75 jaar Linnaeushof

Een ‘rooms dorp’ in de Watergraafsmeer

Een beetje verscholen in de Watergraafsmeer, tussen de Middenweg en de Linnaeusparkweg, ligt de prachtige Linnaeushof. Een grillig gevormd plein met huizen van rode baksteen, waarvan het middenterrein grotendeels in beslag wordt genomen door een tennisbaan en een robuuste kerk. Lang was dit een typische katholieke enclave in de steeds goddelozer stad.

In de Linnaeushof werden dit jaar twee jubilea gevierd. De hof en het kerkgebouw bestaan zo’n 75 jaar, de parochie (zeg maar de kerkgemeenschap) zelfs al precies een eeuw. We hebben het over de parochie gewijd aan de ‘H.H. (= Heilige) Martelaren van Gorcum’. Dat is de traditionele katholieke benaming van de negentien geestelijken uit Gorcum die door de protestantse Watergeuzen op 9 juli 1572 werden opgeknoopt in een turfschuur bij Den Briel. Vanwege haar prominente plaats in de Linnaeushof wordt de kerk ook wel Hofkerk genoemd.

Extra reden voor feest is het feit dat staatssecretaris Rick van der Ploeg de kerk in januari 2001 de status gaf van ‘kanjermonument’ oftewel belangrijk nationaal monument. Met de bijbehorende subsidie kon dit jaar de restauratie beginnen, die in maart aanstaande wordt afgerond.

Houten noodkerk

Honderd jaar geleden was de toenmalige gemeente Watergraafsmeer nog nauwelijks bebouwd. Rond 1900 stonden er nog drie buitenplaatsen van de vele die ‘de Meer’ ooit kende: Voorland, Rozenburg en Frankendael. Bij het eeuwenoude Rechthuis aan het begin van de Middenweg (nu een bankfiliaal) werden aan het eind van de 19de eeuw de eerste rijtjes woonhuizen voor eenvoudige burgers gebouwd. De gemeente Watergraafsmeer hoopte, door mee te werken aan bouwplannen, een annexatie door Amsterdam te voorkomen. Tevergeefs: in 1921 slokte de grote stad alsnog deze landelijke buurgemeente op.

Toen hier de bevolking duidelijk toenam, besloot het bisdom Haarlem, waaronder de Amsterdamse katholieken vielen, zo snel mogelijk een parochie in de Watergraafsmeer te stichten. Bisschop C.J.M. Bottemanne benoemde op 27 januari 1902 een Haagse pastoor, F.M. Busch, tot ‘bouwpastoor’ van de nieuwe parochie, die werd gewijd aan de Martelaren van Gorcum. Aan deze nieuwe parochie stonden de parochie van Sint Willibrordus buiten de Veste (Amsteldijk) en die van Sint Petrus’ Banden in Diemen beide een deel van hun ‘jachtterrein’ af. Voortvarend liet pastoor Busch meteen na zijn komst een houten noodkerk bouwen op de Linnaeusparkweg, hoek Linnaeusdwarsstraat, naar ontwerp van Paul de Jongh. Die werd op 30 oktober 1902 ingewijd. Het herenhuis Linnaeusparkweg 41, schuin tegenover de noodkerk, werd gehuurd als pastorie. Voor de bouw van de definitieve kerk moest eerst genoeg geld worden opgehaald. Busch mocht dat niet meer beleven; in 1909 trad hij oververmoeid af en vertrok naar Purmerend. Hij werd afgelost door Theodorus J. Zoetmulder, tot dan pastoor op Texel.

Zoetmulder was een eigengereide, energieke man. In 1912 werd op zijn aandrang ook de armere maar dichterbevolkte Transvaalbuurt bij de nieuwe parochie gevoegd; de pastoor wilde zelfs even zijn nieuwe kerk op het Krugerplein bouwen, maar kreeg daarvoor geen steun. Dus ging het kerkbestuur op zoek naar een geschikt terrein in de Watergraafsmeer én een goede architect. Naast een kerk moesten er ook woningen worden gebouwd, want die brachten geld en parochianen op. In 1918 werd de grond tussen de Middenweg, Linnaeusdwarsstraat, Linnaeusparkweg en Nieuweweg (nu Wethouder Frankeweg) gekocht. Bijna alle percelen voor woningbouw werden met een flinke winst doorverkocht aan de katholieke aannemer Jan Rozestraten. Die bebouwde in rap tempo achtereenvolgens de lange zijde van de hof, waarvan de achtertuinen grensden aan de Middenweg (nummer 50-92, 1925), de korte kant langs de Linnaeusdwarsstraat (7-18, 1927) en het noordelijkste stukje van de andere lange zijde, grenzend aan de Linnaeusparkweg (19-30, 1928). Al die huizen werden ontworpen door architect A.J. Kropholler, over wie straks méér. In 1935 ontwierp en bouwde Rozestraten zelf, aan de oostkant, de nummers 31-42, zij het wel met adviezen van Kropholler. De pastoor had graag gewild dat er zowel arbeiders- als middenstandswoningen zouden komen, maar de laagste huur werd ƒ 35, meer dan arbeiders konden betalen. Er woonden in de jaren dertig opvallend veel onderwijzers en leraren op de hof, maar ook accountants, asssuradeurs, ingenieurs en wat winkeliers. De ‘betere middenklasse’, kortom. Met naar goed katholiek gebruik vaak grote gezinnen: tien kinderen, daar keek niemand van op.

Er moesten natuurlijk ook scholen komen in de nieuwe parochie. Sinds 1906 bestond al de Leonardusschool voor jongens in de Ringlaan (nu Bessemerstraat). Maar het lag voor de hand de rest van de scholen te groeperen rondom de definitieve kerk, in de Linnaeushof. Op nummer 46 verrees allereerst in 1926 een bewaarschool (kleuterschool) en op nummer 45 werd in 1928 de Lidwinaschool geopend. Het onderwijs werd er verzorgd door nonnen, die op nummer 44 hun Zusterhuis lieten bouwen. Voor het uitgebreid lager onderwijs (ulo) lieten deze zusters op nummer 47-48 de Clara Feyschool bouwen; later werd dit ook de lagere school voor jongens.

Middeleeuwse eenvoud

Voor het ontwerp van de kerk en de hof twijfelde Zoetmulder tussen de brave De Jongh, bouwer van de noodkerk, die hij moeilijk kon passeren, en de veel originelere A.J. Kropholler, van wiens stoer-eenvoudige bouwstijl hij zeer onder de indruk was. Het probleem werd opgelost door de plotselinge dood van De Jongh in 1924. Kropholler kreeg de ontwerpopdracht, aannemer Rozestraten mocht het werk gaan uitvoeren.

De geboren Amsterdammer Alexander Kropholler (1881-1971), een leerling van H.P. Berlage, heeft vele katholieke kerken in Nederland ontworpen (waaronder de Sint Ritakerk in Amsterdam-Noord), plus een aantal raadhuizen en het Van Abbemuseum in Eindhoven. Pas op 29-jarige leeftijd trad hij toe tot de katholieke kerk. Daarbinnen voelde hij zich (net als pastoor Zoetmulder) aangetrokken tot de stroming die het kerkelijk leven wilde ontdoen van onnodige poespas en terugwilde naar de eerlijke eenvoud die naar hun idee de oorspronkelijke christelijke gemeenschappen van ruim achttien eeuwen eerder had gekenmerkt en zoals die in de Middeleeuwen was herontdekt door de benedictijner monniken. Soberheid en gemeenschapszin, daar ging het om. De nieuwe kerk had dan ook bijzonder weinig tierelantijnen. Bovendien was de plattegrond veel meer afgestemd op gezamenlijke viering. In de traditionele katholieke kerkgebouwen was het ‘schip’ van de kerk lang en smal en voorzien van veel dikke pilaren. Aan het eind daarvan stond op een hoog podium het altaar. Voor die hoge marmeren tafel stond de priester tijdens de mis met zijn rug naar de gelovigen toe Latijnse teksten te prevelen en met kelken te schuiven. Dat moest anders, vonden Zoetmulder en Kropholler. Het schip van ‘hun’ kerk werd korter en breder dan gebruikelijk, en er stonden geen dikke pilaren, zodat alle aanwezigen goed zicht hadden op het altaar. Bovendien: de priester stond áchter die altaartafel, met zijn gezicht naar de gelovigen. Van die nieuwlichterij moest de bisschop niets hebben. Maar Zoetmulder ging zoals steeds zijn eigen gang. Hij was zijn tijd ver vooruit: pas rond 1960 werd het regel dat priesters de mis lazen met hun gezicht naar het kerkvolk.

Kropholler bouwde de kerk niet in de traditionele pronkzuchtige neogothische of neobarokke stijl, maar trok de muren op van eerlijke oranje-rode baksteen, in een vorm die aan de vroeg-middeleeuwse kerken en kloosters deed denken, bars en intiem tegelijk. In 1927, nu 75 jaar geleden, werd de eerste steen gelegd. Op 21 maart 1929 wijdde bisschop Aengenent de kerk in, omstuwd door juichende parochianen. Pastoor Zoetmulder liet zijn gelukstranen de vrije loop.

 

“U hebt luidsprekers gewild?”

De parochianen woonden weliswaar verspreid over de hele Watersgraafsmeer en Transvaalbuurt, maar nergens woonden er zoveel op een kluitje als in de Linnaeushof. Bij de toewijzing van de huurwoningen in de hof keek administrateur J.A.M. Dijks van aannemersmaatschappij Rozenstraten allereerst naar de religieuze achtergrond van de aspirant-huurder. De zes apart staande herenhuizen midden in de hof, werden bij voorkeur toegewezen aan leden van het kerkbestuur.

Toch woonden al vóór de oorlog zeker niet alleen katholieken in de hof: in de jaren dertig werd nummer 19 bijvoorbeeld bewoond door de atheïstische en communistische kunstschilder Chris Beekman en zijn joodse partijgenoot Simon Goudmit, schrijver van novellen en romans over het joodse leven. Op nummer 11 kwam in 1940 J.H.F. Grönloh wonen, beter bekend als de schrijver Nescio; in 1956 verhuisde hij naar nummer 57. En, klap op de vuurpijl: in het blokje van zes herenhuizen woonde tussen de kerkmeesters nota bene een dominee, G.C. Berkouwer! Kennelijk kneep Dijks in de moeilijke jaren dertig steeds vaker een oogje toe.

Toch beschouwde pastoor Zoetmulder de hof in hoge mate als eigen terrein, getuige de regelmatige processies om de kerk. In Amsterdam waren godsdienstige optochten over de openbare weg verboden, maar de slimme pastoor had rondom de kerk een ‘privé-tuin’ aangelegd, die voornamelijk bestond uit een processiepad met wat smalle bloemperkjes, pal langs de straat. Daar trokken op hoogtijdagen de kerkelijke optochten met veel bekijks voorbij.

Strikt genomen hoefden de katholieke bewoners de hof eigenlijk nooit uit. Ze hadden er hun kerk, hun scholen en zelfs hun winkels: groenteboer Botman (nr. 8), bakker Kwakman (nr. 88-89), muziekhandel Heuwekemeijer (nr. 86), fietsenmaker Visser (nr. 29-30) en melkboer Zalmstra (nr. 49). En niet te vergeten op nummer 85 de R.K. Boekhandel van koster Pronk, die ook heiligenbeelden en rozenkransen verkocht.

In de crisisjaren kampten niet alleen de parochianen, maar ook het kerkbestuur met aanhoudende geldzorgen. Het probeerde, zoals toen gebruikelijk, zoveel mogelijk parochianen te verleiden tot het huren van een vaste kerkbank, waarop dan een bordje met de familienaam werd geschroefd. Wie dat niet betalen kon, diende plaats te nemen in de ‘armenbanken’ achter in de kerk of moest helemaal achterin blijven staan. Maar de verhuur van de banken verliep akelig traag. Een speciale commissie, de Parochie-Centrale, wist wel waarom, schreef ze in 1937 aan het kerkbestuur. Veel gelovigen in het territorium van de Martelaren van Gorcum-parochie gingen vaak naar andere kerken in Oost, zoals de Bonifatius op het Beukenplein, waar meer pracht en praal was, of waar het comfort groter was. “De voornaamste oorzaak van ontevredenheid is gelegen in de gebrekkige harmoniummuziek, in de vaak povere zang (dat uitsluitend Gregoriaansch wordt gezongen, laten wij nog maar buiten beschouwing), in de vaak slechte verlichting en in de acoustiek, welke in sommige deelen van de kerk het verstaan van het gesprokene uiterst moeilijk maakt.” Tot één concessie bleek het kerkbestuur met tegenzin bereid: er kwam in 1938 een elektrische geluidsinstallatie. Onwennig wijdde de pastoor deze in met de kortste preek in zijn loopbaan: “U... u... hebt luidsprekers gewild? Hier zijn ze. Het is een dure zaak geworden. Amen!”

Op liturgisch gebied was Zoetmulder progressief en voor eerbied voor zijn meerderen was hij niet in de wieg gelegd. “Een lastige heilige” noemde de nieuwe Haarlemse bisschop Huibers hem na zijn overlijden. Want bijzonder vroom was hij ook. En in sommige opzichten ook aartsconservatief. Voor bloot was hij bijvoorbeeld panisch bang. Vlak voor een huwelijksmis dwong hij een bruidje haar te diepe decolleté te bedekken met een zakdoek; in tranen trad zij voor het altaar. En ook deed hij niet mee aan de mode om ‘bruidsmeisjes’ als decoratief element in te zetten in zijn processies: die vond hij al veel te sensueel.

Disco onder het altaar

Zoetmulder, die overleed in 1942 werd opgevolgd door M.M. Nolet - een gemoedelijke man van de oude stempel. Bij zijn benoeming liet bisschop Huibers hem plechtig beloven dat hij de mis weer zou lezen met zijn rug naar het volk - en niet “ondersteboven of binnenste buiten”. Nolet hield méér dan zijn voorganger van de pracht en praal van het Rijke Roomse Leven. De processies werden voortaan opgesierd door vele schattige achtjarige ‘bruidjes’ en ook mismuziek van Mozart mócht voortaan.

De Transvaalbuurt en de westelijke Watergraafsmeer kregen in 1959 een eigen kerk: de moderne Christus Koningkerk in de James Wattstraat. De sfeer van de Martelaren-parochie werd daardoor wat elitairder. (De huidige pastor Essen merkte dat aan de bedeesdheid waarmee de Christus Koning-mensen de Hofkerk binnenkwamen, nadat hun eigen parochie in 1996 was opgeheven.)

Na het vertrek in 1960 van Nolet, en twee ‘tussenpausen, trad in 1969 P. de Reus aan als nieuwe pastoor, eenbevlogen aanhanger van de ‘politieke theologie’. Het wereldleed kreeg voortaan de volle aandacht en de beatmis maakte furore, maar met de processies was het voorgoed gedaan. Na een kort interregnum (1980-1986) van de veel introverter Gerard Emke werd een jaar lang gezocht naar een nieuwe zielenherder. In 1987 kreeg de kerk een ‘pastor’, inderdaad het Latijnse woord voor ‘herder’. Maar met de Hollandse titel ‘pastoor’ mocht Essen zich niet tooien, want hij was (en is) geen gewijd priester, omdat hij zich niet wilde binden aan de celibaatsverplichting. De parochianen waren er al snel mee verzoend en ze kwamen massaal naar de kerk toen Essen daar na een half jaar zijn huwelijk liet inzegenen.

Momenteel telt de parochie zo’n 500 leden, en in totaal zijn zeker 200 parochianen en andere buurtbewoners op de een of andere manier bij de kerk betrokken: door ‘vieringen’ bij te wonen (het woord ‘mis’ is uit de mode), mee te zingen in een koor (er zijn er een stuk of vijf in uiteenlopende stijlen!), de kerktuin te helpen onderhouden, deel te nemen aan een gespreksgroep of door koffie te komen drinken in de rechter zijbeuk, ooit een zijkapel, maar nu ‘koffiebeuk’ genoemd. Na iedere viering is daar een drukbezochte nazit.

De kerk wil nadrukkelijk een plaats van samenkomst zijn voor de parochianen, maar ook voor de hofbewoners. De Hofkelder, een ruimte onder het altaar, is omgebouwd tot disco, voor de jongeren uit de buurt. De kerk staat ieder jaar klaar om bij slecht weer de Bredeweg-opera te ontvangen. Zoals uitgerekend in dit jubileumjaar, toen duizend operaliefhebbers van de Brede- en Hogeweg ‘in processie’ naar de Hofkerk trokken.

Na 1980 zijn de meeste woningen verkocht aan de bewoners. Zo’n 50 niet verkochte woningen kwamen in eigendom van belegger Hoba, die de huizen alleen beschouwde als een beleggingsobject en niets aan onderhoud deed. Ten slotte kocht het gemeentelijk Grondbedrijf die huizen op en woonstichting Patrimonium verzorgde het onderhoud. Toen tot grote schrik van architectuurkenners Patrimonium de houten kozijnen wilde vervangen door aluminium kozijnen werd in 1990 de Vereniging tot Behoud van het Linnaeushof opgericht. Met succes: in 1998 kwam bijna de hele hof op de gemeentelijke monumentenlijst. Als in maart de restauratie van de kerk is voltooid, zijn hof en kerk weer klaar voor de net begonnen eeuw.

Met dank aan F.W. Boers, Nico Essen, Bert Hilhorst, Gerard Mulder, Bernadette Nijst-Velthuijse, C.S. De Pater-Bruseker en Frans Woortmeijer.

Literatuur

W. Nypels, Het kerkgebouw van de HH. Martelaren van Gorcum. Uitgave van de parochie, 1999.

Anneke C.H. Hofstede, ‘A.J. Kropholler, Een onbekend Amsterdams architect’, Ons Amsterdam, april 1985.

Piet Kleijn, 1862-1942, Thedorus Zoetmulder, bouwpastoor H.H. Martelaren van GorcumAmsterdam-Watergraafsmeer. 2000.

Zie verder: www.hofkerk.nl

Delen:

Jaargang:
2002 54

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Rood Amsterdam in zwart-wit
Rood Amsterdam in zwart-wit
16 december 2002
Een halve eeuw antiquariaat Schuhmacher
Een halve eeuw antiquariaat Schuhmacher
16 december 2002