A.L. Snijders’ jonge jaren in Amsterdam

'We hielden veel van elkaar'

A.L. Snijders is het pseudoniem van Peter Müller. Hij wordt bewonderd als schrijver van columns en Zeer Korte Verhalen. Müller (1937) schreef onder andere voor Het Paroolen nu publiceert hij in de VPRO Gidsen De Standaard, een Belgische krant. Hij kreeg in 2010 de Constantijn Huygens-prijs. Bijzonder mooi schrijft hij over zijn jeugd in de Rivieren- en Apollobuurt. Sinds 1971 leeft hij in Lochem, 'gevlucht voor de vooruitgang' van Amsterdam.

Woensdag stuur ik een e-mail naar de uitgever van de schrijver A.L. Snijders. Donderdag belt hij op: “Als je wilt kom ik straks.” Aan het eind van de middag zit hij in de zon in onze tuin. Op zijn 80ste reed hij in anderhalf uur van Lochem naar Amsterdam. 

Na het eten wandelen we naar zijn geboortehuis in de Roompotstraat, stil verborgen achter de Scheldestraat. In zijn jeugd stopte de stad hier, even verderop begon het ‘land’. Bij ijswinkel Venetië – die bestond al in zijn jeugd – drinken we koffie. 

Even later staan we voor zijn ouderlijk huis. Hij is hier pas voor de derde keer in bijna zeventig jaar. Hij vertelt hoe zijn vader een Joodse buurman vrij kreeg bij de Sicherheitsdienst in de Euterpestraat. De man was getrouwd met een christelijke vrouw en mocht dus niet opgepakt worden. Befehl ist Befehl!: hij werd vrijgelaten en dook meteen onder. Op weg naar huis herinnert Müller zich hoe hij op de middelbare school een afspraak met Hanneke Groenteman (de latere journaliste) uit de Deurloostraat vergat.  

Terug thuis begint hij te vertellen, met zijn zachte, licht raspende stem stem: “Mijn vader was de eerste van de familie Müller die een hbs-diploma haalde en daarna in het bedrijfsleven terechtkwam. Hij werkte zijn hele leven bij Machinehandel Enschedé en Zonen. Die verkochten voor de oorlog Engelse en Duitse drukmachines.”

Vader Müller wilde violist worden. “Hij had een viool, maar zijn anarchistische opa sloeg die genadeloos aan stukken. Daarna speelde hij nooit meer viool. Wel ging hij vaak naar het Concertgebouw. En wij hadden thuis een grammofoon met een standaard voor meerdere platen. Die werden dan automatisch achter elkaar afgespeeld.” Het anarchistische motto Ni dieu, ni maître past ook de achterkleinzoon wel.

Pas na de dood van zijn vader hoorde hij van het incident van de stukgeslagen viool: “Mijn vader was een stoïcijn. Hij toonde geen sentimentaliteit. Hij was geen harde, maar een ingehouden man. Mijn vader vond het kinderachtig zijn emoties te tonen.” 

 

Opa Gom

De vader van zijn vader was stukadoor. Die woonde in de Kinderdijkstraat, ook in de Rivierenbuurt. “Hij heette Gom, omdat ik als kleuter het woord grootvader niet kon zeggen en ‘Gom’ zei. Alle vier de kleinkinderen noemden hem Gom. Later bleek Gom Gotisch voor man. Die taal is al heel lang uitgestorven. Hij was stukadoor en knecht, vaak weken van huis. Hij scheidde en bleef achter met mijn vader en zijn broer. Daarom zaten die vaak bij hun grootouders in de Balthasar Floriszstraat. Hij was somber, een calvinist zonder God. Hij had altijd huishoudsters. Gom kon niet zonder vrouwen; hij neukte ze allemaal. Bij één kreeg hij een kind.”

De kleine Peter Müller liep van de Roompotstraat naar de Kinderdijkstraat: “Ik sliep daar vaak, als hij geen vrouw had, sliep ik bij hem in bed. Hij werd rijk als patroon, maar leefde heel sober, was een meewerkende voorman. Zijn personeel sidderde voor hem. Maar hij gaf ze ook meer geld dan wettelijk mocht. Dat leidde tot een proces, hij betaalde teveel.”

En zo kwam hij in De Telegraaf, die hem als “krasse grijsaard” typeerde. “Hij zei: ‘Er is maar één wet in de handel – die van vraag en aanbod. Zijn er te weinig stukadoors, dan betaal ik ze meer. Dat is de oerwet van de handel.’ Hij volgde de praktijk van het leven. Het enige wat hij na zijn beroerte nog kon zeggen was ‘Godverdomme’. Dan vroeg ik hem iets door de telefoon, was het een tijd stil en dan: ‘Godverdomme!’” 

 

Vriendschap

“Mijn vader was de belangrijkste figuur in mijn leven. Hij was een aantrekkelijke man en mijn moeder was jaloers. Ze hadden daardoor waanzinnige ruzies. Maar hij was alleen echt geïnteresseerd in muziek.” Vader Müller kwam in de directie van de Machinehandel Enschedé en Zonen op de Nieuwezijds Voorburgwal. “Op zaterdag haalde ik hem op en dan aten we een kroket bij de Kalverstraat. Ik hield ontzettend veel van hem. We hielden veel van elkaar, het was een in onszelf gekeerde genegenheid.

“Als directeur zat hij tussen die andere directeuren, allemaal schuine grappenmakers. Hij had chique vrienden: artsen, architecten, directeuren, onder wie Co Stokvis, hoofdredacteur van De Telegraaf. Die plaagden hem met zijn liefde voor muziek, dat pareerde hij met gemak. Mijn ouders speelden bridge en tennisten in het Vondelpark. Toen ik twaalf was verhuisden we naar de dure Raphaëlstraat bij de Apollolaan. Daar stemde iedereen VVD, maar hij bleef op Drees van de PvdA stemmen.”

Zijn vader had sterke herinneringen aan de armoede van zijn jeugd en bleef daaraan denken toen hij in goeden doen was. Zijn vrienden vroegen: “Waarom stemt iemand als jij op de PvdA?” Zijn antwoord: “Je moet tegen je eigen belang in kunnen stemmen.” Müller: “En dat bleef hij ook gewoon doen. Uit plichtsbesef stemde hij op de PvdA. Mensen verheffen, het cultuursocialisme van Plan Zuid, van Berlage en Wibaut. Die tweeslachtigheid zit ook in mij. Rijk zijn en stemmen op een egalitaire partij. Het cultuursocialisme leeft in mij. 

Maar ik word soms ziek van mijn eigen standpunt. Dan moet ik van mezelf kotsen, dat ik er tóch weer een eenzijdig oordeel op na houd. Ik ga graag om met rechtse mensen. Ik ben bevriend met de columnist Rob Hoogland van De Telegraaf. Ik hoorde dat hij veel over mij schreef en stuurde hem een briefje. We raakten bevriend. Hij werd gediscrimineerd omdat hij voor De Telegraaf werkte! Gvd, wat verschrikkelijk. Een paar dagen geleden was hij bij me op bezoek in Lochem.” 

 

Leren jassen

Peter Müller ging naar de Willemsparkschool aan de Pieter Lastmankade. Flink ver vanaf de Roompotstraat. Het was een particuliere, elitaire lagere school, beter dan een gemeenteschool. “Mijn vader wilde het beste voor zijn kinderen. Maar het leven blijft een ongrijpbaar iets, en de maatschappij ook. Je moet het oerprobleem altijd op je eigen manier oplossen. Je moet soms naar het tegengestelde overstappen.” 

Zijn vader stuurde hem daarna naar het nieuwe Spinoza Lyceum, toen nog aan de Jozef Israëlskade. “Mijn route kruiste. Eerst ging ik van de Rivierenbuurt naar de Apollobuurt op school, vervolgens van de Apollobuurt naar de middelbare school bij de Pijp. Het Spinoza was een gemeenteschool, de rode gemeente wilde een goede school voor arbeiderskinderen. 

“Hun vaders reden op een solex en droegen leren jassen. Die kinderen konden beter leren dan ik. Ik was bevriend met Wim, zijn vader was zandstraler, deed het zwaarste werk. Wim woonde in de Van Ostadestraat in een heel klein huis, vlak bij de Amstel: voorkamer, alkoof, achterkamer, keukentje. Hij werd leraar klassieke talen op het Barlaeus Gymnasium. Een bijzondere jongen. Ik deed gymnasium alfa met Latijn en Grieks en slaagde tot mijn verbazing.”

In april 1957 ging Müller naar de Oude Manhuispoort en schreef zich in voor de studie Nederlands. Hij begon midden in het studiejaar. Via een huis in de Leidsestraat – waar hij de artistieke films van De Uitkijk duidelijk kon horen – verhuisde hij naar de Oudezijds Achterburgwal. Daar woonde hij van 1963 tot 1971, vanaf 1965 met zijn tweede vrouw Yvonne Sweering. “We waren 52 jaar samen, tot ze overleed. We hebben vijf kinderen, van wie drie uit haar eerdere huwelijk. Maar ik vind biologisch ouderschap onzin, het zijn alle vijf onze kinderen. Ze wonen in Amsterdam. Ik heb ook negen kleinkinderen en twee achterkleinkinderen.” 

 

Vlucht

“De Oudezijds was een perfecte buurt toen ik er kwam. Daar woonden alle soorten mensen; je had fabriekjes, kantoren, gewone winkels, de bakker, hoeren, studenten, beeldhouwers, een houtbedrijf. Maar de gemeente bedacht dat de fabrieken en de kantoren naar bedrijfsterreinen moesten.”

In de panden die leeg raakten kwamen vooral bordelen. “Zwarte Joop de Vries was een soort baas. Hij begon toen Casa Rosso. Er kwamen opvallend veel echtparen, vooral toeristen. Vrouwen met hun man. Het was een goudmijn. Op de gevel stond:Real fucking on the stage.Tatsächlich ficken auf der Bühne.Dat was nog tot daaraan toe. Toen kwam er keiharde muziek op de gracht bij, vanaf de buitenkant van Casa Rosso. En het is geen brede gracht, maar een middeleeuws slootje. Na een paar dagen sliepen we achterin het huis. Ik ging naar Zwarte Joop en zei: ‘Dit kan niet.’ Hij zei: ‘Dit is de vooruitgang.’ Waarop ik zei: ‘Dan vlucht ik voor de vooruitgang.’”

Müller en zijn vrouw hadden een vriend in Lochem, bij Zutphen. Ze bekeken acht boerderijen en kochten de eerste. De prijs was 52.000,-. Het was september 1971. “We kregen er een stuk land bij van 100 bij 50 meter. Dat vonden wij enorm groot; op hetzelfde stuk grond woonden op de Wallen honderden mensen.” 

In Lochem begon hij brieven naar zijn Amsterdamse vrienden te schrijven. Die bezigheid werd de bron van zijn uitgesproken individualistische schrijverschap. Müller schreef een brief en stuurde kopieën met een persoonlijke aanhef aan meerdere mensen. “Ik frankeerde ze op de politieschool in Lochem, waar ik als docent Nederlands werkte. Die brieven kwamen ook bij Jan Vrijman van Het Paroolterecht. Vrijman schreef jarenlang dagelijks op de voorpagina. Hij was een vriend van mijn vrouw Yvonne, en zei altijd: ‘Er komt een dag dat ik je in bed krijg.’ Mijn vrouw was erg mooi. Hij verwedde er een fles whisky om dat het hem binnen een jaar zou lukken. Die fles verloor hij.” 

 

Column

Jan Vrijman introduceerde Peter Müller bij Het Parool. “Toen kwamen Kees Tamboer en Paul Arnoldussen van de krant op bezoek. Ik kreeg een wekelijkse column onder mijn pseudoniem A.L. Snijders. Maar na twee jaar werd ik er door de nieuwe hoofdredacteur Sytze van der Zee uitgegooid, een rat van de eerste orde. Tamboer was adjunct-hoofdredacteur. Hij zei: ‘Als Snijders weg moet, dan wil ik geen adjunct meer zijn.’ En dat deed hij. Zo’n man is Kees Tamboer.” 

Daarna schreef Müller vele columns voor vele provinciale kranten. Was te gast bij De Wereld Draait Door. Ontving de Constantijn Huygens-prijs. Hij werd landelijk bekend. Nog steeds leest hij elke zondag een column voor op de radio.

“Die schrijfdrang van mij komt voort uit een behoefte aan snel succes. Daarom schreef ik ook die brieven, dan kreeg ik snel reacties. Dat vind ik fijn van brieven. Die Zeer Korte Verhalen zijn daarmee te vergelijken. Ik had behoefte aan contact, aan reactie. In jouw reactie kan ik zien dat ik besta.”

SERGE MARKX IS HISTORICUS EN PENVOERDER BIJ DE GEMEENTE AMSTERDAM.

Delen:

Jaargang:
2018 70
Dossiers:
Amsterdammers
Rubriek:
Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000 Vanaf 2000
Buurten:
Centrum Zuid
Editie:
November December