Nummer 9: September 2017

CoverSeptember2017 145x205 OAM17 ES16120108 TDS NR9-2017

 

Prijs €6,- Bestel

 Op de omslag: De Oudemanhuispoort in 1792, tekening Herman Schouten.

- Uniek inkijkje in 18de-eeuws Amsterdam

- Literaire superster in Amsterdam

- Opkomst en ondergang van het Persmuseum

- De boerderij van de jonkheer

- Bob Bouber: pionier van de nederbeat

En verder:

- Vaste route van MATTHIJS VAN HEIJNINGEN

- Hier gebeurde het: Paulus Potterstraat 13, Het geveltoppenschandaal, juni 1947

- Stem uit het verleden: George Funke


Kleurrijk Amsterdam in 18de-eeuwse tekeningen Prent-1-huistafereel

De Dam, de grote kerken en synagogen, de stadspoorten, we zien ze allemaal op de razend gedetailleerde 18de-eeuwse tekeningen van Amsterdamse straattaferelen. Flanerende dames en heren, nijvere handwerkslieden en straatverkopers, bedelaars en dronkenlappen, héél veel hondjes en menige kar die ratelt op de keien. De expositie Kijk Amsterdam 1700-1800 in het Stadsarchief geeft een fascinerend beeld van het dagelijks leven destijds. We lichten er een paar thema's uit.

Rembrandt tekende regelmatig Amsterdamse stadsgezichten en hij was niet de enige in de 17de eeuw, maar pas echt populair werd het genre in de eeuw erna. Alleen van Rome en Venetië bleven heel misschien nog wel meer stadsgezichten bewaard; in de Nederlanden komen alleen Haarlem en Leiden een beetje in de buurt. Het Stadsarchief heeft een collectie van duizenden prenten gemaakt door honderden tekenaars, onder wie grote namen als Reinier Vinkeles, Herman Schouten, Simon Fokke en Jacob Cats. Onder de hoede van Bert Gerlagh is er nu een mooie expositie samengesteld, zijn laatste. Hij beheerde tientallen jaren de tekeningen en prenten van het archief. "Hoe meer ik ervan zie, hoe meer ik ervan leer en hoe mooier ze worden", zegt hij.
Centraal staan de originele tekeningen, niet de gedrukte prenten die op basis van die tekeningen werden gemaakt en verkocht in soms hoge oplagen. Het accent ligt op de tweede helft van de 18de eeuw, al begon iemand als Cornelis Pronk (1691-1759) al rond 1725 met topografische tekeningen. Een van zijn leerlingen was (circa 1735) de zeer productieve Jan de Beijer (1703-1780), geboren in Zwitserland en getogen in het Duitse Emmerich. Na zijn leertijd maakte hij tekeningen overal in Nederland en rond Emmerich, maar vanaf 1751 werkte hij weer in Amsterdam.

Voordelig
In zijn kielzog traden grote kunstenaars als Schouten, Vinkeles, Fokke en Cats (niet te verwarren met de gelijknamige 17de-eeuwse dichter). Allemaal streefden ze naar grote levensechtheid, ieder had zijn eigen stijl. Gerlagh geeft een voorbeeld: "Aan Cats' tekeningen kan je zien dat hij van oorsprong schilder was. Schouten (naast tekenaar ook zilversmid) was nóg preciezer, maar met minder diepte."
De topografische tekenkunst bloeide bij de gratie van de vele gefortuneerde verzamelaars, die vaak ook opdrachtgever waren. Twee van hen zijn houthandelaar/kunstenaar/verzamelaar/prentenuitgever Cornelis Ploos van Amstel (in de wandeling Cees Ploos; 1726-1798) en verzamelaar en uitgever Pieter Fouquet jr (1729-1800). (Zijn Atlas van Amsterdam werd zo'n 40 jaar geleden opnieuw een hit toen het toenmalige antiquariaat Pfann een verkleinde vorm liet drukken.)
De weergave van de stad lijkt natuurgetrouw. Maar is dat wel zo? Tja. Ploos van Amstel maakte in 1781 duidelijk hoe hij de aangeleverde tekeningen graag zag – en de kunstenaars knoopten de boodschap in hun oren. Hij koesterde nog steeds de idealen van het 17de-eeuwse classicisme: kunst moest 'verheven' zijn. Maar de 'lagere standen' en vervallen huizen mochten best in beeld. Al moesten ze dan wel weer in hun soort zo voordelig mogelijk worden getekend. Schooiers dragen schone kleren, de drollen liggen artistiek verantwoord op het plaveisel en altijd schijnt de zon.


Thema 1: Arm en rijk
Kleren maakten de man – en de vrouw – ook in de 18de eeuw. Misschien wel juist in de 18de eeuw, want door de betere standen werd aan de 'opsmuk' in brede zin ongelooflijk veel tijd en geld besteed. Het was de pruikentijd. De mode waaide eind 17de eeuw naar de Nederlanden over, nadat die rond 1660 was begonnen aan het hof van de Franse Zonnekoning Lodewijk IV. Wie het kon betalen droeg begin 18de eeuw bij voorkeur 'allongepruiken': hangend tot op de schouders en zwaar bepoederd. Tegen het eind van de eeuw werden de herenpruiken korter en eindigden in een staartje of waren opgerond aan weerszijden van het hoofd. Als hoofddeksel werd buitenshuis de driesteek gedragen, met de rand aan drie zijden opgeslagen. Dames droegen hun kapsels in de loop van de eeuw steeds hoger, met behulp van aanvullende haarstukjes. Heren gingen in lange jassen en kleurige kuitbroeken gekleed, dames in lange en steeds wijdere jurken.
De werklieden hielden het eenvoudiger op een wambuis en een breed zittende broek. Arm en rijk kwamen elkaar allerwegen tegen. Bedelaars waren overal. Dat was handig voor wie door het geven van aalmoezen zijn of haar zielenheil wilde veilig stellen. Maar geregeld ook werden wegens 'overlast' deze 'vagebonden' opgepakt en opgesloten.


Thema 2: Dood en begraven
'Een doodshemd heeft geen zakken', leert het spreekwoord, en daarom werd er bij de uitvaart van hooggeplaatsten niet op een stuiver gekeken. Een praalrijke begrafenis verhoogde het prestige van zowel de overledene als de nazaten.


Thema 3: Suyp-stadt
Al in de 17de eeuw werd Amsterdam een 'suyp-stadt'genoemd en in de volgende eeuw ging het vele drinken vrolijk door. Vermoedelijk omstreeks 1790 maakte Jacob Cats met kennelijk plezier een paar tekeningen van een avondje uit van enkele vrienden.

 

September 2017


'Jenever om voor te knielen' Verlaine-1-aan-tafel

Van 7 tot 11 november 1892 logeerde Paul Verlaine (1844-1896) in AmsterdamOost. De Franse dichter, beroemd om zijn magnifieke verzen en berucht door zijn onorthodoxe en gewelddadige levenswandel, gaf twee lezingen. Omringd door bewonderaars kreeg hij een tour d'horizon van Rijksmuseum tot Nes. Vooral de Schiedamse bittertjes bevielen hem.

 

Laat op de avond van maandag 7 november 1892 vertrok een stoet van drie 'aapjes' van het Centraal Station. Nu gingen er vaak genoeg rijtuigen in colonne door de stad, maar deze was bijzonder.


Il pleure dans mon coeur Het huilt in mijn hart
Comme il pleut sur la ville Als de regen op de stad
Quelle est cette langueur Wat is dit lome wee
Qui pénètre mon coeur? Dat op mijn hart zo weegt?
(Vertaling Jules Grandgagnage.)


Het regende weliswaar niet, maar feit is dat de man van deze onvergetelijke verzen hier begon aan zijn eerste en tevens laatste bezoek aan Amsterdam. Of Paul Verlaine met zwaar gemoed in een van de rijtuigen zat, lijkt niet waarschijnlijk. Gewoonlijk was spleen, de alomtegenwoordige melancholie, zijn metgezel, net als trouwens de 'groene fee', de absint. Maar nu ging de Franse dichter vergezeld door de jonge kunstenaars van de beweging van Tachtig, die zijn bundels als Fêtes galantes (1869) en Romances sans paroles (1874) hadden verslonden.
Iedereen was op de hoogte van Verlaines notoire drankzucht, losbandigheid en de diverse schandalen. Hij had wat op zijn kerfstok, waarbij vooral de mislukte moordaanslag op de dichter Arthur Rimbaud in 1873 in het oog sprong. Het kostte hem twee jaar gevangenschap. In 1885 kreeg hij een maand, nadat hij zijn moeder had mishandeld. Kortom, geen gemakkelijk heerschap, maar 'Pauvre Lélian', zoals zijn zelfgekozen anagram luidde, was inmiddels broos van gezondheid en zat financieel aan de grond. Vandaar dat op initiatief van een groep Nederlandse kunstenaars een lezingentournee voor hem was georganiseerd in Den Haag, Leiden en Amsterdam.
Verlaines bezoek is gul gedocumenteerd: brieven met Verlaine, correspondentie tussen de initiatiefnemers van zijn lezingentournee en binnen de kring van kunstenaars, tal van krantenartikelen, herinneringen van later datum, en natuurlijk Verlaines eigen Quinze jours en Hollande. Lettres à un ami. Het verscheen eind 1893. Heel lang is het aangezien voor een adequaat en authentiek reisverslag, maar zoals Freek Heijbroek en A.A.M. Vis in 1985 aantoonden in Verlaine in Nederland, is wel erg veel materiaal naderhand aangereikt door de graficus Philippe Zilcken, bij wie hij in Den Haag had gelogeerd vóór hij naar zijn volgende pleisterplaats reisde.

Tuchthuisboef
Op die bewuste maandagavond had hij eerst in Leiden een voordracht gehouden. Dit zeer tegen de zin van de Leidse hoogleraar Nederlandse letterkunde Jan ten Brink die hem "een tuchthuisboef" noemde. Pieter Lodewijk Tak begeleidde de dichter naar de hoofdstad. "Mr. Tak – un type!", zei Verlaine over de gezette politiek journalist, die hij, een niet-roker, het roken van "une pipe énorme" toedichtte. Daar stond het ontvangstcomité, van wie de prominenten tevens de Amsterdamse lezing in Maison Couturier op 8 november hadden aanbevolen per circulaire. Kaarten à ƒ 2,50 waren beschikbaar bij boekhandels als Maison Meier op het Damrak en Scheltema & Holkema op het Rokin. Een beperkt aantal ook bij de organisatoren: behalve Tak, de dichter Willem Kloos (voor wie de combinatie spleen en alcohol al even aanwezig was), de twee studenten en Propria Cures-auteurs Pet Tideman en Gijsbert van Tienhoven jr. en Willem Witsen, de schilder, etser en fotograaf, bij wie Verlaine ging logeren.
De tocht voerde langs de grachten en over de beboomde Plantage Middenlaan, alwaar Verlaine enige theaters ontwaarde, en over de Singelgracht naar de nieuwe buitenwijk aan het Oosterpark in aanleg: "Finalement nous arrivons." Isaac Israels – benedenbuurman van Witsen – stond al te wachten en daar ging het gezelschap naar de eerste etage voor een laat souper. Witsens verloofde Betsy van Vloten was de enige vrouw. Frans Erens herinnerde zich brood met vlees en bedeesde conversatie; Verlaine noemde een smakelijke paté, heerlijke gerookte vis, een goede ragout, alles overvloedig besproeid met bordeaux, jenever "om voor te knielen" en sterke koffie, door Israels gezet. Er werden sigaren gerookt en plaisanterieën uitgewisseld tot een uur of twee in de morgen. Waarna de logé zich – "Ouf! Je me couche" – terugtrok in zijn logeerkamer om pas laat op te staan.

Rondtoer
De slaapkamer op het zuiden bood door de twee flinke ramen zicht op de ruime binnenplaats en de tuinen en huizen aan de Tweede Parkstraat*. Verlaine heeft terwijl hij toilet maakte in de "très belle chambre" het uitzicht in zich opgenomen: de achterkanten van de huizenrij deden nogal Londens aan, "presque trop londonien" zelfs. De straat waar Witsen woonde, scheen hem een betere dan die van de achterburen, want op de binnenplaats van het logeeradres stonden bomen waar géén wasgoed aan de lijn hing, waar zich géén rommeltje van potten en pannen en kookgerei bevond.
November was zacht en droog. Witsen bestelde aan het eind van dinsdagmiddag een open landauer. Erens zat naast Verlaine op de achterbank en noteerde dat de dichter voornamelijk oog had voor zijn Franse courant. De rondtoer ging in etappes van bezienswaardigheid naar lokaliteit. Een daarvan was de Caves de France in de Kalverstraat. Kwistig werden bittertjes genuttigd en het gevolg van Verlaines nieuwe vrienden zwelde steeds meer aan, onder wie schilder-schrijver Jac van Looy met zijn vrouw, schrijver-psychiater Frederik van Eeden en schrijver-arts Arnold Aletrino. Na de "tour formidable" volgde een diner met oesters.
De Amsterdamse initiatiefnemers hadden de Haagse lezingen bijgewoond en gemeend op de uitnodigingskaarten te moeten vermelden: "Men wordt verzocht niet te applaudisseeren". Dat is in de goed gevulde grote zaal van Maison Couturier op Keizersgracht 674 ook niet gebeurd. De aanvang was bepaald indrukwekkend. Verlaine trad binnen en het publiek, zich bewust van de historische gebeurtenis, rees als één man en vrouw. Het bevreemde en ontroerde hem, maar ook een decadent dichter is niet heilig, toen ook al niet: zijn présence leidde tot badinerende commentaren. Charles Boissevain had in het Algemeen Handelsblad een van de pittigste: "Wat de groote, ongelukkige dichter zeide, kon niemands ooren kwetsen, ook al had hij niet geweten dat vrouwen naar hem zouden luisteren." Het merendeel van het publiek verstond nauwelijks iets, want Verlaine sprak zacht, om niet te zeggen binnensmonds.

Sjamberloek
Misschien lag het aan de lange vermoeiende dag, wat niet wegnam dat na afloop van het optreden de Nes op het programma stond. In de straat van tingeltangels, bordelen en theatertjes bezochten ze een revue. Daarna slonk het gezelschap weer. Kloos, die er erg vermoeid uitzag, stond erop hem te begeleiden tot de Eerste Parkstraat. Restte die nacht nog een praatje bij een sigaartje en nog een glaasje Schiedammer en dan een "bonne nuit" op de drempel van "mijn kamer".
Drukte noch bewondering weerhielden Witsen ervan om zijn gast te laten poseren voor zijn camera. Hij maakte close-ups spelend met het licht over de ernstige kop met de zware wenkbrauwen, portretten ten voeten uit en een enkele actiefoto – de tijd in aanmerking genomen dat men in die dagen onbewegelijk moest blijven. Daar zit Verlaine, achter de gedekte ontbijttafel aan het raam in Witsens atelier, gehuld in een gebloemde sjamberloek, een kalotje op zijn kalende schedel en een pince-nez voor de donkere ogen, zijn pijp in zijn linkerknuist, verdiept in zijn krantje. Over het werk van zijn gastheer Witsen – "un peintre, homme sérieux, concentré" – dat in diverse stadia overal te zien was, vertelde Verlaine in zijn reisverslag niets, wel repte hij van thee bij Israels in het atelier beneden. Dat hij, terwijl de oude huishoudster er vrolijk aan het werk was, nergens méér had genoten van "the drink which warms people, but never intoxicates them, Sir!" Zelfs in het traditionele Albion niet.
Verlaine was geïntrigeerd door de kleine Israels en vooral door diens "petit croquis (schetsje, red.) délicieusement caricatural", in een oogwenk neergezet. In Den Haag was Verlaine al getekend door Jan Toorop, Philippe Zilcken en Jan Veth, maar voor dit rake krabbeltje wilde hij een moord doen. Israels deed er geen afstand van. Naderhand fotografeerde Witsen de tekening en Israels gebruikte een van Witsens foto's voor nóg een tekening van Verlaine. Hierop draagt hij de fameuze sjamberloek. Erens, die zijn afdruk van Witsens staand portret van Verlaine koesterde, meende nadien dat de lichtgele zijden huisjas door Israels uitgeleend was. Volgens Jacqueline Rooyaards-Sandberg behoorde het enigszins versleten kledingstuk tot Verlaines reisgarderobe. De dichter was hem vergeten. Ze poseerde er voor Israels in met haar viool.

Grandioos
Betsy van Vloten zou zich er later zeer aan storen, dat Verlaine abusievelijk Israels als gastheer noemde. Verlaine heeft zijn bundel Romances sans paroles gesigneerd: "à Monsieur Isaac Israëls Souvenir bien cordial Paul Verlaine". Het staat nog altijd in Witsens boekenkast aan het Oosterpark, naast het gesigneerde exemplaar van Quinze jours en Hollande.
Door het artikel van Boissevain en ondanks een tegenstuk van Jacob Nicolaas van Hall om heden "Frankrijks grootsen dichter" toch te gaan horen, kwamen donderdag 10 november bedroevend weinig mensen opdraven voor de tweede lezing, die daarom verhuisde van de grote naar de kleine zaal in Couturier. Wie zich had laten afschrikken, miste een vieve Verlaine, die mooi vertelde en goed uit eigen werk las. Van Looy schreef Lodewijk van Deyssel dat hij "grandioos" was geweest. Overdag had Verlaine het Rijksmuseum bezocht met Toorop en Tak. De kunstenaar Jan Veth stuurde Zilcken op diens verzoek op 12 januari 1893 gegevens over het regentenstuk van Cornelis Troost: "Verlaine kan daar dan uithalen wat hij wil."
Tak berichtte aan Zilcken de netto opbrengsten: ƒ 255,75 voor de eerste en slechts ƒ 26,40 voor de tweede lezing. Dat laatste door "een zeer valsch nootje van Ch. Boissevain", daarover was iedereen het eens. Financieel mag het dan geen succes zijn geweest, de kring van de Tachtigers zou het bezoek van Verlaine, die op vrijdagmiddag 11 november begeleid door Jan Toorop weer vertrok, niet licht vergeten. Iedereen was verrukt van de foto's die Witsen had gemaakt van de dichter en ook van zijn andere bezoekers. Toorop schreef hem hoe "verdomd gezellig" hij het op de Eerste Parkstraat had gevonden, "Ik dank je nog wel voor je allemachtig hartelijke ontvangst." Hij was benieuwd naar Witsens portret van Verlaine: "Is dat goed uitgevallen? En de mijne ook?"

Herinnering
In Nederland verkocht Quinze jours en Hollande niet uitbundig en met Verlaine zelf ging het slecht, al werd hij financieel ondersteund door de koningin van de Franse salons, Elisabeth gravin Greffulhe. Een medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant die hem in het ziekenhuis bezocht, constateerde tot zijn grote teleurstelling dat Verlaine zich van de Hollandse literaire tournee vrijwel niets meer herinnerde dan wat "stukjes van avondjes, de Nes...". Na enig aandringen kon de zieke dichter één iemand beschrijven, een man met veel haar en toen hij goed nadacht, wist hij één naam: Jean Toorop. Op 8 januari 1896 stierf 'de prins der dichters'.
De achterkamer op de eerste etage aan het Oosterpark waar hij die vier nachten had geslapen kreeg meteen na zijn vertrek de naam die ze tot op de dag van vandaag heeft: de Verlainekamer.


JESSICA VOETEN IS JOURNALIST.
* SINDS 1895 HEET DE TWEEDE PARKSTRAAT DE TWEEDE OOSTERPARKSTRAAT EN DE EERSTE PARKSTRAAT HET OOSTERPARK. WITSEN WOONDE OP EERSTE PARKSTRAAT 438, NU OOSTERPARK 82.

September 2017


Amsterdam neemt afscheid van een dikke eeuw Persmuseum Inhoud-3-affiche

Het Persmuseum is weg uit Amsterdam. Gefuseerd met het Instituut voor Beeld en Geluid en verhuisd naar Hilversum. Gelukkig is het archief achtergebleven bij het IISG. Met de 'bankjesfoto' van Endstra en Holleeder in een gouden kitschlijst, de haas van Willem Oltmans, de stoel van NRC-coryfee Jérôme Heldring, tekeningen van Albert Hahn, Opland, Eppo Doeve, alle jaargangen van Het Parool en nog heel, heel veel meer. Maar het afscheid doet pijn.

Er verandert niks, hoor! Zo heette de laatste expositie in het Persmuseum aan de Zeeburgerkade. Een expositie met tekeningen van de in december vorig jaar overleden tekenaar Peter van Straaten. Een ironische titel, want na 18 juni jongstleden is voor het museum alles veranderd. Aan het eind van die dag sloot het Persmuseum voor de laatste keer de deuren in Amsterdam. Anderhalve maand eerder – op 3 mei, de Dag van de Persvrijheid – werd de fusie met het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum ondertekend. Jan Muller, directeur van Beeld en Geluid, zei: "Het is alsof een meisje van twintig de bruid wordt van een man van 102." Het Nederlands Audiovisueel Archief, waar Beeld en Geluid uit voortkwam, dateert van 1997, terwijl het Persmuseum begin vorige eeuw het levenslicht zag.
Het Persmuseum ontstond uit de omvangrijke collectie dag- en weekbladen van D.A. van Waalwijk (1853-1937), directeur van Het Nieuwsblad voor Nederland. "Als ik de chaotische massa, die in een hoek van mijne kamer opgestapeld lag en allengs meer onder stof begraven werd, van tijd tot tijd aanschouwde, kwam wel eens de gedachte bij mij op, er het vuur in mijn kachel mee te onderhouden. Intusschen, zoover is het niet gekomen", schreef hij in maart 1903 in de eerste circulaire van het 'Nederlandsche Pers-museum'.
Bijna 30.000 periodieken verspreid over 2700 titels werden ondergebracht in Gebouw Concordia aan de Nieuwezijds Voorburgwal 345. Conservator Albert Hartkamp maakte belangstellenden wegwijs in de verzameling, die in dozen opgestapeld lag. "Wie er zonder doel rondloopt, verveelt zich binnen een kwartier; wie er wat in na te sporen heeft, noemt de waarde onschatbaar", schreef grondlegger Van Waalwijk. "Natuurlijk is ons museum niet eene onderhoudende tentoonstelling, maar men vindt er de geschiedenis van nu welhaast alle bladen die ooit in Nederland zijn verschenen."

Onderdak
In 1914 verkocht hij Het Nieuwsblad voor Nederland en zijn collectie dag- en weekbladen aan Telegraaf -directeur Hak Holdert, die het hele spul aan de vereniging De Nederlandsche Pers schonk. De verzameling verhuisde nu van Concordia naar de voormalige Agnietenschool aan de Oudezijds Voorburgwal 231. Omdat de persvereniging het beheer en het behoud niet kon bekostigen, richtten de gezamenlijke pers- en journalistenorganisaties op 4 november 1915 Stichting Het Nederlandsch Persmuseum op. Doelstelling: "Het vormen van een museum betreffende de geschiedenis, in den meest uitgebreiden zin des woords, van de Nederlandsche en stamverwante dag-, week- en maandbladen."
Het museum vond nooit een definitief thuis, maar verhuisde keer op keer. In 1917 naar de Typografische Bibliotheek van de Lettergieterij 'Amsterdam' voorheen N. Tetterode aan de Da Costakade. Zeven jaar later naar het 17de-eeuwse Korenmetershuisje op de Nieuwezijdse Kolk, in 1950 naar het Instituut voor Perswetenschap aan de Keizersgracht, in 1969 naar een pand op de Oude Turfmarkt van de Universiteit van Amsterdam en in 1978 naar het Oost-Indisch Huis in de Oude Hoogstraat.
En nog was het verhuizen niet voorbij. De slecht geklimatiseerde opslagruimte in het Oost-Indisch Huis bracht de collectie ernstige schade toe en bovendien was er nauwelijks ruimte voor exposities. Na de fusie in 1986 van het Persmuseum met het Instituut voor Perswetenschap en de Nederlandse Persbibliotheek werd het mogelijk met subsidie en steun uit het bedrijfsleven de collectie naar behoren te conserveren en de toegankelijkheid te vergroten. In 1989 vond het museum onderdak bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in het voormalige pakhuis Koning Willem I aan de Cruquiusweg in het Oostelijk Havengebied. De laatste verhuizing was op 4 oktober 2001 naar de andere kant van het gebouw: Zeeburgerkade 10, waar ook een expositieruimte kwam.

Nostalgie
Het is één en al nostalgie als ik het Persmuseum medio juni nog een laatste keer hier in Amsterdam bezoek. Aan de wanden hangen memorabele voorpagina's, tekeningen en foto's in het kader van de expositie 10x10 =100 jaar Persmuseum. De Telegraaf van 7 mei 1965 met de kop 'Duits diplomaat herkend' en de eerste foto's van Beatrix en Claus. De voorpagina's uit 2002 en 2004 met de gruwelijke foto's van Pim Fortuyn en Theo van Gogh, dood op de grond. De beroemde 'bankjesfoto' van Willem Endstra en Willem Holleeder, in Quote (2002). Oud-hoofdredacteur Jort Kelder schonk de foto aan het Persmuseum in een goudkleurige kitschlijst van plastic.
Er hangt werk van politieke tekenaars en cartoonisten, zoals Albert Hahn, Johan Braakensiek, Peter van Straaten, Yrrah, Fritz Behrendt, Frits Müller, Opland, Eppo Doeve, Joep Bertrams en Siegfried Woldhek. Ook staan er objecten en curiosa, onder meer de Mercedes-typemachine waarop in de Tweede Wereldoorlog de stukken voor het verzetsblad De Waarheid werden geschreven. Een paar meter verder is een deel van het fameuze knipselarchief van Jean Hubert Matla neergezet: in de jaren dertig een analoge voorloper van Wikipedia, Google en Blendle. Op het Matla Archief liggen kaartjes en envelopjes kriskras door elkaar. "Ach ja, daar hebben kinderen uit een schoolklas mee gespeeld", zegt een medewerker van het museum.

Opland
Job Schouten is sinds 2007 medewerker collecties van het Persmuseum. Hij ontvangt me in de voormalige directiekamer, waar op een boekenplan 'de haas van Oltmans' staat: het met een haas getooide inktstel van journalist Willem Oltmans (1925-2004). Op tafel ligt een magistrale, originele tekening van Opland: Son Eminence Cardinal Van Norden, 1er Ministre du Royaume Wibaut. De tekenaar portretteerde de in 2015 overleden Parool-pionier Wim van Norden in een scharlakenrode soutane, in zijn gevouwen handen rust een kruis met de letters PC: Perscombinatie. Statige boeken omringen hem met titels die op z'n Italiaans verbasterde namen van kranten zijn: La Parola, Il Popolo Libero, Il Giornale di Popolo en Fides. Er staat geen jaartal op de tekening. Dochter Suzanne van Norden vermoedt desgevraagd dat Opland de tekening in 1979 aan haar vader gaf als cadeau bij diens afscheid als directeur van Het Parool. De erven Van Norden schonken de tekening onlangs aan het Persmuseum.
Ik krijg een rondleiding door de archieven van het IISG, waar de collectie van het Persmuseum gehuisvest blijft, zo is overeengekomen bij de fusie. Die collectie is een schatkamer voor liefhebbers van oud papier. Hier worden in blauwe leggers alle jaargangen van Het Parool en vele andere kranten en tijdschriften bewaard. Hier bevinden zich tekeningen en schilderijen van politieke tekenaars, in een kast staan dozen met het nog ongeordende archief van de in 2015 overleden Telegraaf-columnist Bob Smalhout. Dozen, dozen en nog eens dozen. Ertussenin schittert de met rood trijp beklede bureaustoel van Jérôme Louis Heldring (1917-2013), bijna een halve eeuw geleden hoofdredacteur van NRC Handelsblad.

Uithoek
De afgelopen jaren heeft het Persmuseum bijzonder fraaie, historisch belangrijke wisseltentoonstellingen samengesteld. Zoals in 2007 Fiep in de krant over Fiep Westerdorp (1916-2004), in 2008 Vier eeuwen censuur, in 2011 Verdachte Portretten met rechtbanktekeningen, in 2013 100 jaar Simon Carmiggelt en hetzelfde jaar ook Geert Wilders, 10 jaar mediafenomeen. Eddy Posthuma de Boer exposeerde in 2015 foto's die hij over de hele wereld had gemaakt van krantenlezers. Vorig jaar was er aandacht voor het 75-jarig bestaan van zowel Het Parool als Vrij Nederland en sprong de tentoonstelling Zwarte Piet in de media in op de controverse rond Zwarte Piet.
Maar ja, het bezoekersaantal liet steevast te wensen over. De Zeeburgerkade is nu eenmaal niet bepaald een Amsterdamse hotspot. Ooit werden de tekenaar Dick Matena en zijn echtgenote hopeloos verdwaald aangetroffen op de Oostelijke Eilanden. Ze fietsten wanhopig rondjes. Want wáááár was in 's hemelsnaam het Persmuseum?!?
In 2011 was er een kans om de onvindbare uithoek te verruilen voor de begane grond van het voormalige Algemeen Handelsbladgebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal 234-240. Na het vertrek van de boekenclub ECI kon het Persmuseum het huurcontract overnemen voor een slordige € 60.000,- tot € 80.000,- per jaar, inclusief gas en licht. Paul Arnoldussen schreef in Het Parool: "Een mooiere plek voor de tentoonstellingen van het Persmuseum is niet te bedenken. Op de Nieuwezijds, vroeger het krantencentrum, de Fleetstreet van Nederland. In de buurt waar jarenlang alle grote kranten werden gemaakt, van de Volkskrant tot De Telegraaf, van Het Vrije Volk tot Het Parool." Er was al een lunchmenu in de maak bij het naburige Scheltema, vroeger het journalistencafé van de stad. Angelie Sens, destijds directeur van het museum, hield bij de Raad van Bestuur een vurig pleidooi voor verhuizing, maar het voorstel werd met één stem verschil verworpen. Geld was een het struikelblok. Aan de Zeeburgerkade zat het museum kosteloos – geen huur dus – bij het IISG.

Bezuiniging
Een andere kans om weg te komen bood de mogelijke oprichting in Amsterdam van 'Het Huis voor de Journalistiek', waar het Persmuseum deel van zou uitmaken. Het Stimuleringsfonds voor de Pers en het Persmuseum onderhandelden met de eigenaren van het voormalige Maison Descartes aan de Vijzelgracht, maar zonder resultaat. Ook gesprekken over het pand tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan leidden tot niets.
Het Persmuseum kwam in 2011 financieel in zwaar weer. Na een negatief advies van de Raad voor Cultuur moest er € 50.000.- worden bezuinigd op een begroting van € 380.000,-. Twee jaar later volgde opnieuw een onverdeeld negatief advies. Het museum was volgens de raad niet met z'n tijd mee gegaan en het bezoekersaantal liet ook te wensen over. Waarom geen fusie met het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum, dat jaarlijks meer dan 200.000 bezoekers ontvangt?
Het was slikken of stikken. "De Raad voor Cultuur hield bij de berekening van het aantal bezoekers geen rekening met activiteiten van ons museum op andere locaties", zegt oud-directeur Niels Beugeling. Hij nam eind 2015 ontslag, omdat hij het niet eens was met de fusie en vond dat het Persmuseum in Amsterdam thuishoorde. "Er kwamen veel meer bezoekers op exposities die het Persmuseum elders organiseerde en waar geen entree werd geheven. Zoals in Nieuwspoort en in bibliotheken."

De eigenheid van het museum gaat in Hilversum verloren, denkt Beugeling. "De kleinschaligheid was een voordeel", zegt hij. "Wij konden snel schakelen. Beeld en Geluid is een veel logger apparaat." Een kracht van het Persmuseum was inderdaad dat er vaak pop-uptentoonstellingen waren, die snel inhaakten op de actualiteit. Vorig jaar nog na het overlijden van Henk Hofland, met een eerbetoon aan deze 'journalist van de eeuw', en amper een maand na de dood van Johan Cruijff de expositie Cruijff in de media. Binnen vier dagen na de aanslag op het tijdschrift Charlie Hebdo was er in januari 2015 een tentoonstelling met een overzicht van de manier waarop de internationale pers had gereageerd op de aanslag. Ook hingen er originele uitgaven van het satirische weekblad en werk van de tekenaars.

Armslag
Het verschil tussen Persmuseum en Beeld en Geluid is levensgroot: David met één expositiezaal in Amsterdam en een handjevol medewerkers tegenover Goliath bij het Mediapark in Hilversum met 170 werknemers en 60 vrijwilligers. Niemand van het Persmuseum gaat mee naar Beeld en Geluid. Ook niet projectmedewerker Aldje Bertrams, de vrouw die de afgelopen jaren verantwoordelijk was voor veel exposities. Haar echtgenoot, politiek tekenaar Joep Bertrams, zegt: "Ik betwijfel of Beeld en Geluid de expertise in huis heeft die het Persmuseum had. Bij het museum werkten mensen die geschreven journalistiek en politieke prenten op waarde wisten te schatten. Ik denk niet dat ze bij Beeld en Geluid weten wie Albert Hahn of Opland waren."
Beeld en Geluid is voornemens om zich na de fusie meer te richten op het geschreven woord. De website vermeldt dat de doelen van het Persmuseum in de nieuwe organisatie overeind blijven: "In één organisatie, die de geschiedenis en actualiteit van media, pers en journalistiek integraal belicht en zorg draagt voor het beheer en de verdere ontwikkeling van de pers- en mediacollecties in Nederland." Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier Weekblad en lid van de Raad van Toezicht van het Persmuseum, is optimistisch over de fusie: "Het Persmuseum wordt opgenomen in een sterke organisatie met financieel meer armslag en meer mankracht. Dat is alleen maar goed."
Bij Beeld en Geluid opent op 29 september de tentoonstelling Nieuws of nonsens over de veranderende rol van nieuwsmedia. Er is de hard gewerkt aan een dynamische, interacieve expositie, die bezoekers er meer van bewust moet maken hoe nieuws hun wereldbeeld bepaalt. Het lijkt een handreiking van het groentje Goliath naar de oude rot David. Slaagt het Hilversumse audiovisuele instituut er in om het stokje over te nemen van de Amsterdamse hoeder van journalistiek erfgoed, persvrijheid en vrijheid van menigsuiting? De tijd zal het leren.

ANNE-ROSE MATER-BANTZINGER IS JOURNALIST.

September 2017


De vergeten boerderij van de familie Van Loon Langerlust-1-anno-nu

Op zijn vierde verjaardag, 22 september 1927, legt jonkheer Maurits Nanning van Loon de eerste steen van de nieuw op te trekken boerderij Langerlust. Een buitenplaats in Driemond die dan al meer dan 100 jaar in bezit van zijn familie is. De hoeve bestaat nog steeds. Nu als feestlocatie en sociale werkplaats. Verder is er weinig over bekend. Wij gaan op zoek naar een vergeten boerderij, die het weekend van 9 en 10 september meedoet met Open Monumentendag.

"Je waant je ver van de drukte van de stad en snuift de natuur op zodra je het erf opstapt", staat op de site van The Colour Kitchen Langerlust. Daar voelen we wel wat voor. In de sporen van de familie Van Loon trekken Tonko Grever, directeur en conservator van Museum Van Loon, en ik richting de oude hofstede in Amsterdam Zuidoost.
Zij gingen met het rijtuig of te paard over de Middenweg en dijk van de Trekvaart, wij fietsen langs het Amsterdam-Rijnkanaal met zijn wuivende bomen en laten de drukke, stinkende stad langzaam achter ons. Precies zoals geprivilegieerde stedelingen dat in vroeger eeuwen ook deden in de zomer op zoek naar groen, rust en frisse landlucht. Iedere zichzelf respecterende welvarende familie had wel een buitenplaats. Het liefst met een behoorlijke lap grond erbij, gecoiffeerd in Engelse landschapsstijl en bedoeld om te wandelen, jagen, paardrijden en koetstochten te maken. De landhuizen zelf, schrijft Barbara van Vonderen in Deftig en Ondernemend, leken op uitvergrote kopieën van de stadspaleizen aan de Herengracht in Amsterdam en waren een zichtbaar teken van grote rijkdom.
Amsterdam had een lastig achterland voor deze zomerse trek naar buiten, vertelt Grever. Door het vele water was het lastig bouwen en er waren niet veel kastelen waar men zomaar met de hele huisraad in kon trekken. Dus bouwde de oude elite haar eigen optrekjes tussen Amsterdam, Haarlem en Den Haag. "Ze zaten eigenlijk op een kluitje bij elkaar en zochten elkaar ook regelmatig op. Netwerken was een geliefde bezigheid."
Op landgoederen als Boeckesteijn, Schaep en Burgh, Hilverbeek, Jagtlust en Swaenenburgh woonden in de 19de eeuw oude geslachten als Van Loon, Six, Dedel en aangetrouwde families. De 's Gravelandsevaart, waaraan de meeste huizen stonden, was een belangrijke verbindingsroute. "Voor de jaarlijkse verhuizing naar buiten werd vervoer per schip verkozen boven vervoer per rijtuig, omdat de weg bijna nergens verhard was. Het halve huishouden, linnengoed, servies, bestek, speelgoed werd ingepakt en verstuurd via een trekschuit samen met meiden en knechten vanuit het Amsterdamse huis naar de buitenplaats", schrijft Van Vonderen.

Onteigening
Echte herinneringen aan de oude boerenbuitenplaats aan de Provincialeweg 24 in Driemond zijn er bij de familie niet veel, zegt Grever. Ze weten wel om welke hoeve het gaat. Hij werd zelfs gecorrigeerd tijdens zijn belronde. "Wij hadden geen boerderij in de Bijlmer. Wij hadden een boerderij in Weesp." Tot 1967 viel Langerlust nog onder de dan opgeheven gemeente Weesperkarspel. Na de onteigening door Amsterdam vanwege de aanleg van de Bijlmer kreeg de hoeve een gemeentelijke bestemming. Een lid van de familie Dedel had wel een verhaal over die onteigening. Zijn familie – die daar ook een boerderij bezat – ging meteen akkoord met het aanbod van ƒ2,50 per vierkante meter. "Alles voor het belang van de stad", vertelt Grever de anekdote na. Maar de Roëlls (Daisy Roëll-Van Loon had de boerderij geërfd) zijn gaan procederen om het dubbele te krijgen voor Langerlust. Met succes, alleen schoten ze er door de dure proceskosten per saldo niet veel mee op.
Ook de oogst in het familiearchief is mager. Twee foto's van het oude, wat sobere Langerlust en van de compleet nieuw opgetrokken boerderij in 1927, waar jonkheer Maurits als laatste mannelijke nazaat de eerste steen legde. Verder kwam Grever een 'ordinaire' taxatie van de boerderij uit 1947 tegen, waarin de boerenhofstede door Thora Nanna Egidius en Willem Hendrik van Loon werd nagelaten aan hun dochter Daisy, een tante van Maurits dus. De waarde van Langerlust werd toen getaxeerd op f 87.348,-.
De contouren van de boerderij doemen op in het vlakke land zodra we de Provincialeweg opfietsen in Driemond. Langerlust is omringd door weilanden en water. Aan de voorkant stroomt de Gaasp en aan de achterkant liggen het Gaasperpark en de gelijknamige plas. Het park is een erfenis van de Floriade uit 1982. Langerlust diende destijds als kantoor van de internationale tuinbouwtentoonstelling. Sinds drie jaar geeft de hoeve onderdak aan een restaurantketen The Colour Kitchen, waar jongeren met een achterstand op de arbeidsmarkt horeca-ervaring kunnen opdoen.

Laatste nazaat
Negentig jaar geleden vroeg jonkheer Willem Hendrik van Loon (1855-1935), de grootvader van Maurits, op 21 maart 1927 een vergunning aan bij de gemeente Weesperkarspel voor het slopen van de oude boerderij en de bouw van een nieuwe. De nieuwe boerenhoeve moest bestaan "uit een woonhuis annex koestal, wagenloods met paarden- en ziekenstal en 3 roeden hooiberg". Het ontwerp is van de Loener architect en waterbouwkundige Hendrik Hissink. Het moest allemaal wat ruimer en luxer, vermoedt Grever. "Kijk maar eens naar dat grote sierlijke dak. Pure luxe. De ruitverdeling is nog wel 18de-eeuws."
Voor Grever is het de eerste keer dat hij deze boerderij bezoekt. Aandachtig loopt hij het erf op en neemt het oude woonhuis, de voormalige herenkamer en de stal (nu een vergader- en feestruimte) goed in zich op. Zijn oog valt op de herinneringsplaquette in de voorgevel: 'Eerste steen gelegd door JHR Maurits Nanning van Loon op zijn vierde verjaardag, 22-9-1927.' "Die steenlegging laat zien dat deze boerderij meer was dan een kale belegging bedoeld om vermogen te spreiden. Het was een persoonlijk familiebezit. Er zal ook een dynastieke gedachte achter hebben gezeten. Maurits was de laatste mannelijke nazaat. De hoop was toch dat Langerlust binnen de familie zou blijven."
De boerderij was lang in de familie. Meer dan 150 jaar. Vanaf 1816 tot 1967 om precies te zijn. De hofstede kwam bij de Van Loons terecht door een beproefd middel: een strategisch huwelijk met een andere familie. Begin 19de eeuw ging het financieel minder goed met het koopmans- en regentengeslacht, dat tegelijkertijd zijn politieke macht begon te verliezen door de centralisatie van het bestuur, die werd ingezet in de Franse Tijd en voortging in het Koninkrijk der Nederlanden. De Gemeentewet van Thorbecke in 1851 zorgde voor meer uniformiteit en inspraak, Amsterdam verloor haar autonomie. Voor alle gemeentes in Nederland golden nu dezelfde regels. Het was gedaan met de vroedschappen, waar ook de Van Loons generaties achtereen in vertegenwoordigd waren geweest. Het was gedaan met de erfopvolging en de onderling geregelde benoemingen. Er kwamen directe verkiezingen.

Coterie
Rijk was de familie niet meer, maar naam en status had ze nog wel. Met voorouders die betrokken waren geweest bij de oprichting van de V.O.C. en later in de stadsregering van Amsterdam zetelden tijdens de hoogtijdagen van de Republiek behoorden de Van Loons tot de oude elite, de 'eerste coterie', de alleraanzienlijksten. En die status groeide toen koning Willem 1 in 1821 de familie verhief tot de adelstand.
Nu moest er alleen nog geld komen. Willem van Loon (1794-1847) – die op het punt stond zijn heil in Indië te zoeken – werd door zijn moeder overgehaald de gefortuneerde Anna de Winter (1793-1877) ten huwelijk te vragen. Het werd met enige moeite 'ja', schrijft Geert Mak in De Levens van Jan Six. Ze trouwden in 1815. Anna was de dochter van koopman, dichter en kunstverzamelaar Pieter van Winter (1745-1807). Ze verrijkte de familie niet alleen met een aanzienlijk kapitaal, maar ook met een deel van de 17de-eeuwse schilderijencollectie van haar vader, waaronder Het straatje van Johannes Vermeer. Ook boerderij Langerlust was bij de bruidsschat inbegrepen.
Na Anna's dood was er voor haar tien kinderen weinig meer over van het grote kapitaal. Zoon Willem wist de kunstcollectie voor ruim f 1.500.000,- te verkopen aan baron Gustave de Rothschild in Parijs. Het onroerend goed, dus ook Langerlust, bleef binnen de familie en kwam in handen van Hendrik Maurits van Loon, haar jongste zoon. Hij trof zijn toekomstige bruid, de schatrijke Louise ('Louky') Borski, op een bal van sociëteit Het Casino. Een besloten evenement waar alleen de maatschappelijke top welkom was. De vader van Louise was de rijkste man van zijn tijd, een spil in de financiële wereld, die niet met zijn status – hij verkondigde graag dat hij een gewone burgerjongen was gebleven – maar met zijn fortuin lid was geworden. Hun huwelijk in 1854 bracht beiden wat ze zochten: Louise klom op tot de eerste coterie, Hendrik Maurits sleepte het grote geld binnen. Het jonge paar streek later neer aan de Herengracht op 502, de huidige burgemeesterswoning.

Boomgaard
Veel aandacht voor de boerderij zal het echtpaar niet gehad hebben. De flamboyante Louise verbleef liever in villa Hyde Park (uit te spreken als 'heidepark'), dat ze liet bouwen bij Doorn. Een 'chateau' dat qua omvang en uitvoering on-Nederlands was en door de oude elite werd gezien als te protserig. Gebouwd met snel verdiend geld. Later kocht de mondaine dame villa Beaulieu aan de boulevard van Cannes en was ze meer aan de Côte d'Azur te vinden dan binnen de in haar ogen misschien wat bekrompen Amsterdamse grachtengordel. In de Blauwe Salon van Museum Van Loon hangt een portret van deze kapitaalkrachtige vrouw. Als enige dame is ze staand afgebeeld, waarmee ze uitstraalt dat ze een zeker gewicht in de schaal legt.
Als buitenverblijf heeft de familie Langerlust nooit gebruikt, denkt Grever. "Het was een melkveehouderij met koeien, geen weekend- of vakantiehuis. De boer was in dienst van de familie." Maar hij kan zich wel voorstellen dat Thora, de schoondochter van Louise en de grootmoeder van Maurits, de groente van het land en fruit uit de boomgaard gebruikte voor de gerechten die in hun souterrainkeuken aan de Keizersgracht (het huidige Museum Van Loon) werden bereid. Een ideale dagexcursie was Langerlust ongetwijfeld ook voor de familie om hun geliefde paarden wat beweging te geven. Achter het koetshuis zat een manegebak, waar de jonkheer aan dressuur deed. Hij trainde paarden en honden en gaf voorstellingen aan familie en personeel.

Schatbewaarder
In het jaar dat Maurits de eerste steen van Langerlust legde, verliet de familie na 300 jaar de gracht. De stadswoning werd verruild voor een grote boerderette avant la lettre in Laren. Maar de jonge Maurits ging nog wel iedere week naar zijn grootmoeder Thora aan de Keizersgracht, van wie hij bijbelles kreeg en die zich moederlijk over hem ontfermde. Hij raakte onder de indruk van het huis met de hoge plafonds, het stukwerk en de familieportretten. Hij vond er de oude traditie, die in zijn jeugd aan het verdwijnen was. Meer rijke families trokken naar buiten en in de grachtenpanden die ze achterlieten kwamen kantoren en appartementen.
Als schatbewaarder van die verdwenen cultuur opende de laatste mannelijke Van Loon het museum in 1973, waar hij nog jaren boven heeft gewoond. Tonko Grever kende de oude jonkheer. "Dan zaten wij op kantoor te vergaderen en hoorde ik 'tik-tik', het geluid van zijn zegelring en wist ik dat ik de deur voor hem open moest maken. Of hij nog vaak op Langerlust is geweest na de steenlegging weet ik niet. Maar ik kan me voorstellen dat hij teleurgesteld is geweest over de onteigening door de gemeente. Al had hij The Colour Kitchen zeker een heel mooi sociaal initiatief gevonden."


KATJA KREUKELS IS JOURNALIST.

September 2017


Bob Bouber maakte de nederbeat groot Inhoud-5-platenhoes

Met ZZ en de Maskers was hij in de jaren zestig hét gezicht van de Nederlandstalige popmuziek. Maar Bob Bouber raakte in vergetelheid. Zijn liedjes gelukkig niet. En hij was meer dan alleen een nederbietheld. Een kleurrijke Amsterdamse duizendpoot, die ook op veel andere terreinen zijn stempel heeft gedrukt in de naoorlogse stad. Een telg uit een vermaard Amsterdams toneelgeslacht bovendien.

Boris Blom alias Bob Bouber alias ZZ verdient een prominente plaats in de Nederlandse Rock and Roll Hall of Fame. Hij is een van de aartsvaders van de Nederlandse popmuziek en hoort in één adem te worden genoemd met Peter Koelewijn (Kom van dat dak af) en indorocker Andy Tielman. Met ZZ en de Maskers was Bouber de wegbereider van de nederbiet, het Nederlandse antwoord op de Britse beat boom. Zijn betekenis voor de Nederlandstalige popmuziek is groot. Hij liet horen dat Nederlandse songteksten niet suf hoeven te zijn. Die historische rol is later onderbelicht gebleven.
Na een kort leven in de schijnwerpers verdween hij in de anonimiteit. In de jaren negentig stond hij gewoon in het telefoonboek. Niet onder de B van Bouber, maar de B van Blom. Nog steeds op hetzelfde adres (Overtoom 383) waar jonge fans in 1965 voor de deur postten in de hoop een glimp van hun idool op te vangen. Zijn artiestennaam Bob Bouber had Boris Blom (geboren 6 september 1935) in de jaren vijftig aangenomen als eerbetoon aan zijn grootouders, het bekende toneelechtpaar Herman en Aaf Bouber.

 

EXTRA: Popmusici over Bob Bouber

Henny Vrienten (Doe Maar), Dave von Raven (The Kik) en Frans de Wit (De Volle Pont) over de grote betekenis voor de Nederlandse popmuziek van Bob Bouberen zijn bands ZZ en de Maskers en Het.

 

Flipperbal
Net als oma Aaf 50 jaar eerder debuteert Boris Blom als tiener in Carré. In 1953 staat hij er op de planken in het door zijn opa geschreven toneelstuk De Jantjes. Hij heeft een opleiding gevolgd voor kapper en theatergrimeur. Hij werkt niet alleen in de theaterwereld, maar is ook van de eerste (semi-)profvoetballers van Nederland als doelman bij Beroepsvoetbalcub (BVC) Amsterdam. Na de fusie met DWS (1958) kiest hij voor het theater en zet hij een punt achter zijn voetbalcarrière.
Tot diep in de jaren zeventig volgt zijn loopbaan het springerige parcours van een flipperbal. Bouber staat aan de wieg van de Akademie voor Kleinkunst. In 1958 ontstaat het idee voor deze 'Cabaretschool' en het jaar daarop gaat de opleiding van start. Hijzelf is – naar eigen zeggen tegen wil en dank – directeur. De eerste jaren in de Albert Cuypstraat zijn rommelig en moet hij het stellen zonder subsidie. Toch brengt de academie in die beginjaren latere beroemdheden voort als Rob de Nijs, Jasperina de Jong, Ronnie Bierman, Martin Brozius en Frans Halsema. In 1962 vraagt hij Johan Verdoner (onder meer oprichter van het Amsterdams Ballet Lyceum) om het directeurschap over te nemen.
ZZ en de Maskers wordt Boubers volgende avontuur. Het ontstaan van de beatgroep is nauwkeurig beschreven door de veelgeprezen gitarist Jan de Hont in zijn vorig jaar verschenen biografie. In oktober 1962 had Bouber in het clubgebouw van Speeltuinvereniging Frankendael de rock-'n-rollband The Apron Strings zien spelen, met onder meer de gebroeders Jan en Hans de Hont uit Amsteldorp in Oost. The Apron Strings genieten faam als de Nederlandse Shadows en vormen dan de begeleidingsband van een andere jongen uit Oost: Rob de Nijs. "Tussen de 150 druk dansende tieners nam hij (Bouber, FV) zijn besluit: met deze jongens kon hij zijn droom verwezenlijken", schrijft De Honts biograaf René van den Abeelen.

Opwinding
Na maanden intensief oefenen doet de band podiumervaring op door vier weken lang elke avond te spelen in de Rotterdamse nachtclub Las Palmas. Op 4 augustus 1963 staan ze in het Scheveningse Kurhaus als voorprogramma van Chubby Checker, de populaire 'koning van de twist'. Hun debuutsingle Dracula wordt evenals de latere platen opgenomen in het Bavohuis, de voormalige kerk in de Sumatrastraat. Het is meteen een hit, mede dankzij een optreden in de eerste aflevering van het televisieprogramma Voor de vuist weg van Willem Duys.
ZZ en de Maskers is de eerste succesvolle beatband van Nederland. Dracula valt op door de grappige Nederlandse tekst. Het lied combineert een klassiek bluesschema met het galmende gitaargeluid van destijds populaire instrumentale bands als The Shadows uit Engeland en de vele indorockbands in Nederland. Hun volgende hits, waaronder Ik heb genoeg van jou, gaan al meer richting de gortdroge beatsound. Het beatbandje lift in 1964 mee op de explosieve populariteit van The Beatles.
Tekenend voor de opwinding die het nieuwe muziekgenre veroorzaakt, is het berichtje in De Telegraaf (1 februari 1964) dat Nederland "op weg (is) zijn eigen Beatles te krijgen". ZZ en de Maskers mag in het voorprogramma spelen van If I had a hammer Trini Lopez in het Concertgebouw. Maar daar steekt het bestuur van de zaal een stokje voor, omdat "bij een vorig optreden is gebleken, dat zij vooral de meisjes onder het publiek teveel in extase brengen."
Aan optredens heeft de band verder geen gebrek. De jongens toeren door Duitsland en spelen in heel Nederland, uiteraard ook in eigen stad. Zo staan ze begin 1965 met onder meer met Rob de Nijs en Willeke Alberti op het podium van het Citytheater. Het zijn vooral de fans van ZZ en de Maskers die van zich laten horen, meldt Het Vrije Volk. "Een van hen had zelfs een paar kilo spruitjes bij zich, een nieuw geheim wapen in de tienerwereld, waardoor het podium op den duur een fraai bespikkelde vlakte werd." Popmagazine Muziekparade roept ze uit tot de populairste band van Nederland.

Popart
ZZ en de Maskers zijn in meerdere opzichten pioniers van de Nederlandse popmuziek en popcultuur. Ze adopteren niet alleen het eerst de Britse beatsound, maar ook de bijpassende langhaarmode. De Maskers verven hun haar ook nog eens zwart. ZZ werpt zich in de publiciteit herhaaldelijk op als de beschermheer van de langharige jeugd. Met zijn theaterachtergrond zorgt hij ervoor dat de band een wervelende show geeft, met danspasjes en – ook een primeur – een lichtshow.
Niet alles loopt gesmeerd. Het leeftijdsverschil tussen de zanger en zijn band zorgt van het begin af aan voor een flinke afstand. De 30-jarige Bouber is getrouwd en heeft thuis drie kleine meisjes rondlopen. Tijdens de Engelse tour in 1965 groeit de kloof. "Op het persoonlijk vlak boterde het niet", zei Jan de Hont twintig jaar geleden tegen mij. Bouber zelf spreekt op zijn website (De Boubers – 100 jaar theaterpassie) over "opgelopen spanningen" en "uiteenlopende visies". De jongens uit Oost hebben zich inmiddels ontwikkeld tot rasmuzikanten, voor wie popmuziek een ernstige zaak is, terwijl de alleskunner van de Overtoom popmuziek slechts ziet als een van de vele vormen van variété. Na twee duizelingwekkende jaren stapt hij op. De Maskers hebben zonder ZZ nog een paar bescheiden successen.
Nog voor de definitieve breuk gaat Bouber aan de slag met Het, zijn volgende popproject. Nu blijft hij in een regisserende rol achter de schermen. Hij stelt Het samen uit leden van de ruige Amsterdamse beatband The Mads, die in onder meer het Rembrandttheater (de huidige Escape) live een stevige reputatie hebben opgebouwd. Bouber borduurt voort op de trendy popartstijl die zij hebben omarmd. Het popartidee om de commercie te gebruiken voor artistieke doeleinden sluit perfect aan bij zijn eigen visie. "Cultuur is een soort tandpasta en die moet je verkopen", zegt hij jaren later in Het Vrije Volk.

Ledikant
Ik heb geen zin om op te staan is de eerste single van Het en met zijn gevoel voor de tijdgeest verzint Bouber de volmaakte publiciteitsstunt. "Om met een bed midden op een druk kruispunt te gaan staan moet je een beetje vreemd zijn. En vreemde mensen zetten tegenwoordig nogal eens de boel op stelten in Amsterdam, waar wij gistermiddag dit plaatje maakten", schrijft het Nieuwsblad van het Noorden op 5 november 1965. De band ligt in een ledikant op wieltjes voor het paleis op de Dam, omringd door politiemannen en op de achtergrond vrolijk publiek. Al na vier minuten maken de agenten een einde aan de stunt en nemen het bed in beslag, in de overtuiging dat het een provoactie betreft.
Met een luie beat en in simpele, maar doeltreffende bewoordingen vertolkt Ik heb geen zin om op te staan het tijdloze en universele ochtenddilemma: "Met m'n voeten tegen je pyjama aan" of toch maar "Met m'n blote handen naar mijn baas te gaan". Tegelijk weerspiegelt het liedje de rebelse geest van die jaren. En misschien ook wel de overspannen arbeidsmarkt, waardoor jongeren zich gerust eens konden verslapen, omdat ze na ontslag toch meteen weer ander werk vonden.
De single is een groot succes en staat dertien weken in Veronica's Top 40. De band houdt er een toegewijde schare fans aan over, die in navolging van hun idolen een eigen taaltje spreken. (Precies wat 40 jaar later gebeurt na het succes van de single Watskeburt?! met de Amsterdamse rapformatie De Jeugd van Tegenwoordig.) Na de tweede hit, het vrolijk-onzinnige Kejje nagaan (1966), is het gedaan met het succes. Andere Amsterdamse bands (The Clungels, The Softs) volgen het voorbeeld van Het en stappen over op absurde en melige Nederlandstalige teksten. Alleen Ronnie en de Ronnies (1967) hebben er succes mee met Beestjes. Nederlandstalig is 'uit'. De volgende golf Nederlandstalige popmuziek dient zich pas aan in de vroege jaren tachtig.

Showdans
Bouber hervat zijn leven als duizendpoot. Hij presenteert een radioprogramma, is jurylid in een talentenshow op televisie, manager van verschillende artiesten en producent van eigen theatershows. Tussen de bedrijven door organiseert hij de publiciteit van de actiegroep Artis Moet Blijven tegen de dreigende sluiting van de dierentuin (1971). Ook is hij weer actief als acteur. Zo speelt hij een van de hoofdrollen in Willy Van Hemerts televisieserie Dynastie der Kleine Luyden (1974). Solo brengt hij nog een paar singles uit, waarvan alleen de tranentrekkende countrysong Gratis voor niets (1976) succes heeft.
Wie de krantenarchieven doorwerkt of spreekt met de mensen met wie hij samenwerkte, wordt duidelijk dat de ambitieuze, eigengereide, bij vlagen visionaire Bouber in de kleinkunst- en popwereld niet alleen vrienden heeft gemaakt. Zijn toenmalige vrouw Tinka typeert hem raak in de Volkskrant (1967): "Bob heeft een voortrekkersmentaliteit. Zo'n man die vroeger naar Amerika zou gaan, om iets helemaal op te bouwen. Maar als Bob eenmaal iets heeft opgebouwd, als het helemaal voor mekaar is, dan wil ie iets anders. Ja, dat is zijn tic, zeg ik altijd." Ze krijgen nog een vierde dochter, maar vier jaar later strandt het huwelijk.
Tijdens zijn theatershow Popschuim en Plastic leert Bouber de danseres Maria More (ook wel Maria Moreno) kennen. Met haar vindt hij professioneel en privé zijn definitieve draai. In 1974 beginnen ze op een schip aan de Prins Hendrikkade een 'jazz-dance-centre'. De rest van zijn werkzame leven wijdt Bouber voornamelijk aan de danskunst. Hij treedt uit de schijnwerpers en schrijft en regisseert showdansprogramma's waarmee het stel over de hele wereld toert. Hij doet het management voor More's balletten, die onder meer te zien zijn in de muziekprogramma's Toppop en Op Volle Toeren. In 1984 starten ze de Maria More Akademie. Samen leveren ze zo een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de Nederlandse showdans. Op 51-jarige leeftijd krijgt hij een hersenbloeding. In de jaren negentig produceren Bouber en More nog een paar showprogramma's voor de Efteling. Dan valt het doek.

Gezondheid
Onder Nederlandse popmuzikanten en -journalisten is de waardering voor Boubers liedjes altijd groot geweest. Neem alleen al de lijst van artiesten die zijn nummers hebben gecoverd. De Amsterdamse garagerockers Claw Boys Claw bijvoorbeeld zetten Dracula van ZZ op hun coveralbum Hitkillers! (1988). Ik heb geen zin om op te staan werd op plaat of live onder meer gespeeld door: The Blizzards uit Duitsland, Arbeid Adelt! uit België, Die Aeronauten uit Zwitserland, Neerlands Hoop in Bange Dagen, Polle Eduard, Skik (met Henk Westbroek) en Ellen ten Damme. Radionestor en neerlandicus Frits Spits noemt het liedje "een van de slimste nummers uit de geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek".
Zelf ben ik ook een grote fan. Na een lange speurtocht lukt het me eind 2016 het telefoonnummer te achterhalen van de 81-jarige man die alweer heel wat jaren als Boris Blom door het leven gaat en ook allang niet meer op de Overtoom woont. Ik spreek een boodschap in. Maria More belt terug, ook zij gebruikt niet meer haar artiestennaam. Haar man is bereid een interview te doen, zegt ze, maar zijn gezondheid laat hem momenteel in de steek. Of ik het over een paar maanden nog eens wil proberen. In april bel ik weer. Het interview kan definitief niet doorgaan. "Dat is een gepasseerd station."


FANTA VOOGD IS JOURNALIST.


HENNY VRIENTEN (69) vrienten hennyG
Als zanger/bassist/componist van Doe Maar was Henny Vrienten het boegbeeld van de oplevende Nederlandstalige popmuziek in het begin van de jaren tachtig. Net als Bouber trad hij op het hoogtepunt van zijn roem plotseling uit de schijnwerpers, omdat hij zich als wat ouder popidool (30-plus) ongemakkelijk voelde bij het opdringerige enthousiasme van de jonge, vaak vrouwelijke fans. Ik spreek hem in zijn woning op de Kromboomssloot.
"De Wereld Draait Door heeft me gevraagd mee te doen aan 'Het Groot Nederlands Songbook', waarin artiesten moeten aangeven welk liedje niet mag ontbreken in de canon van de Nederlandse liedkunst. Ik weet niet of ik er tijd voor heb, maar als ik het ga doen, kies ik Ik heb geen zin om op te staan. Een heel goed liedje. Eigenlijk het eerste echte popliedje in Nederland. Een liedje met een knipoog. Het is brutaal, provocerend en puberaal. Het heeft ballen. Dat kun je van Anneke Grönloh, Rob de Nijs of The Blue Diamonds niet zeggen. Het is de eerste echte popmuziek van Nederland." Nog geen week later vertolkt Vrienten Ik heb geen zin om op te staan in het programma van Matthijs van Nieuwkerk.


FRANS DE WIT (60) FRANS DE WIT-89m
De Amsterdamse acteur Frans de Wit heeft met zijn band De Volle Pont een hele reeks liedjes van ZZ en de Maskers en Het op het repertoire. Hij is al 50 jaar fan. "Mijn zeven jaar oudere broer had het singletje Ik heb geen zin om op te staan, met op de achterkant het misschien wel nog betere Alleen op het kerkhof."
In de jaren tachtig besloot hij met de musici van de Nederlandstalige Amsterdamse punkband Frites Modern jarenzestigliedjes in een nieuw jasje te steken en zo werd Frenz Fried en de Frimo's geboren. "In 1985 brachten we in eigen beheer een lp uit waarop vier van de tien nummers door Bob Bouber waren geschreven. Met dat repertoire traden we op in binnen- en buitenland en voor de VPRO-radio. Twee keer stonden we in Paradiso, een keer met Dennis Whitbread, de oorspronkelijke drummer van Het."
Als acteur waardeert hij de dramatische kwaliteiten van Boubers liedjes. "Ze zitten ook vol humor, zijn verstaanbaar en makkelijk mee te zingen, zonder dat het meteen smartlappen zijn. Ik heb nog jaren geprobeerd bandleden enthousiast te krijgen over verkleedpartijen, effecten en rekwisieten. Meestal was ik de enige die er zo over dacht. Later hoorde ik dat ook Boubers bandleden een enorme hekel hadden aan die maskers."


DAVE VON RAVEN (36) Dave von Raven
Dave von Raven is zanger/gitarist in de Nederlandstalige beatband The Kik. Op z'n twaalfde hoorde hij voor het eerst Ik heb genoeg van jou van ZZ en de Maskers. "Die sound met zo'n Philicorda-orgeltje sprak me meteen aan. Later ben ik dieper gaan graven. In de jaren negentig zijn er verzamel-cd's uitgebracht met obscure Nederlandse beatmuziek, onder de noemer Biet-Het. Er waren veel bands die ZZ navolgden. Een mooi voorbeeld is de samenwerking van de Amsterdamse cabaretier Aart Brouwer met Johnny and his Cellar Rockers, de band van de jonge gitarist Jan Akkerman."
The Kik is na twee Engelstalige singles overgestapt op het Nederlands. "Geïnspireerd door de liedjes van Bob Bouber en door die verzamel-cd's. Daar ligt de bakermat van de betere Nederlandstalige popmuziek. We hebben ook Kejje nagaan van Het gespeeld." Het absurdisme in die vroege Nederlandse popteksten is een typisch Nederlandse traditie, zegt Von Raven, die begon met Kom van dat dak af van Peter en zijn Rockets in 1960 en is voortgezet met de liedjes van Bouber en zijn navolgers.

De Boubers Herman en Aaf Bouber
Bob Bouber is trots op zijn familiegeschiedenis. Niet voor niets koos hij die artiestennaam en brengt hij op zijn website www.bouber.nl behalve zijn eigen leven ook die van een paar familieleden in kaart. Zijn opa: Herman Bouber (1885-1963), acteur, oprichter van Het Volkstoneel en schrijver van stukken als Bleke Bet en De Jantjes. Zijn oma: Aaf Bouber (1885-1974), actrice met een onwaarschijnlijk lange carrière. Ze debuteerde in Carré (1902) en als jongedame speelde ze in een paar stomme films, op de planken en het witte doek glansde ze in de stukken van haar man, om vele jaren later als grande dame op de beeldbuis te verschijnen in de VPRO-thriller Ritueel (1970). Zijn oom: Jan Bouber (1921-1943), die als 17-jarige al een kinderboek publiceerde, in het verzet ging en op 23-jarige leeftijd in een Duitse gevangenis stierf aan ondervoeding en een longontsteking. En tenslotte zijn zachtmoedige vader: Heddy Bouber (1908-1986), die met tegenzin acteur werd en op latere leeftijd opgelucht het toneel vaarwel zei om rondleidingen te gaan geven in de stijlkamers van het Stedelijk Museum, de interieurs van gesloopte grachtenpanden.T