125 jaar amateurfotografie in Amsterdam

De Amsterdamse fotoclub NAFVA bestaat 125 jaar en is daarmee de oudste nog levende fotoclub op het Europese continent. In februari wordt dit jubileum gevierd met een tentoonstelling in het CBK en lezingen van prominente fotografen. Amsterdam was en is vaak het decor voor de fotografen van NAFVA. En ze kunnen er wat van!
 

De eerste amateurfotografen zijn rijke jongemannen met veel vrije tijd, vakbekwaamheid en een grote chemische kennis. Camera’s met toebehoren zijn duur, net als de benodigde chemicaliën. Het maken van een opname is een omslachtige bezigheid en de afwerking in de donkere kamer vereist tijdrovend geëxperimenteer om een aanvaardbare foto te krijgen. Zoals het goede 19de-eeuwers betaamt, richten zij een vereniging op. Op 1 september 1887 wordt de Amateur Fotografen Vereniging (AFV) in het leven geroepen door A.D. Loman jr, H. Van der Masch Spakler, J.J.M. Guy de Coral, A. Scheltema Beduin en G. Peck. De doelstellingen omvatten “alles wat kan strekken tot bevordering der fotografie”, meer in het bijzonder worden er bijeenkomsten, fotografeertochten en wedstrijden gehouden en een vakbibliotheek en leeskring opgericht. 
Al in 1888 krijgt de club landelijke bekendheid door een nationale tentoonstelling van amateurfoto’s te organiseren in het Muntgebouw. Vele nieuwe leden, ook van buiten Amsterdam, melden zich aan. Niet alleen amateurfotografen, ook vakfotografen en handelaren. Want zoals tot op heden in het huishoudelijk reglement staat: “Allen die de fotografie als liefhebberij beoefenen, onverschillig of zij die tevens in hun beroep toepassen, kunnen Lid der Vereeniging worden.” 
Drie jaar later volgt de Internationale Tentoonstelling tot Bevordering der Fotografie in samenwerking met zustervereniging Helios. De tentoonstelling moet het publiek bekend maken met de grote vorderingen op fotografisch gebied én nieuwe liefhebbers interesseren voor het zélf fotograferen. Er zijn afdelingen voor foto’s van amateur- en vakfotografen, maar ook een technisch/wetenschappelijke afdeling met wetenschappelijke instrumenten, fabrikantenstands en bijvoorbeeld een complete fotografische uitrusting van fotohandelaar en AFV-lid Meinard van Os.
De heren van de AFV volgen de nieuwste ontwikkelingen op de voet. Zo staan tijdens een ‘sciopticon’- oftewel ‘toverlantaarn’avond zaken op het programma als het “ontwikkelen van vergrotingen op broomzilvergelatine papier bij actinisch licht”, “de projectie van lantaarnplaten over chemisch-fotografische proeven” en de rol van “de fotografie bij de rechtspraak, ‘opgehelderd’ door beelden”. Er hangt een sfeer van ‘educatieve gezelligheid’. Daarvan getuigt ook de feestelijke bijeenkomst bij het vijfjarig bestaan “met veel dispuut en een diner, dat niet het minste van het Congres was.” 

Grote tentoonstellingen
Een ware doorbraak volgt in 1894. De vereniging kan een atelier met donkere kamers en vergader- en leeszalen inrichten op de hoek van het Spui en de Handboogsteeg. Er komen uitstekende ‘opnemings-toestellen’ te staan en er zijn achtergronden en verder ameublement aanwezig; een vakman staat klaar om de leden te helpen bij hun fotografisch werk ter plekke. De nieuwe locatie trekt zoveel nieuwe leden aan dat de teller al snel naar de 150 loopt. 
De tweewekelijkse bijeenkomsten zijn beurtelings gewijd aan ‘Verenigingszaken’ of ‘Het belang der fotografie’. Een primeur voor Nederland is de demonstratie van ‘proeven met X-stralen’. “Een angstig vermakelijk maar desniettemin leerzaam experiment!” Scholing is belangrijk. De AFV draagt dan ook veel bij aan de oprichting, ontwikkeling en verbetering van vakbladen gericht op de amateurfotografie: LUX (vanaf de oprichting in 1889 tot 1917) en daarna Focus.
Absoluut hoogtepunt in de vroege jaren is de internationale tentoonstelling in het Stedelijk Museum in 1908, die zeker 12.000 bezoekers uit binnen- en buitenland trekt. Daar hangen foto’s van negentig verenigingen uit dertien landen. Een wel heel bijzondere deelneemster is koningin Wilhelmina, die als verdienstelijk amateurfotografe 24 van haar foto’s beschikbaar stelt. De organiserende AFV is zeer vereerd, dat spreekt vanzelf. 
Als de vereniging 25 jaar bestaat, is het de tijd van het picturalisme: foto’s dienen stemmingsvol en kunstzinnig te zijn en moeten concurreren met schilderijen. De expositie bij dit jubileum in 1912 hangt er vol mee. Dat kan ook niet anders, want het doel is “de huidige stand van zaken der artistieke lichtbeeldkunst te doen kennen.” De lijst van geselecteerde foto’s vermeldt diverse edele afdrukprocedés, zoals broomoliedruk, bromide, broomverf, carbo, pigmogravure en oliedruk. In het eigen lokaal ligt een samengestelde kunstportefeuille ter inzage, die ook wordt uitgeleend.

Ambities sneuvelen 
De tevredenheid overheerst in 1912. Terugblikkend stelt de vereniging vast dat alle doelstellingen van de oprichters zijn verwezenlijkt. Het gáát de club ook voor de wind. Niet zonder reden is de naam twee jaar eerder officieel veranderd in Nederlandsche Amateur Fotografen Vereniging. De NAFV telt inmiddels bijna 500 leden, onder wie bekende fotografen, zoals Bernard Eilers, Henri Berssenbrugge en Adriaan Boer. Een grotere verenigingslocatie is nodig. En de tentoonstellingen zijn zo geslaagd dat het idee postvat om jaarlijks een nationale expositie uit te schrijven en eens in de vijf jaar een internationale. 
De plotselinge dood in 1924 van de legendarische voorzitter Ignatius Bispinck, die de kastekorten van de club steeds uit eigen zak aanzuiverde, maakt na dertig jaar voorzitterschap een abrupt einde aan de schijnbaar onbeperkte mogelijkheden. Er moet bezuinigd worden om de activiteiten op hetzelfde niveau voort te kunnen zetten. Onrealistische en dure ambities sneuvelen. De grote groei en bloei is nu voorbij; de jaren dertig en veertig zijn zwaar. Het ledental loopt sterk terug, mede door de opkomst van fotoclubs elders in het land. De NAFV verliest haar unieke positie, maar blijft overeind. Het aantal werkavonden neemt zelfs toe. Zo zijn er vanaf 1934 speciale avonden over kleinbeeldfotografie en eind jaren dertig leeft de belangstelling voor oude druktechnieken weer op. Maar grote tentoonstellingen blijven achterwege vanwege de kosten.
Hoewel de samenkomsten ‘van hoger hand’ verboden zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog, blijft de NAFV aanvankelijk actief, zo goed en zo kwaad als dat kan. Maar als de spertijd wordt afgekondigd en de bijeenkomsten noodgedwongen plaatsvinden op zaterdagochtend, komen nog maar weinig leden. Buiten fotograferen kan als spionage worden aangemerkt en is riskant; alleen binnenshuis portretten en stillevens zijn nog mogelijk. Materiaal wordt schaars. Zelf negatiefplaten en fotopapier maken biedt een oplossing. De fotoresultaten zijn matig, maar de bijeenkomsten om dat te leren zorgen voor contact tussen de leden. In de Hongerwinter van 1944 stagneert het clubleven totaal. 

Naoorlogse bloei
Na de bevrijding herleeft de club razendsnel. Al in juli 1945 komt een Buitengewone Algemene Jaarvergadering bijeen, waar de leden die niet uit de oorlog zijn teruggekeerd worden herdacht en NSB-ers het lidmaatschap wordt ontzegd. Clubtochten door de stad zijn zeer populair. Canadese militairen bieden tevergeefs astronomische aantallen sigaretten voor een camera. Er zijn weer wedstrijden en voordrachten. De fotografie democratiseert dankzij de sterk gedaalde materiaalkosten en het bedieningsgemak van de moderne camera’s. Beginnende (nieuwe) leden kunnen op een cursus “een beetje theorie en heel veel praktijk” leren, zonder extra kosten. En jawel, de NAFV organiseert weer tentoonstellingen. De eerste in 1947 bij het 60-jarig jubileum in de kunstzalen van Arti et Amicitiae. 
De tweede bloeiperiode komt ten einde in de jaren tachtig, als na de oliecrisis een tijd van bezuinigingen aanbreekt. In heel Nederland loopt het ledental van de fotoclubs terug. Als het ‘analoge’ tijdperk afloopt, rond het jaar 2000, telt de NAFV nog vijftig à zestig leden. In 2003 volgt een fusie met de kleinere zusterclub Amsterdamse Amateur Fotografen Vereniging (AAFV), die het ook moeilijk heeft, tot de Nederlandse Amateur Fotografen Vereniging Amsterdam (NAFVA). Het werk kan nu op peil worden gehouden: ‘dure’ sprekers, educatieve activiteiten, professionele workshops. Decennialang hadden beide verenigingen beurtelings in vriendschap en in onmin geleefd. Ook de AAFV wist na haar oprichting in 1923 naam te maken met een lange reeks spraakmakende nationale tentoonstellingen. 
De recente overgang van analoge naar digitale fotografie verloopt niet zonder moeite. De leden van de NAFV hechten aan analoog en zwart-wit, bij de AAFV zijn ze wat vlotter. Maar na de fusie gaat het snel. De cursussen voor beginners keren terug, nu toegespitst op het leren omgaan met digitale beeldverwerking. Digitaal blijkt niet het gevreesde einde te zijn van de serieuze vrijetijdsfotografie. Integendeel, de NAFVA bloeit op. Nieuwe leden, onder wie opvallend veel vrouwelijk talent, stroomt toe. De actief beheerde website http://www.nafva.nl bewijst dat de vrijtijdsfotografie in het digitale tijdperk floreert als nooit tevoren. 
 

Delen: