Nummer 1: Januari 2018

HdeK-2-gevel

De allereerste organisatie die werd opgericht voor het behoud van Nederlands architectonisch erfgoed was de Bond Heemschut in 1911. Maar zeven jaar later was de Vereeniging Hendrick de Keyser een goede tweede. Na een eeuw zet zij haar werk nog steeds onverdroten voort. En koestert de vereniging één grote wens.

De eerste twintig jaar van de 20ste eeuw was Nederland in de ban van een geweldige moderniseringsslag, met Amsterdam ruim aan kop. Her en der verrezen kolossale kantoren – denk aan gebouw Industria aan Dam/Rokin, het Scheepvaarthuis op de Prins Hendrikkade en het gebouw van de Nederlandsche Handelmaatschappij in de Vijzelstraat, nu het Stadsarchief. Historisch zeer waardevolle huizenblokken moesten eraan geloven.

Eind 1917 was de maat vol voor wijnhandelaar Jacobus Boelen, kunstschilder Jan Veth, bankier Julius Bunge en nog wat vrienden. Alweer gingen er enkele schitterende 17de- eeuwse huizen tegen de vlakte, nu op de hoek van de Westermarkt (stille kant) en de Keizersgracht ten behoeve van het kantoorgebouw Huize Labor, ontworpen door Gerrit van Arkel.

Zij richtten op 3 januari 1918 een vereniging op "tot behoud van architectonisch of historisch belangrijke oude gebouwen, in het bijzonder in Amsterdam" en vernoemden die naar de beroemdste bouwmeester van de Gouden Eeuw. De speciale voorkeur voor de hoofdstad werd overigens al in het oprichtingsjaar opgegeven. In 1919 kocht de Vereeniging Hendrick de Keyser huizen in onder meer Enkhuizen, Gorinchem en Middelburg.

Pareltjes

De iets oudere Bond Heemschut was en is in de eerste plaats een (zeer beschaafde) actiegroep, die protest aantekent tegen iedere schending van cultuurmonumenten en ijvert voor beschermende overheidsmaatregelen. Dat was destijds vechten tegen de bierkaai. De nieuwe vereniging pakte het praktischer aan: ze kocht bedreigde panden, knapte die op en verhuurde ze. Nieuwebrugsteeg 13 was de allereerste aankoop, toen een bakkerij, nu een knus café.
Heel veel kapitaal had de jonge vereniging natuurlijk nog niet, vertellen Niek Smit (51) en Wouter van Elburg (23), als architectuurhistorici verbonden aan 'Hendrick de Keyser'. Van Elburg: "Ze kocht dus vooralsnog geen grootste grachtenpaleizen, maar kleine pareltjes in verkrotte buurten als de Jordaan en de Wallen. Hoekpanden hadden de voorkeur, omdat die extra bepalend zijn voor het stadsbeeld. Bijvoorbeeld Prinsengracht 2 en 4, hoek Brouwersgracht: nu café Papeneiland met dat heel smalle buurhuis."

Die hoek is oneindig vaak geschilderd, getekend en gefotografeerd. "In het begin had het bestuur vooral oog voor fraaie gevels. Als wat daarachter zat zwaar verkrot was, kwam dat wat al te laat aan het licht. Hoe riskant dat was, bleek toen de gemeente rond 1928 de woningnormen aanscherpte. Op heel wat HdK-huizen hing ineens een bordje 'Onbewoonbaar verklaard'!"

Pas in de jaren dertig werden de eerste monumentale grachtenpanden verworven – als schenking. Het eerste grote pand dat HdK cadeau kreeg (in 1933) was ook meteen een van de mooiste: Herengracht 284, bekend als Huis Van Brienen. Tot 2009 was het in gebruik als verenigingskantoor. Nu zijn directie en staf te vinden in Huis Bartolotti, Herengracht 170-172.

Streng

Sinds de Monumentenwet van 1961 restauratiesubsidies mogelijk maakte, is er een reeks verwante organisaties bij gekomen, zoals Stadsherstel en kleinere clubs als de Stichting Diogenes. Stadsherstel is zelfs mede op initiatief van Hendrick de Keyser opgericht.* "Ja, Stadsherstel lijkt op ons", zegt Niek Smit. "Ook zij redden monumentale panden door ze te kopen en verhuren. Maar Stadsherstel werkt regionaal en kijkt vooral naar het stadsbeeld als geheel, terwijl wij landelijk naar de pareltjes met kwetsbare interieurs zoeken. Op deze wijze vullen we elkaar goed aan."

'Hendrick de Keyser' is heel streng, vervolgt hij. "Het behoud van het pand in al z'n glorie gaat boven het belang van de gebruiker." Ook op een ander punt blijft HdK zeer principieel: is een pand eenmaal verworven, dan wordt het niet meer verkocht – ook niet als de hoge huizenprijzen dat zo verleidelijk maken. Op die manier wordt het behoud van kwetsbare historische huizen op lange termijn veilig gesteld. Inmiddels heeft Hendrick de Keyser 419 panden, waarvan 82 in Amsterdam.

De vereniging kent naast huurders ook leden (€ 30,- per jaar). Leden mogen ongeveer 100 bijzondere panden op Open Dagen vanbinnen bekijken en krijgen lezingen en excursies voorgeschoteld. Vanaf 2018 worden gefaseerd 35 panden ('Museumhuizen') niet meer verhuurd, maar permanent opengesteld voor het publiek. Samen bieden die een beeld van 400 jaar woonhuisontwikkeling in Nederland. Smit: "Ons verwervingsbeleid is sinds de jaren tachtig steeds diverser geworden. Sindsdien hebben we ook heel wat 19de- en 20ste-eeuwse panden in allerlei stijlen gekocht of gekregen. Niet alleen groot en chic, maar ook gaaf bewaarde arbeidershuisjes."
Een laatste vraag: is het totale bezit écht representatief voor de hele woongeschiedenis? "Nou, ik heb nog wel één grote wens", bekent Smit. "Een paar Amsterdamse-Schoolpanden. Die hebben we nog niet. Maar ja, ze zijn duur..."