Nummer 9: September 2017

Amsterdam neemt afscheid van een dikke eeuw Persmuseum Inhoud-3-affiche

Het Persmuseum is weg uit Amsterdam. Gefuseerd met het Instituut voor Beeld en Geluid en verhuisd naar Hilversum. Gelukkig is het archief achtergebleven bij het IISG. Met de 'bankjesfoto' van Endstra en Holleeder in een gouden kitschlijst, de haas van Willem Oltmans, de stoel van NRC-coryfee Jérôme Heldring, tekeningen van Albert Hahn, Opland, Eppo Doeve, alle jaargangen van Het Parool en nog heel, heel veel meer. Maar het afscheid doet pijn.

Er verandert niks, hoor! Zo heette de laatste expositie in het Persmuseum aan de Zeeburgerkade. Een expositie met tekeningen van de in december vorig jaar overleden tekenaar Peter van Straaten. Een ironische titel, want na 18 juni jongstleden is voor het museum alles veranderd. Aan het eind van die dag sloot het Persmuseum voor de laatste keer de deuren in Amsterdam. Anderhalve maand eerder – op 3 mei, de Dag van de Persvrijheid – werd de fusie met het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum ondertekend. Jan Muller, directeur van Beeld en Geluid, zei: "Het is alsof een meisje van twintig de bruid wordt van een man van 102." Het Nederlands Audiovisueel Archief, waar Beeld en Geluid uit voortkwam, dateert van 1997, terwijl het Persmuseum begin vorige eeuw het levenslicht zag.
Het Persmuseum ontstond uit de omvangrijke collectie dag- en weekbladen van D.A. van Waalwijk (1853-1937), directeur van Het Nieuwsblad voor Nederland. "Als ik de chaotische massa, die in een hoek van mijne kamer opgestapeld lag en allengs meer onder stof begraven werd, van tijd tot tijd aanschouwde, kwam wel eens de gedachte bij mij op, er het vuur in mijn kachel mee te onderhouden. Intusschen, zoover is het niet gekomen", schreef hij in maart 1903 in de eerste circulaire van het 'Nederlandsche Pers-museum'.
Bijna 30.000 periodieken verspreid over 2700 titels werden ondergebracht in Gebouw Concordia aan de Nieuwezijds Voorburgwal 345. Conservator Albert Hartkamp maakte belangstellenden wegwijs in de verzameling, die in dozen opgestapeld lag. "Wie er zonder doel rondloopt, verveelt zich binnen een kwartier; wie er wat in na te sporen heeft, noemt de waarde onschatbaar", schreef grondlegger Van Waalwijk. "Natuurlijk is ons museum niet eene onderhoudende tentoonstelling, maar men vindt er de geschiedenis van nu welhaast alle bladen die ooit in Nederland zijn verschenen."

Onderdak
In 1914 verkocht hij Het Nieuwsblad voor Nederland en zijn collectie dag- en weekbladen aan Telegraaf -directeur Hak Holdert, die het hele spul aan de vereniging De Nederlandsche Pers schonk. De verzameling verhuisde nu van Concordia naar de voormalige Agnietenschool aan de Oudezijds Voorburgwal 231. Omdat de persvereniging het beheer en het behoud niet kon bekostigen, richtten de gezamenlijke pers- en journalistenorganisaties op 4 november 1915 Stichting Het Nederlandsch Persmuseum op. Doelstelling: "Het vormen van een museum betreffende de geschiedenis, in den meest uitgebreiden zin des woords, van de Nederlandsche en stamverwante dag-, week- en maandbladen."
Het museum vond nooit een definitief thuis, maar verhuisde keer op keer. In 1917 naar de Typografische Bibliotheek van de Lettergieterij 'Amsterdam' voorheen N. Tetterode aan de Da Costakade. Zeven jaar later naar het 17de-eeuwse Korenmetershuisje op de Nieuwezijdse Kolk, in 1950 naar het Instituut voor Perswetenschap aan de Keizersgracht, in 1969 naar een pand op de Oude Turfmarkt van de Universiteit van Amsterdam en in 1978 naar het Oost-Indisch Huis in de Oude Hoogstraat.
En nog was het verhuizen niet voorbij. De slecht geklimatiseerde opslagruimte in het Oost-Indisch Huis bracht de collectie ernstige schade toe en bovendien was er nauwelijks ruimte voor exposities. Na de fusie in 1986 van het Persmuseum met het Instituut voor Perswetenschap en de Nederlandse Persbibliotheek werd het mogelijk met subsidie en steun uit het bedrijfsleven de collectie naar behoren te conserveren en de toegankelijkheid te vergroten. In 1989 vond het museum onderdak bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in het voormalige pakhuis Koning Willem I aan de Cruquiusweg in het Oostelijk Havengebied. De laatste verhuizing was op 4 oktober 2001 naar de andere kant van het gebouw: Zeeburgerkade 10, waar ook een expositieruimte kwam.

Nostalgie
Het is één en al nostalgie als ik het Persmuseum medio juni nog een laatste keer hier in Amsterdam bezoek. Aan de wanden hangen memorabele voorpagina's, tekeningen en foto's in het kader van de expositie 10x10 =100 jaar Persmuseum. De Telegraaf van 7 mei 1965 met de kop 'Duits diplomaat herkend' en de eerste foto's van Beatrix en Claus. De voorpagina's uit 2002 en 2004 met de gruwelijke foto's van Pim Fortuyn en Theo van Gogh, dood op de grond. De beroemde 'bankjesfoto' van Willem Endstra en Willem Holleeder, in Quote (2002). Oud-hoofdredacteur Jort Kelder schonk de foto aan het Persmuseum in een goudkleurige kitschlijst van plastic.
Er hangt werk van politieke tekenaars en cartoonisten, zoals Albert Hahn, Johan Braakensiek, Peter van Straaten, Yrrah, Fritz Behrendt, Frits Müller, Opland, Eppo Doeve, Joep Bertrams en Siegfried Woldhek. Ook staan er objecten en curiosa, onder meer de Mercedes-typemachine waarop in de Tweede Wereldoorlog de stukken voor het verzetsblad De Waarheid werden geschreven. Een paar meter verder is een deel van het fameuze knipselarchief van Jean Hubert Matla neergezet: in de jaren dertig een analoge voorloper van Wikipedia, Google en Blendle. Op het Matla Archief liggen kaartjes en envelopjes kriskras door elkaar. "Ach ja, daar hebben kinderen uit een schoolklas mee gespeeld", zegt een medewerker van het museum.

Opland
Job Schouten is sinds 2007 medewerker collecties van het Persmuseum. Hij ontvangt me in de voormalige directiekamer, waar op een boekenplan 'de haas van Oltmans' staat: het met een haas getooide inktstel van journalist Willem Oltmans (1925-2004). Op tafel ligt een magistrale, originele tekening van Opland: Son Eminence Cardinal Van Norden, 1er Ministre du Royaume Wibaut. De tekenaar portretteerde de in 2015 overleden Parool-pionier Wim van Norden in een scharlakenrode soutane, in zijn gevouwen handen rust een kruis met de letters PC: Perscombinatie. Statige boeken omringen hem met titels die op z'n Italiaans verbasterde namen van kranten zijn: La Parola, Il Popolo Libero, Il Giornale di Popolo en Fides. Er staat geen jaartal op de tekening. Dochter Suzanne van Norden vermoedt desgevraagd dat Opland de tekening in 1979 aan haar vader gaf als cadeau bij diens afscheid als directeur van Het Parool. De erven Van Norden schonken de tekening onlangs aan het Persmuseum.
Ik krijg een rondleiding door de archieven van het IISG, waar de collectie van het Persmuseum gehuisvest blijft, zo is overeengekomen bij de fusie. Die collectie is een schatkamer voor liefhebbers van oud papier. Hier worden in blauwe leggers alle jaargangen van Het Parool en vele andere kranten en tijdschriften bewaard. Hier bevinden zich tekeningen en schilderijen van politieke tekenaars, in een kast staan dozen met het nog ongeordende archief van de in 2015 overleden Telegraaf-columnist Bob Smalhout. Dozen, dozen en nog eens dozen. Ertussenin schittert de met rood trijp beklede bureaustoel van Jérôme Louis Heldring (1917-2013), bijna een halve eeuw geleden hoofdredacteur van NRC Handelsblad.

Uithoek
De afgelopen jaren heeft het Persmuseum bijzonder fraaie, historisch belangrijke wisseltentoonstellingen samengesteld. Zoals in 2007 Fiep in de krant over Fiep Westerdorp (1916-2004), in 2008 Vier eeuwen censuur, in 2011 Verdachte Portretten met rechtbanktekeningen, in 2013 100 jaar Simon Carmiggelt en hetzelfde jaar ook Geert Wilders, 10 jaar mediafenomeen. Eddy Posthuma de Boer exposeerde in 2015 foto's die hij over de hele wereld had gemaakt van krantenlezers. Vorig jaar was er aandacht voor het 75-jarig bestaan van zowel Het Parool als Vrij Nederland en sprong de tentoonstelling Zwarte Piet in de media in op de controverse rond Zwarte Piet.
Maar ja, het bezoekersaantal liet steevast te wensen over. De Zeeburgerkade is nu eenmaal niet bepaald een Amsterdamse hotspot. Ooit werden de tekenaar Dick Matena en zijn echtgenote hopeloos verdwaald aangetroffen op de Oostelijke Eilanden. Ze fietsten wanhopig rondjes. Want wáááár was in 's hemelsnaam het Persmuseum?!?
In 2011 was er een kans om de onvindbare uithoek te verruilen voor de begane grond van het voormalige Algemeen Handelsbladgebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal 234-240. Na het vertrek van de boekenclub ECI kon het Persmuseum het huurcontract overnemen voor een slordige € 60.000,- tot € 80.000,- per jaar, inclusief gas en licht. Paul Arnoldussen schreef in Het Parool: "Een mooiere plek voor de tentoonstellingen van het Persmuseum is niet te bedenken. Op de Nieuwezijds, vroeger het krantencentrum, de Fleetstreet van Nederland. In de buurt waar jarenlang alle grote kranten werden gemaakt, van de Volkskrant tot De Telegraaf, van Het Vrije Volk tot Het Parool." Er was al een lunchmenu in de maak bij het naburige Scheltema, vroeger het journalistencafé van de stad. Angelie Sens, destijds directeur van het museum, hield bij de Raad van Bestuur een vurig pleidooi voor verhuizing, maar het voorstel werd met één stem verschil verworpen. Geld was een het struikelblok. Aan de Zeeburgerkade zat het museum kosteloos – geen huur dus – bij het IISG.

Bezuiniging
Een andere kans om weg te komen bood de mogelijke oprichting in Amsterdam van 'Het Huis voor de Journalistiek', waar het Persmuseum deel van zou uitmaken. Het Stimuleringsfonds voor de Pers en het Persmuseum onderhandelden met de eigenaren van het voormalige Maison Descartes aan de Vijzelgracht, maar zonder resultaat. Ook gesprekken over het pand tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan leidden tot niets.
Het Persmuseum kwam in 2011 financieel in zwaar weer. Na een negatief advies van de Raad voor Cultuur moest er € 50.000.- worden bezuinigd op een begroting van € 380.000,-. Twee jaar later volgde opnieuw een onverdeeld negatief advies. Het museum was volgens de raad niet met z'n tijd mee gegaan en het bezoekersaantal liet ook te wensen over. Waarom geen fusie met het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum, dat jaarlijks meer dan 200.000 bezoekers ontvangt?
Het was slikken of stikken. "De Raad voor Cultuur hield bij de berekening van het aantal bezoekers geen rekening met activiteiten van ons museum op andere locaties", zegt oud-directeur Niels Beugeling. Hij nam eind 2015 ontslag, omdat hij het niet eens was met de fusie en vond dat het Persmuseum in Amsterdam thuishoorde. "Er kwamen veel meer bezoekers op exposities die het Persmuseum elders organiseerde en waar geen entree werd geheven. Zoals in Nieuwspoort en in bibliotheken."

De eigenheid van het museum gaat in Hilversum verloren, denkt Beugeling. "De kleinschaligheid was een voordeel", zegt hij. "Wij konden snel schakelen. Beeld en Geluid is een veel logger apparaat." Een kracht van het Persmuseum was inderdaad dat er vaak pop-uptentoonstellingen waren, die snel inhaakten op de actualiteit. Vorig jaar nog na het overlijden van Henk Hofland, met een eerbetoon aan deze 'journalist van de eeuw', en amper een maand na de dood van Johan Cruijff de expositie Cruijff in de media. Binnen vier dagen na de aanslag op het tijdschrift Charlie Hebdo was er in januari 2015 een tentoonstelling met een overzicht van de manier waarop de internationale pers had gereageerd op de aanslag. Ook hingen er originele uitgaven van het satirische weekblad en werk van de tekenaars.

Armslag
Het verschil tussen Persmuseum en Beeld en Geluid is levensgroot: David met één expositiezaal in Amsterdam en een handjevol medewerkers tegenover Goliath bij het Mediapark in Hilversum met 170 werknemers en 60 vrijwilligers. Niemand van het Persmuseum gaat mee naar Beeld en Geluid. Ook niet projectmedewerker Aldje Bertrams, de vrouw die de afgelopen jaren verantwoordelijk was voor veel exposities. Haar echtgenoot, politiek tekenaar Joep Bertrams, zegt: "Ik betwijfel of Beeld en Geluid de expertise in huis heeft die het Persmuseum had. Bij het museum werkten mensen die geschreven journalistiek en politieke prenten op waarde wisten te schatten. Ik denk niet dat ze bij Beeld en Geluid weten wie Albert Hahn of Opland waren."
Beeld en Geluid is voornemens om zich na de fusie meer te richten op het geschreven woord. De website vermeldt dat de doelen van het Persmuseum in de nieuwe organisatie overeind blijven: "In één organisatie, die de geschiedenis en actualiteit van media, pers en journalistiek integraal belicht en zorg draagt voor het beheer en de verdere ontwikkeling van de pers- en mediacollecties in Nederland." Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier Weekblad en lid van de Raad van Toezicht van het Persmuseum, is optimistisch over de fusie: "Het Persmuseum wordt opgenomen in een sterke organisatie met financieel meer armslag en meer mankracht. Dat is alleen maar goed."
Bij Beeld en Geluid opent op 29 september de tentoonstelling Nieuws of nonsens over de veranderende rol van nieuwsmedia. Er is de hard gewerkt aan een dynamische, interacieve expositie, die bezoekers er meer van bewust moet maken hoe nieuws hun wereldbeeld bepaalt. Het lijkt een handreiking van het groentje Goliath naar de oude rot David. Slaagt het Hilversumse audiovisuele instituut er in om het stokje over te nemen van de Amsterdamse hoeder van journalistiek erfgoed, persvrijheid en vrijheid van menigsuiting? De tijd zal het leren.

ANNE-ROSE MATER-BANTZINGER IS JOURNALIST.

September 2017