Afval als aalmoes

Op bewoners van de Amsterdamse binnenstad na scheiden de meeste Nederlanders hun huishoudelijk afval. Maar de binnenstadbewoners brengen hun glas, papier, kleding en chemisch afval wel naar de centrale containers. Die afvalscheiding is echter niets nieuws: het 17de –eeuwse Amsterdamse ‘gft-afval’ ging als mest naar de boeren en de stadswallen werden verhoogd met bouwpuin.

In 1413 werden voor het eerst alle bestaande bepalingen inzake afval tot één keur gebundeld, hoewel er weinig duidelijke voorschriften in terug zijn te vinden. Ruim 60 jaar later, in 1475, is er voor het eerst sprake van openbare vuilnisvaten, waarvan de inhoud als mest aan de boeren uit de omgeving werd verkocht. De opbrengst kwam ten goede aan de stad. In 1514 werd er van stadswege een groep werklieden aangesteld om het vuilnis te verwijderen van bruggen, pleinen en markten.
Aan het begin van de 16de eeuw werd een verbod uitgevaardigd op het weghalen van vuilnis en puin uit de vuilnisvaten. Destijds pachtten particulieren de openbare vuilnisvaten, maar in 1556 deden de burgemeesters deze concessie over aan de regenten van het Burgerweeshuis. Nog geen 30 jaar later, in 1583, nam de stedelijke overheid de vuilnisophaal en verwerking weer in eigen hand, tot 1620. Toen werden de vuilnisvaten opnieuw aan particulieren verpacht.
Uit 1579 stamt een keur die bepaalde dat er geen vuiligheid op straat geworpen mocht worden en dat men daar ook zijn “gevoegh” niet mocht doen. Pas in 1666 werd voorgeschreven dat het vuilnis voortaan naar de bakken of schuiten gebracht moest worden, dat niemand zonder toestemming vuilnis mocht vervoeren en dat de pachter van het vuilnis en zijn medewerkers gerechtigd waren overtreders te bekeuren. Al in 1673 volgde een nieuw verbod op het storten van vuilnis en puin op straat. En in dat zelfde jaar werd de “administratie van ’t Vuilnis” door de stedelijke overheid overgedragen aan de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis.

 

Tehuis voor zwerfkinderen

Het Aalmoezeniersweeshuis was een ‘dochteronderneming’ van het Aalmoezeniershuis, sinds 1613 gevestigd in het voormalige Clarissenklooster aan de Heiligenweg. Dat was een opvanghuis voor de steeds groter wordende groep zwervers en bedelaars, die aangetrokken werden door de stad die een bloeiperiode meemaakte. Onder hen was echter een groeiend aantal kinderen. In 1662 vroegen de regenten van het Aalmoezeniershuis dan ook aan het stadsbestuur om een apart huis voor deze zwerfkinderen. Dit verzoek werd ingewilligd en op 1 januari 1666 konden zo’n 800 kinderen het huis (nu Paleis van Justitie, Prinsengracht 436) in gebruik nemen.
De zwerfkinderen varieerden nogal in leeftijd. Weesjes jonger dan vier jaar werden zo mogelijk uitbesteed aan een min, daarboven verbleven ze tot hun tiende jaar in het Kleinkinderhuis waarna ze overgeplaatst werden naar het Grootkinderhuis. Op beide afdelingen werden jongens en meisjes strikt gescheiden gehouden. Jongens kregen tot hun vijftiende onderricht, waarna ze meestal bij een baas in de stad geplaatst werden. Meisjes waren niet geheel verstoken van onderwijs, maar al gauw werden zij te werk gesteld in de brei-, linnen-, of wolwinkel van het Aalmoezeniersweeshuis. Met hun negentiende werden de jonge volwassenen geacht hun eigen brood te kunnen verdienen.
De leefomstandigheden in het weeshuis waren verre van optimaal. De voeding was eentonig en schraal: brood met boter of kaas, peulvruchten of grutten en een keer in de twee weken een stukje vlees.
Ook de hygiëne liet te wensen over en vaak sliepen de kinderen met z’n vijven in één krib! Het onderhoud van de wezen kostte desondanks handenvol geld. En elk jaar werden de uitgaven hoger door de enorme toeloop. In 1683 most het weeshuis al 1300 wezen zien te herbergen. Gelukkig werd toen een plan voor uitbreiding goedgekeurd door de vroedschap. Het Aalmoezeniersweeshuis, voornamelijk afhankelijk van subsidies en giften, kampte met een chronisch gebrek aan geld, maar moest wel alle wezen opnemen die elders (in tehuizen van een bepaalde geloofsrichting) niet welkom waren. Anders dan de Burgerwezen, die veelal met een behoorlijke erfenis in het weeshuis belandden, hadden de bedelaresjes en zwervertjes over wie de Aalmoezeniers zich ontfermden geen nagel om aan hun kont te krabben. Ter verlichting van de financiële nood kreeg het weeshuis in 1662 het recht om bepaalde boetes te heffen, bijvoorbeeld op begraven bij avond, en het innen van precariobelasting en belastingen op onder meer wijn, honden en karren.
Toch moest de stad de Aalmoezeniers meer keren per jaar financieel te hulp schieten. Begrijpelijk dus dat het stadsbestuur naar een oplossing zocht voor deze hoge kostenpost. Die dachten ze gevonden te hebben in de uitbesteding van de “administratie van ’t Vuilnis”. Helaas zouden ze bedrogen uitkomen.

 

Gecommitteerden van de Asch

Al in 1671 waren er plannen om de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis de “administratie van ’t Vuilnis” toe te delen. De verkoop van mest, afval en puin zou het weeshuis extra inkomsten opleveren, waardoor men hoopte minder subsidie aan de Aalmoezeniers kwijt te zijn. Twee jaar later werden de plannen werkelijkheid.
De stad werd voor dit doel in 34 wijken verdeeld en elke wijk kreeg diverse “vullisluyden” en een vuilnisschuit. Op de schuiten werkten 48 mannen en voor de vuilniskarren werden 78 werklieden aangesteld. Ook kwamen er 30 bruggenvegers en 38 opkorters (straatvegers) “zolang daar vulnisvaten zijn, zoveel als men vanouds gehad heeft”. Op verschillende belten aan de rand van de stad kon het vuilnis gelost worden: bij de Zaagmolenpoort, de Reguliersgracht, het Spiegelgat (bij de Spiegelgracht) en de Weesperstraat. Die belten functioneerden zowel als verzamel- en als distributiecentra van afvalstoffen. Voor de totale controle op de vuilnisverwijdering werd de stad in twee delen gesplitst: de Oude Zijde, en de Nieuwe Zijde, elk met een eigen opzichter die onder direct toezicht stond van de weeshuisregenten. De stad betaalde de aanschaf en het onderhoud van de vuilnisvaten, het kleine gereedschap en de paarden, plus het loon van de paardenkoper en de –knechten. Alle andere kosten van de vuilnisverwerking moest het Aalmoezeniersweeshuis bestrijden uit de inkomsten.
Onverhoopte tekorten waren voor rekening van het stadsbestuur. Van de zes weeshuisregenten werden er in 1673 twee benoemd tot “gecommitteerden van de Asch en het Vuilnis”. Zij instrueerden de opzichters, namen de “vullisluyden” aan, stelden de prijzen vast van de soorten vuilnis en waren verantwoordelijk voor de verkoop van afvalstoffen. Al snel bleken hun taken zo omvattend, dat een derde regent werd toegevoegd. Opvallend is dat maar een enkele regent van het Aalmoezeniersweeshuis ook zitting had in de vroedschap van Amsterdam. Ontstonden er mede daardoor strubbelingen tussen de stedelijk bestuurders en die van het weeshuis?
Bij de vuilophaaldienst werkten vreemd genoeg geen wezen. Het werkvolk was zeer divers: straatvegers (mannen én vrouwen), karren- en schuitenvoerders, beltslechters, schippers en hun knechten, timmerlieden en knechten die in de paardenstallen werkten. En in drukke tijden werden ook nog dagloners ingezet. Terzijde, het personeel mocht net als de regenten boetes uitdelen aan mensen die keuren op het “vulnis” overtraden, maar in de praktijk gebeurde dat maar weinig.
De vuilnisdienst van het weeshuis was verantwoordelijk voor het verwijderen van al het Amsterdamse vuil. Onderscheiden werd huis-, straat- en bedrijfsvuil. Huisvuil bestond uit menselijke uitwerpselen, ‘stadsbeer’, huishoudelijk afval en haardas. Straatvuil was: zand, modder, takken en bladeren, dierlijke uitwerpselen en afval van de groenten- en vismarkten. Afval van stokerijen en brouwerijen, leer- en textielresten en potas hoorden tot het bedrijfsvuil.

 

Bouwafval leverde winst op

Een aparte vermelding verdient het “puyn”. In het 17de-eeuwse Amsterdam gonsde het van de bouwactiviteiten en de regenten van het Aalmoezeniersweeshuis kregen ook de “directie van ’t Puyn”. Dit bouwafval werd door de stad opgekocht, wat een batig saldo opleverde voor de vuilophaaldienst. Vanaf 1688 besloot het stadsbestuur de verwijdering en verkoop van puin weer in eigen beheer te nemen. Dit resulteerde in een negatieve balans die bijna 80 jaar zou voortbestaan. Op het eerste gezicht leek de vuilnisdienst van de Aalmoezeniers een prima scenario voor hogere inkomsten voor het weeshuis, zonder dat de stad te diep in de buidel moest tasten. Het was de bedoeling dat deze vuilophaaldienst zelfstandig en zonder overheidsbemoeienis kon functioneren. Dit blijkt onder meer uit het feit dat over de beginperiode van de vuilnisdienst van het weeshuis nogal wat gegevens ontbreken. Bij inmenging van de stedelijke overheid had deze vast en zeker gepleit voor een zorgvuldigere administratie.
De eerste zes jaar waren lucratief, met uitzondering van 1674. In de jaren 1675, 1676 en 1677 maakte het weeshuis zelfs hoge winsten. Wellicht droeg de verhoging van de stadswallen daaraan bij, want daarvoor kocht de stad alle vuilnis en puin op. Maar het is ook goed mogelijk dat dit tegelijkertijd een financiële injectie van het stadsbestuur is geweest om het ‘bedrijf’ op gang te helpen.
In 1679 was het werk aan de stadswallen beëindigd, wat meteen een verlies van ƒ 26.152 opleverde. De jaren daarna draaide de vuilnisophaaldienst afwisselend met winst en verlies. Maar nadat dat stadsbestuur in 1688 de verkoop van puin weer had overgenomen, leed het weeshuis allen nog maar verliezen. Als reden voor het in eigen hand nemen van de puinverkoop werd opgegeven dat de vuilnislieden het werk niet meer aankonden: “en alsoo de regenten van ’t allmoesseniers-Wees-huys bevoegt sijn de selve Puyn van des Stads Wallen af te laten halen / soo komt ’t selfde te strekken tot een merkelijke last en schade van ’t gemelde Wees-huys (…).”
De tekorten die ontstonden zonder het ‘puyn’, betekenden dat het Aalmoezeniersweeshuis weer in aanmerking kwam voor subsidie – in 1689 liefst ƒ 20.000 “op rekening van hun voorschot op ’t vulnis”. Er zijn twee redenen te bedenken waarom het stadsbestuur de puinverkoop in eigen hand nam. Ten eerste liepen de meeste grote bouwprojecten in Amsterdam ten einde en de stad kon de nu veel kleinere hoeveelheden puin zelf wel weer verwerken. Ten tweede kan die beslissing zijn voortgekomen uit een poging op de stedelijke uitgaven te bezuinigen. De kosten voor het opkopen van puin van het weeshuis én het een paar keer per jaar verlenen van subsidie zouden weleens hoger kunnen uitvallen dan wanneer de stad zelf het puin verkocht en alleen subsidies hoefde te betalen. De hoogte daarvan kon de stad immers zelf vaststellen.
 

Zwerfvuil en stankoverlast

In de jaren daarna waren de kosten telkens hoger dan de baten en moest er regelmatig subsidie worden verleend. In 1692 vond het stadsbestuur dat het weeshuis te veel onkomsten maakte en vroeg de regenten de kosten te drukken. Deze reageerden zeer geïrriteerd en stelden bot dat de lonen al zo laag waren dat verder bezuinigingen niet mogelijk waren. Sterker nog, ze voerden aan dat de vuilnisdienst eigenlijk meer personeel nodig had om de stad goed schoon te houden. Dat laatste was waarschijnlijk terecht; inwoners klaagden over op straat zwervend afval, stuivende as en stankoverlast. In 1964 diende Jan Vastrick, lid van de burgerij, een plan in om de schuiten, karren en vuilnisvaten overdekt te maken om zo stank en stuiven tegen te gaan. En volgens hem was het goedkoper als het aantal schuiten verminderd werd van 47 naar 20, zelfs al moest dan het aantal karren uitgebreid worden van 14 naar 41. Het stadsbestuur had wel oren naar Vastricks ideeën, maar de regenten reageerden een stuk minder enthousiast. Zij verzochten de burgemeesters zelfs: “(…) eenmaal van de Talmerye van die man ontslagen te mogen sijn (…) omdat hij niets anders op het oog heeft dan het Oppercommandeurschap”.
Ondanks hun protesten en na lang heen en weer gepraat kon Vastrick per 1 januari 1698 als “opsiender generaal van de vulliskarren en schuyten” aan de slag met zijn vernieuwings- en bezuinigingsplannen. Met Vastrick kreeg de stad de controle over de vuilophaaldienst van het Aalmoezeniersweeshuis en er kwamen duidelijke richtlijnen: het weeshuis moest jaarlijks zijn administratie laten controleren en regelmatig overleggen met de thesaurieren ordinairs (de penningmeesters). Desondanks werden de tekorten in de volgende jaren steeds hoger.
Terecht waren de regenten bang geweest voor een te grote invloed van de opziener-generaal en daarmee van de stad. Vanaf 1722 wist opziener-generaal Gerrit Crol de boel volledig naar zijn hand te zetten. Hij voer een eigen koers en vond dat hij alleen verantwoording schuldig was aan de burgemeesters, die hem hadden aangesteld. De weeshuisregenten poogden hem in het gareel te krijgen en stelden in 1755 een instructie op inzake de taken en bevoegdheden van de opziener-generaal. Maar toen men Crol daaraan wilde onderwerpen, stak het stadsbestuur daar een stokje voor. Crols opvolger Anthonij Wijers, die in 1758 werd aangesteld, kreeg wel te maken met de nieuwe bepalingen. Hoewel de stedelijke overheid sinds 1698 toezicht uitoefende op de vuilophaaldienst van het Aalmoezeniersweeshuis, bleven de kosten de baten overstijgen en was er elk jaar alsnog een flink bedrag aan subsidie nodig. Pas nadat de regenten in 1758 weer wat meer invloed kregen en de taken en bevoegdheden van de opziener-generaal aan banden legden, ging het langzaamaan beter en vanaf 1768 draaide de vuilophaaldienst weer met winst.
De voorspoed duurde tot 1791: dat jaar sloot de begroting met een negatief saldo van ƒ 16.209. Daarna ging het verder bergafwaarts, mogelijk als gevolg van de economische neergang en toenemende armoede in de stad. Bovendien werd er regelmatig geklaagd over zwerfvuil en stankoverlast en wangedrag van de vuilnislieden. In 1798 concludeerde de Commissie van Geneeskundig toezicht dan ook dat er te weinig toezicht was op de naleving van de regels inzake het vuilnis. Ze stelde voor: een fijnmaziger wijkindeling, meer vuilnisvaten en schuiten, dagelijks afval ophalen en vuilnismannen beter instrueren. Deze voorstellen ter verbetering van de vuilnisdienst kregen hun beslag in 1804, toen het stadsbestuur besloot de afvalverwerking weer te verpachten.

F. van Bronswijk is studente geschiedenis aan de Vrije Universiteit
Maart 1998
 

Beeld: Collectie Stadsarchief, Aalmoezeniershuis ca. 1670, Romeyn de Hooge

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
Maart
Jaargang:
1998 50
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
Middeleeuwen 1500-1600 1600-1700 1700-1800