “niet op de zilveren schotels te snijden”. Krap twee jaar later was het meeste voedsel op de bon. Om nog enig cachet aan de schaarste te geven, bood het hotel haar gasten een mapje aan waarin de distributiebonnen bewaard konden worden. Een verslaggever van Het Parool noteerde dat Americain “tot diep in de bezetting de lekkerste ‘schijngehakt’ van Amsterdam serveerde”.

Na de bezettingsjaren diende zich een nieuwe generatie stamgasten aan, met soms oude streken. “Harry Mulisch zal vermoedelijk tot aan zijn dood achtervolgd worden,” schreef Rudie Kagie in 1987 in Hotelleven, “door de anekdote over zijn royale fooien aan de portier, die zo aardig was elk half uur via de intercom te laten omroepen dat er ‘telefoon voor de heer Mulisch’ was, waarop de jonge schrijver, nagestaard door bewonderaars, over het gangpad naar de lounge schreed.” Mulisch varieerde slechts op wat vooroorlogse collega’s al voor hem deden.

Nieuw was wel de zeer openlijke en soms handtastelijke belangstelling voor het vrouwelijke schoon. Zo tekende de journalist L. Thuring op hoe Mulisch, onderuitgezakt “in de halfdonkere zaal met smaak in een donkerharige dame [kneep], die lacherig onder zijn attenties dreigde te kapseizen”, terwijl de auteur zelf soms “helemaal onder tafel verdween”. Ook ‘coming man’ Jan Cremer wist van wanten. De Groene Amsterdammermemoreerde onlangs nog hoe de schrijver in de jaren zestig “met een auto vol lekkere wijven” langs het terras van Americain reed, schreeuwend: “Ik Jan Cremer!”

Ondertussen gingen de zaken slecht. In 1969 kocht onroerendgoedmagnaat Maup Caransa het met sloop bedreigde hotel op – en redde daarmee “de huiskamer van Amsterdam”, zoals uitbaters van het etablissement Americain graag mogen noemen. Toch raakte de jeu er een beetje af – althans voor de (stam)gasten van het café-restaurant. Caransa had het hotel aan een internationale hotelgroep doorverkocht en deze trok zich aanvankelijk weinig aan van de heersende mores. Bezoekers die niet naar de geldende normen waren gekleed mochten opeens niet meer naar binnen. Jan Nagel, destijds van de VARA, tegenwoordig beter bekend als medeoprichter van Leefbaar Nederland, riep op de radio nog eens op tot een protestactie, omdat Americain gasten met lang haar de toegang weigerde. De actie verliep overigens nogal tam: nadat de demonstranten keurig hun consumptie hadden afgerekend, dropen zij af.

Hoewel het kieskeurige gastenbeleid van korte duur bleek, liep de vermaarde reputatie van Americain in de jaren tachtig toch weer averij op. De veelal gewaardeerde kelners van het café-restaurant maakten plaats voor vakbroeders die het Nederlands niet of nauwelijks machtig waren en de geroemde “knusse zitjes” in het midden van de zaal moesten wijken voor een open buffet, in de vorm van een uit de kluiten gewassen art-decolamp. De toeloop van het artistieke volksdeel, zo merkte Rudie Kagie op, werd “dramatisch minder”.

De spraakmakende Amsterdamse gemeente vertoeft niet meer als vanzelfsprekend avond aan avond aan de leestafel van Americain – die overigens ook niet meer op zijn oude stek staat. Maar een Amsterdamse huiskamer is het nog steeds, vindt Michael Kooitje, waar naast zaken- en dagjesmensen nog steeds artiesten komen. “Alleen: wij gaan met onze tijd mee en richten ons op wat nú hip is.” En dan vallen er namen als die van de Britse Spice Girls en van Alicia Keys, een dame die internationaal zo’n beetje alle zang-‘awards’ binnensleept die er maar te vergeven zijn. “Harry Mulisch,” zegt Kooitje, “dat was toen.”

M. van der Weg is freelance journaliste.

Literatuur

Jeroen Brouwers, Zachtjes knetteren de letteren, De Arbeiderspers, 1975

Fred Thomas, Gasten op het Leidseplein, 75 jaar American Hotel, Becht, 1957

Bert Vreeken en Ester Wouthuysen, De grand hotels van Amsterdam, Opkomst en bloei sinds 1860, Sdu, 1987

Delen:

Jaargang:
2002 54

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Rood Amsterdam in zwart-wit
Rood Amsterdam in zwart-wit
16 december 2002
75 jaar Linnaeushof
75 jaar Linnaeushof
16 december 2002