Akten. Slapen in het secreet

Waarzegster Janneke had zich genesteld in een secreet onder een brug aan het eind van de Reguliersgracht. Ze sliep er en hield er praktijk. Zoals zij waren er vele daklozen die onderdak en gezelschap zochten in openbare urinoirs. Malle Kees bijvoorbeeld, alom bekend als ‘sinneloos’. 

Onder de brug slapen is bijna spreekwoordelijk geworden voor het leven van daklozen op straat. Beschutting zoeken tegen de elementen gebeurde vroeger natuurlijk net zo goed als nu. Onder verschillende bruggen in de stad bevonden zich openbare secreten (urinoirs), waar Amsterdammers in de 17de en 18de eeuw hun behoefte konden doen. Het moeten behoorlijk smerige plaatsen zijn geweest; niet zelden werd er zelfs een lijk uit opgehaald. Maar het waren ook plekken voor buitenstaanders in de samenleving. Bekend is dat mannen er op zoek gingen naar homoseksuele contacten. Daklozen sliepen er: mannen en vrouwen op de vlucht voor de winterkou. Soms ging het om wonderlijke types, zoals ‘Waarzegster Janneke’ en ‘Malle Kees met de bellen’.

Wij kennen die straatfiguren uit de notariële archieven. Was er rumoer op straat, dan werden omstanders op verzoek van de hoofdofficier van justitie naar de notaris gestuurd om te vertellen wat ze gezien hadden. Deze ‘pro deo attestaties’ – getuigenverklaringen – bevatten de prachtigste verhalen over het straatleven, rechtstreeks opgetekend uit de monden van ooggetuigen en buurtgenoten.

We treffen te midden van dit straatrumoer beschrijvingen van Amsterdammers die onder een alias bekendstonden: Mooie Marij, Smerige Claes, Rijke Bedelaarster uit de Paardenstraat, Hein de Zwerver (die zich vooral in de Nieuwmarktbuurt ophield) en de sjacheraar Jan de Kindermaker – hoeveel kinderen zou hij gehad hebben om deze bijnaam te verdienen? 

 

Koffiedikkijkster

Waarzegster Janneke was er ook. We leren haar kennen uit verschillende getuigenissen over een katholiek ‘klopje’ genaamd Margareta Melissen. Een ‘klopje’ was meestal een oudere vrouw die de deuren van katholieke Amsterdammers langsging om aan te kloppen en zo het begin van de mis aan te kondigen – katholieke kerken hadden immers geen kerkklok. Margareta was ernstig in de war geraakt en zwierf door de Reguliersbuurt. Op 8 augustus 1730 verklaarde buurtbewoner Anthonetta Coli “... dat zij, getuijge, zeer wel kend de persoone van Margareta Melissen zijnde een klop”, en dat ze haar in de maand mei meerdere malen had gezien “onder zekere brug ten einde de reguliersgraft, dicht aan de schans, alwaar een secreet is, en een ander persoon genaamt Jannetje”. 

Deze Jannetje had zich daar “met’er woon ter nedergezet” en verdiende er de kost “... met het volk wijs te maken, dat zij door middel van het bekijken der kopjes, toekomende dingen weet te voorzeggen”. Het ‘bekijken der kopjes’ moet wel zoiets als ‘koffiedik kijken’ zijn. Waarzegster Janneke had zich daar onder de brug helemaal genesteld, want Anthonetta vertelde verder dat ze “aldaar iemand te bedde heeft zien leggen”. Het lukte haar niet te achterhalen wie, omdat het gordijn dat “aldaar voer de bedstede hong van binnen wier toegetrokken”. Enkele dagen later zag ze Margareta Melissen voor de bedstede zitten. 

 

Sinneloos

Ook Malle Kees kwam in zo’n secreet. Kees werd omstreeks 1770 geportretteerd, in een serie etsen van bedelaars en andere straattypen, getekend door Pieter Barbiers en geëtst door Pieter Langendijk. Hij staat afgebeeld als iemand die als een dolle langs de straten rent met een slinger van belletjes om zijn lijf. Onder de ets staat een versje: Nog Pegasus, nog Mensch-en-paard,/ Was nooijt zo Dol of uijtgelaaten/ Als Malle Kees, die met een vaart,/ Zijn Rit afloopt langs Mark en Straaten.

In een verklaring bij notaris Hendrik Daniel van Hoorn van 22 februari 1764 komt deze Malle Kees alias ‘Kees met de bellen’ voor, maar dan in ongunstige zin. In de verwachting van een ongetwijfeld koude winternacht besluiten twee dakloze vrouwen, Marta Goorbon en Stijntje Cornelis, “arme lieden hebbende geen vaste woonplaats”, op 14 januari te overnachten in het openbaar secreet onder de Varkenssluis bij de Oudezijds Voorburgwal. Ze installeren zich onder de brug met een ‘brandlichtje’, een lamp. Aan het begin van de avond komt Malle Kees binnen, die onlangs na twee jaar uit het rasphuis is ontslagen. Een zonderlinge figuur. De twee vrouwen omschrijven hem als geheel ‘sinneloos’. Ze weten te vertellen dat hij zwervend door de stad “veele buijtensporigheeden heeft gedaan waardoor aan ijder sijne dwaasheijd seer sigtbaar is gebleeken”.

 

Jenever

Kees vraagt of een van de vrouwen een glaasje jenever voor hem wil gaan halen. Hij stopt Stijntje vier duiten in de hand, en na aanvankelijk tegensputteren gaat zij de borrel halen. Marta blijft alleen achter met Kees, die het brandlichtje uitblaast en haar aanvalt. Hij snijdt haar met een mes in de hals en het gezicht. Uiteraard begint zij hard te schreeuwen. Als Stijntje met de jenever terugkeert, komt ze Kees op de trap tegen. Snel gaat ze naar beneden, waar ze haar zwaargewonde vriendin op de grond aantreft. Malle Kees ontkomt en verdwijnt in het donker van de Oudezijds Voorburgwal.

Er bestaat een 18de-eeuwse tekening van ‘Malle Kees met de bellen’ waarop vermeld staat dat hij in het Rasphuis is gestorven. Of het echt zo met hem is afgelopen, is onbekend.

MARK PONTE IS HISTORICUS EN SENIOR MEDEWERKER PRESENTATIE BIJ HET STADSARCHIEF AMSTERDAM. 

MEER WETEN: HTTPS://AKTEN.AMSTERDAM.

December 2019

 

Beeld: Openbaar secreet op de Oudezijds Voorburgwal ter hoogte van de Nieuwezijds Kolk, in 1835 getekend door Pieter Veldhuyzen. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
December
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Amsterdamse Akten
Tijdperk:
1700-1800 1800-1900