8 mei 1945. Amsterdam viert de bevrijding

Nog altijd als Tanny Wessels (88) de hoek van de Trompenburgstraat omslaat, denkt ze terug aan die 8ste mei, 1945. ‘Daar stond toen een verhoging. Meiden die ‘s avonds met Duitse soldaten waren meegegaan en leuke nachtjes hadden gehad werden erop gezet en kaalgeschoren. Dat vergeet je nooit meer.’

Op 8 mei 1945 wordt de 13-jarige Tanny Wessels ‘s ochtends wakker op een matras op de grond. Haar huis aan de Trompenburgstraat deelt ze, sinds een bombardement de dijken in Zeeland verwoest heeft, met een oom en tante en vijf neefjes en nichtjes uit Zierikzee. Met z’n zeventienen zijn ze, en omdat er niet genoeg bedden zijn slapen alle kinderen naast elkaar op matrassen in de woonkamer. 

Deze ochtend wordt Tanny gewekt door een gek geluid. Het ‘rommelt’ buiten. Als ze nieuwsgierig uit het raam kijkt, ziet ze een grote groep mensen richting de Berlagebrug rennen. Samen met haar neefjes en nichtjes gaat ze er achteraan, en staat zo vooraan als de Canadezen de stad binnentrekken. Vanuit hun jeeps gooien de militairen chocolade en koek naar de juichende menigte. Het gerommel dat ze hoorde blijkt te komen van de motoren van de zware legervoertuigen. Tanny kan zich het lawaai en de vrolijkheid 75 jaar later nog goed herinneren. Vliegtuigen vliegen over, mensen hangen uit hun ramen, meisjes mogen meerijden op de tanks. En op de hoek van de Trompenburgstraat worden soldatenliefjes kaalgeschoren.

Links de 13-jarige Tanny Wessels met een Amerikaanse soldaat die Amsterdam bevrijd heeft. De soldaat was tevens een achterneef van haar vader, en kwam hen daarom opzoeken. 

 

Kooltjes zoeken

Zoals voor zoveel andere Amsterdammers, betekent de bevrijding voor de familie van Tanny het einde van een zware tijd. Haar vader wordt vanwege zijn verzetswerk opgepakt en naar kamp Amersfoort gedeporteerd. Tijdens de Hongerwinter heeft het gezin nauwelijks genoeg brandstof om te kunnen koken op het wonderkacheltje. Samen met vier neefjes en nichtjes wordt Tanny daarom regelmatig, op te grote klompen, naar het Weesperpoortstation gestuurd. Dat is dan al niet meer in gebruik, maar in de omgeving kun je nog kolen vinden; restjes van de grote kolenbergen waarmee ooit stoomtreinen werden gestookt. De vijf kinderen zoeken daar naar onverbrande kooltjes, die ze in een oude kinderwagen verzamelen. Op de terugweg moeten ze om de beurt duwen.

Behalve haar vader, verdwijnen ook veel van Tanny’s vriendinnetjes. ‘Op het hek van de speeltuin in de Gaaspstraat hing op gegeven moment een bordje met ‘Alleen voor Joden’. Elke week werd er een markt gehouden, voor alle joodse Amsterdammers die niet meer in de winkels mochten komen. Ik had veel Joodse vriendinnetjes en wilde ook naar de speeltuin en de markt. Op een dag heb ik toen zelf zo’n ster opgespeld en kon ik gewoon naar binnen lopen. De fuik in. Want  plotseling werden de hekken van de speeltuin gesloten, en alle mensen binnen die hekken werden opgepakt en in twee of drie vrachtwagens meegenomen naar de Hollandse Schouwburg. Gelukkig wist ik dat een paar kinderen achter de zandbak een gat gegraven hadden. Als je niet te groot was, kon je daar onder het hek door kruipen. Als een gek ben ik toen naar dat gat gerend, en zo kon ik ontsnappen.’ Tanny is even stil en zegt dan: ‘Dat vergeet je nooit meer.’

 

Verraad

‘Dat vergeet je nooit meer.’ Het is een zinnetje dat Tanny tijdens ons gesprek nog meerdere keren zal herhalen. Er zijn tijdens de oorlog veel dingen gebeurd die ze nooit meer zal vergeten: De middag dat haar vader in zijn eigen huis gearresteerd wordt, terwijl een Duitse soldaat het gezin in de keuken onder schot houdt. Waarschijnlijk werd hij verraden door de inwonende oom uit Zierikzee, die later NSB’er bleek te zijn. 

Of die avond dat ze na spertijd haar zus gaat ophalen van haar werk als winkelbediende in de Weesperstraat. Aan de overkant van de straat loopt een jongen die ze daar wel vaker ziet. ‘Die jongen was niet helemaal goed. De Duitsers schreeuwden dat hij naar binnen moest gaan. Hij luisterde niet, of misschien begreep hij het niet. Toen hebben ze hem doodgeschoten.’ 

Of de dag dat ze zelf moest wegrennen voor Duitse kogels, tijdens die korte periode dat de Nazi’s al verslagen waren, maar de geallieerde troepen nog niet gearriveerd. ‘De oorlog was gewonnen en Duitse soldaten werden door Amsterdammers uitgejoeld. Sommigen begonnen dan te schieten.’ Dat gebeurt ook wanneer Tanny vlakbij haar huis door de Lekstraat loopt. In paniek vlucht ze een portiek in, waar ze zich samen met andere voorbijgangers verschuilt voor de rondvliegende kogels. 

 

En nu

75 jaar later zijn de herinneringen en daarmee gepaarde emoties niet verbleekt. ‘Ik woon nu vlakbij de grens, en een tijdje geleden ging ik met een neef en nicht naar winkel in Duitsland, om te kijken naar een goedkope fiets. Mijn neef parkeerde de auto per ongeluk op een plek waar je niet mag staan, voor de etalage van die winkel. De winkelier kwam meteen naar buiten en begon op een heel vervelende manier tegen ons te roepen dat we daar weg moesten. Toen ben ik, zonder er over na te denken, de auto uitgevlogen en terug gaan schreeuwen. Dat ‘ie z’n grote bek moest houden en dat het geen 1940 meer was. ‘De tijd dat je zo tegen ons kan praten is voorbij!’ riep ik. Normaal ben ik helemaal niet zo, maar door dat Duitse geschreeuw had ik het gevoel weer in de oorlog terug te zijn.’ 


Beeld header: Intocht Canadezen in de Rivierenbuurt, gezien naar de Berlagebrug. 8 mei 1945. Collectie: Stadsarchief Amsterdam, ANEFO

Delen:

Buurten:
Zuid
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Mei
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Herinneringen
Tijdperk:
1900-1950