18de-Eeuwse vereniging hielp Joodse marktkooplui

In de poort van de Portugese Synagoge op het Jonas Daniël Meijerplein zit een gevelsteen met een Hebreeuwse inscriptie. Hij komt uit het in 1945 gesloopte dubbelpand Rapenburgerstraat 34-36 en herinnert aan een opmerkelijke vereniging die er sinds 1754 voor zorgde dat joodse marktkooplui ook in de provincie synagogediensten konden houden.
 

Rapenburgerstraat 34-36 was een dubbelpand met een dubbele stoep. Het huis stond aan de westelijke straatkant, die in de jaren zestig geheel werd gesloopt en sinds kort weer is bebouwd. In juli 1942 (de vereniging was toen waarschijnlijk al bijna anderhalve eeuw ter ziele) werden de joodse bewoners gedeporteerd. De leegstaande panden werden twee jaar later, in de Hongerwinter, leeggesloopt door Amsterdammers op zoek naar brandhout. De firma Grijzenhout, die het op instorten staande pand in maart 1945 sloopte, redde de steen en droeg hem over aan de synagoge. In het Jaarboek Amstelodamum van 1938 had dr. Marcus Boas, vader van de bekende historica en ingezonden-brievenschrijfster dr. Henriëtte Boas, de gevelsteen al uitvoerig beschreven.
Op de steen staan tussen de jaartalcijfers 17 en 92 in het Hebreeuws de beginletters van de woorden chewre kedouscho (heilige broederschap) en daaronder de naam Sa’adath Zekéniem (Steun aan Oude Lieden) plus het joodse jaartal 5552. Wat was dit voor een gezelschap? In de Bibliotheca Rosenthaliana, de beroemde collectie geschriften over het joodse leven in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, vond ik een kopie van het enige document dat Sa’adath Zekéniem heeft nagelaten; een andere kopie bevindt zich in New York. Het is het reglement van de broederschap, in 1768 in het Jiddisch gedrukt te Amsterdam. De in 1754 gestichte vereniging verstrekte, zoals de naam aangaf, inderdaad een klein pensioentje aan leden van 60 jaar en ouder. Maar de meest opmerkelijke activiteit was wel haar ‘reizende synagoge’.

Drie joodse gezinnen per dorp
In Amsterdam bestond sinds omstreeks 1600 een bloeiende joodse emeenschap, die zich geleidelijk in het stedelijk leven een bijzondere positie verworven had. Omstreeks 1670 gaf het protestantse stadsbestuur de joden (zowel de ‘Portugese’ of sefardische, uit Zuid-Europa, als de ‘Hoog-duitse’ of asjkenazische, uit Oost-Europa) toestemming grote openbare synagogen te bouwen, terwijl katholieken en remonstranten zich nog met schuilkerken tevreden moesten stellen. Kort na 1700 kwamen er ook openbare synagogen in Den Haag en Rotterdam, maar elders hadden de (veel kleinere) joodse gemeenschappen het verre van makkelijk. Overal waren weer andere regels van kracht, maar discriminerend waren die regels bijna steeds. Nergens, dus ook niet in Amsterdam, mochten joden lid zijn van een gilde, een uit de middeleeuwen stammende beroepsvereniging. Ze konden dus alleen terecht in beroepen die niet in een gilde waren georganiseerd, zoals arts of koopman. In veel gewesten gold de regel dat joden niet op het platteland mochten overnachten. En in Drenthe mochten maar drie joodse gezinnen per dorp wonen. Synagogen waren in de provincie vaak niet toegestaan, of onbetaalbaar voor de kleine geloofsgemeenschappen. In de hele Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waren rond 1759 slechts vijftien synagogen te vinden. 
Naast alle economische en politieke belemmeringen van buitenaf legde ook hun eigen godsdienst de joden maatschappelijke belemmeringen op. De sabbat was en is de wekelijkse gewijde rustdag van de joden. Die begint al (met een synagogedienst) op vrijdagavond bij zonsondergang en duurt voort tot zonsondergang op zaterdag. In die tijd mogen joden volgens hun orthodoxe regels niet alleen niet werken, maar ook geen vervoermiddelen gebruiken. Die laatste regel had tot gevolgd dat orthodoxe joden liefst op loopafstand van een synagoge en van koosjere winkels wilden wonen.

Voortijdig de markt verlaten
Het werkverbod op sabbat maakte dat joden in loondienst doorgaans maar vijf dagen per week konden werken, omdat in ons christelijke land op zondag de meeste bedrijven dicht waren. Mede daarom kozen veel joden een zelfstandig beroep. Relatief veel joden waren marktkoopman, marskramer of venter. Die waren eigen baas en dat werk viel buiten het gildeverband. Maar vooral de sabbat stelde rondtrekkende joodse kooplui voor bijzondere problemen. Als er ergens in de provincie op vrijdagmiddag (of op de middag voor een bijzondere joodse feestdag) markt werd gehouden, moest hij kiezen: óf thuis blijven, óf voortijdig de markt verlaten om nog voor donker een synagoge in een plaats in de omgeving te kunnen bereiken. In beide gevallen derfde hij inkomsten.
Dat was de belangrijkste reden waarom enkele joodse marktkooplieden in 1754 de vereniging Sa’adath Zekéniem oprichtten. Om joodse kooplieden in staat te stellen aan hun religieuze verplichtingen te voldoen in marktplaatsen waar een synagoge ontbrak en er ook in de verre omtrek geen te vinden was, stelde men twee verplaatsbare synagoge-inventarissen samen. Deze bevatten onder meer een Tora- of Wetsrol (een oprolbare doek tussen twee stokken met de tekst van de joodse wetten) en een kast om die in op te bergen, een lessenaar voor de Torarol, een biema oftewel een verhoging, een aanwijsstok met een handje (jad) eraan en kandelaars. Zo bepakt en bezakt trokken een chazzan en een sjammes het land door. De sjammes (synagogedienaar) zorgde voor het inrichten en schoonmaken van het lokaal, en de chazzan (voorganger-voorlezer) had een belangrijke rol bij de dienst. Soms reisde iemand mee om de contributies of de boetes te innen, maar dit kon ook door een van de andere aanwezigen worden gedaan. Bij één groep was de sjammes tevens sjouchet (slachter), voor de rituele slachtingen. De sjofarblazer (bazuinblazer voor Nieuwjaar) ging uit de aard der zaak slechts eens per jaar mee.
Voor een godsdienstoefening is ‘minjen’ nodig, dat wil zeggen een quorum van tien of meer meerderjarige joodse mannen. Een jongen wordt op zijn 13de jaar ‘barmitswe’ (zoon van de plicht) en dan als meerderjarig beschouwd. Leden van de Sa’adath Zekéniem waren verplicht de eigen reissynagogedienst bij te wonen. Als er eventueel een huissynagoge in een marktplaats was, mochten ze daar niet heen. Op te laat komen, praten of ruziën tijdens de dienst stond een boete. Het recht op voorlezen en op een jaardienst voor een overleden lid was geregeld. Omdat de diensten – met toestemming van de overheid – in een logement of bij mensen thuis werden gehouden, en dus onopvallend waren, zijn er weinig gegevens bekend over hoe het er toeging.

Ingewikkelde ‘dienstregeling’
Wie op de vrijdagmarkt in Utrecht stond, weten we dankzij een onderzoek van Jac. Zwarts, kon sinds 1720 naar de synagoge in Maarssen gaan. Maar na 1758 hoefden de kooplui de stad niet meer te verlaten en konden ze terecht in een logement in de Utrechtse Boterstraat. De reischewre hield hier diensten tot 1792, toen de synagoge aan de Springweg werd ingewijd. In Haarlem was Sa’adath Zekéniem van 1756 tot 1765 actief in een gehuurd lokaal in de Zoetestraat, met steun uit de extra-kas van de stad, totdat op het Bagijnhof (nu Goudsmidspleintje) een synagoge werd ingewijd.
Hoe wist men indertijd zonder krant, tijdschrift of vakblad waar en wanneer er markten waren? En hoe kon je weten of dit dag-, week-, kermis- of jaarmakrten waren en of daar paarden, vee, levensmiddelen, stoffen of tweedehands goederen verkocht werden? Kopers en marktkooplui konden de landelijk georiënteerde almanakken raadplegen. In de Amsterdamse Stichters Almanach van 1776 vond ik 31 plaatsen waar op vrijdag of op de dag voor een joodse feestdag markten werden gehouden. Hieronder waren vijftien plaatsen met één markt, elf plaatsen met twee markten en vijf plaatsen met drie markten. In dat jaar waren er markten in vier plaatsen met een synagoge. Me dunkt dat de jaarlijkse dienstregeling van de reissynagogen heel wat voeten in de aarde had, maar voor de leden betekende het een verruiming van keus en meer bestaansmogelijkheid. De sjammes moest zorgen voor koosjer brood en vlees, ter plaatse gekocht of meegenomen uit Amsterdam. Als een Sa’adath Zekéniem-lid tijdens de marktdagen ziek werd of kwam te overlijden, dienden de andere leden te handelen volgens het reglement. 
Ook over de uitkeringen aan oude leden geeft het reglement details. Leden ouder dan 60 jaar kregen in volgorde van de duur van hun lidmaatschap een uitkering van vier gulden per week. Hoe lang de vereniging Sa’adath Zekéniem heeft bestaan, is onbekend. Na 1800 wordt er geen gewag meer van gemaakt.
 

Delen:

Jaargang:
2000 52

Gerelateerd

Hoe hoger, hoe mooier
Hoe hoger, hoe mooier
1 december 2000
‘In wrâldstêd’
‘In wrâldstêd’
28 november 2000
Stadsmodder, paardenmest en boekweitdoppen
Stadsmodder, paardenmest en boekweitdoppen
28 november 2000