25 mei 1994, Jodenbreestraat. Het Burgemeester van Tellegenhuis, bijgenaamd het Maupoleum wordt gesloopt.

De sloop van het Maupoleum op die wat natte woensdag in mei 1994 ging met feestgedruis gepaard. Onder tromgeroffel zwiepte een sloopkogel een zak met witte verf tegen de betonnen gevel van het megalomane gebouw aan de Jodenbreestraat. Die verf was een wenk naar de inmiddels hoogbejaarde architect Piet Zanstra. Zijn schepping had hoogstens een likje verf nodig, meende hij. 

Het Maupoleum. Zo noemde Amsterdam het Burgemeester Tellegenhuis al snel na de voltooiing in 1971. Een inkoppertje. Maurits (Maup) Caransa was de naam van de initiatiefnemer, vastgoedondernemer van beroep. En de gelijkenis van het gebouw met een mausoleum was onmiskenbaar. De naam ‘mausoleum’ is afgeleid van het immense, vijftig meter hoge grafmonument dat satraap Mausollos in de vierde eeuw voor Chr. voor zichzelf had laten bouwen in Klein-Azië. Maar terwijl zijn Mausoleum in de klassieke Oudheid een van de zeven wereldwonderen was, stond het  Maupoleum bekend als het lelijkste gebouw van Amsterdam. 

Caransa was met het idee gekomen om in de Jodenbreestraat een nieuw onderdak te verschaffen aan de textielhandelaren die vanouds in de Nieuwmarktbuurt zaten en moesten vertrekken wegens de sloopplannen van de gemeente. De verdiepingen boven hun zaken konden mooi verhuurd worden aan de universiteit, die door de enorme groei van de studentenaantallen worstelde met ruimteproblemen.

Het ontwerp van Zanstra paste in het Wederopbouwplan dat de gemeenteraad in 1953 aanvaard had en voorzag in een brede autoweg die het oostelijk en het westelijk deel van de stad moest verbinden volgens een tracé dwars door de Nieuwmarktbuurt naar het Centraal Station en vandaar via de Haarlemmerhouttuinen naar West. Die weg zou de stedelijke economie een impuls moeten geven, met aan weerszijden grote kantoorgebouwen. 

Een gebouw met een gevellengte van 220 meter (waarvan 180 meter aan de Jodenbreestraat) was in de stad nog niet eerder gebouwd. Voor de toegang naar de IJtunnel had al een kaalslag plaatsgevonden. Een deel van de Jodenbreestraat vanaf de Mozes en Aäronkerk had eraan moeten geloven – het kleine Markenplein voor de Portugese Synagoge was het grote Mr. Visserplein geworden – en de oostzijde van de Valkenburgerstraat was gesloopt. Tijdens de Hongerwinter waren overigens al veel panden waarvan de bewoners waren weggevoerd, ontdaan van hout en daarna ingestort of later wegens bouwvalligheid gesloopt.

 

Plaquette

De Jodenbreestraat was ooit de levensader van de Jodenhoek. De Jodenvervolging tijdens de Duitse bezetting betekende de doodklap, maar de verandering van het karakter van de straat was al veel eerder begonnen met de sanering van Uilenburg. Dat buurtje was met het ernaast gelegen Marken (Valkenburg) het meest overbevolkte, verkrotte en uitgewoonde stukje Amsterdam, waar het overgrote deel van de Joodse bevolking woonde. De Woningwet van 1902 maakte de weg vrij om van overheidswege in te grijpen in de ellendige woningsituaties. Een belangrijke rol hierbij speelde Jan Willem Tellegen, die in 1901 directeur van Bouw- en Woningtoezicht werd en vervolgens van 1915 tot zijn overlijden in 1921 burgemeester was.

Hij werd in 1912 gedelegeerd commissaris van het toen opgerichte Bouwfonds Handwerkers Vriendenkring, een Joodse belangenvereniging die zich ook als woningcorporatie ontpopte. In 1917 kon het eerste blok aan de Tugelaweg (hoek Maritzstraat) worden betrokken. Een gedenksteen met de naam van Tellegen herinnert er nog aan. Begin jaren twintig volgden nog meer huizenblokken van de Handwerkers Vriendenkring in de Transvaalbuurt.

Het was dus een goed idee om het nieuwe pand in de Jodenbreestraat, met doorgang naar het gesaneerde Uilenburg, te vernoemen naar burgemeester Tellegen. Meespeelde waarschijnlijk dat er in 1971 publiciteit rond zijn persoon was – onder meer in Ons Amsterdam– omdat hij 50 jaar eerder was overleden. In de universitaire correspondentie werd in 1969 nog over ‘het Caransagebouw’ gesproken, maar toen de economen, sociaalgeografen en hispanologen in februari 1972 naar de nieuwbouw verhuisden, was de bijnaam Maupoleum al ingeburgerd.

De officiële naam Burgemeester Tellegenhuis ontving het Maupoleum bij de opening op 13 april 1973. De voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, Joris Cammelbeeck, hield een toespraak. De Beheersraad had bedacht dat ‘mej. M. Tellegen’ een plaquette zou onthullen. Marie Anne Tellegen was de dochter van de oud-burgemeester en had als ‘dr. Max’ een belangrijke rol in het verzet gespeeld. Uit bezuiniging bleef het bij een ingelijste foto. 

 

Kuren

Heel wat minder krenterig was het eraan toegegaan bij het slaan van de eerste paal door burgemeester Ivo Samkalden op 20 maart 1969. Na afloop was er op kosten van Caransa een receptie in café Schiller op ‘zijn’ Rembrandtplein (dat hij grotendeels in bezit had gekregen). Emoties en zakelijke belangen waren bij hem met elkaar verweven: hij wilde de ‘textieljongens’ terwille zijn en hij had op z’n twintigste nog als nachtportier gewerkt in café Het Sterretje in de Jodenbreestraat. Na de dumphandel was hij in de vastgoedsector gestapt. De nieuwbouw in de Jodenbreestraat had hij al vóór de oplevering verkocht aan het Philips Pensioenfonds, maar hij hield het beheer in eigen handen. (Caransa’s zakelijk succes kreeg in 1977 een flinke knauw, toen hij ontvoerd werd en 10 miljoen losgeld moest betalen.)

Het Maupoleum vertoonde kuren vanaf het eerste begin. De buitenkant – een schotjeswand van sierbeton – kon nog wel bekoren, althans volgens architecten, maar de gebruikers hadden met het interieur te stellen. Vanwege de airconditioning kon er geen raam open – op eentje na, voor verhuizingen. Aan de zonkant was de temperatuur te hoog, aan de noordzijde te laag. De college- en examenzalen lagen in het midden, zonder goede luchtcirculatie. De gangen leken eindeloos lang. De laatste anderhalf jaar voor de sloop bewogen tijdelijke bewoners zich met skateboards voort.

De universiteit had het onfunctionele gebouw voor een periode van twintig jaar gehuurd, daarna was het rijp voor de sloop. Alleen actievoerende studenten van weleer hadden nog enige weemoedige gedachten bij de sloop van het Maupoleum. Er was de bezetting van het Bureau Inschrijvingen geweest in de strijd tegen collegegeldverhogingen in 1972/’73 en 1980 en daarna nog twee keer om andere zaken.

 

KADER

Piet Zanstra ontwierp nog een ander universitair huurpand, aan de Valkenburgstraat, dat een gevelwand van 227 meter moest krijgen. Het is er nooit gekomen. De lege ruimte van het gesloopte Maupoleum is in 1996 ingenomen door de theaterschool van Teun Koolhaas (neef van architect Rem), met winkels en kantoren naast de in ere herstelde Uilenburgerstraat. Ook enorme bouwmassa’s, maar met een vriendelijker uitstraling en aangenamer interieur. De Jodenbreestraat is versmald, omdat de weerstand tegen het doortrekken van de snelweg zo massaal was dat de gemeente ervan heeft afgezien.


 

Het Maupoleum, 2 oktober 1973. Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Meinummer 2019

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Architectuur
Editie:
Mei
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Hier gebeurde het