Nummer 9: September 2017

'Jenever om voor te knielen' Verlaine-1-aan-tafel

Van 7 tot 11 november 1892 logeerde Paul Verlaine (1844-1896) in AmsterdamOost. De Franse dichter, beroemd om zijn magnifieke verzen en berucht door zijn onorthodoxe en gewelddadige levenswandel, gaf twee lezingen. Omringd door bewonderaars kreeg hij een tour d'horizon van Rijksmuseum tot Nes. Vooral de Schiedamse bittertjes bevielen hem.

 

Laat op de avond van maandag 7 november 1892 vertrok een stoet van drie 'aapjes' van het Centraal Station. Nu gingen er vaak genoeg rijtuigen in colonne door de stad, maar deze was bijzonder.


Il pleure dans mon coeur Het huilt in mijn hart
Comme il pleut sur la ville Als de regen op de stad
Quelle est cette langueur Wat is dit lome wee
Qui pénètre mon coeur? Dat op mijn hart zo weegt?
(Vertaling Jules Grandgagnage.)


Het regende weliswaar niet, maar feit is dat de man van deze onvergetelijke verzen hier begon aan zijn eerste en tevens laatste bezoek aan Amsterdam. Of Paul Verlaine met zwaar gemoed in een van de rijtuigen zat, lijkt niet waarschijnlijk. Gewoonlijk was spleen, de alomtegenwoordige melancholie, zijn metgezel, net als trouwens de 'groene fee', de absint. Maar nu ging de Franse dichter vergezeld door de jonge kunstenaars van de beweging van Tachtig, die zijn bundels als Fêtes galantes (1869) en Romances sans paroles (1874) hadden verslonden.
Iedereen was op de hoogte van Verlaines notoire drankzucht, losbandigheid en de diverse schandalen. Hij had wat op zijn kerfstok, waarbij vooral de mislukte moordaanslag op de dichter Arthur Rimbaud in 1873 in het oog sprong. Het kostte hem twee jaar gevangenschap. In 1885 kreeg hij een maand, nadat hij zijn moeder had mishandeld. Kortom, geen gemakkelijk heerschap, maar 'Pauvre Lélian', zoals zijn zelfgekozen anagram luidde, was inmiddels broos van gezondheid en zat financieel aan de grond. Vandaar dat op initiatief van een groep Nederlandse kunstenaars een lezingentournee voor hem was georganiseerd in Den Haag, Leiden en Amsterdam.
Verlaines bezoek is gul gedocumenteerd: brieven met Verlaine, correspondentie tussen de initiatiefnemers van zijn lezingentournee en binnen de kring van kunstenaars, tal van krantenartikelen, herinneringen van later datum, en natuurlijk Verlaines eigen Quinze jours en Hollande. Lettres à un ami. Het verscheen eind 1893. Heel lang is het aangezien voor een adequaat en authentiek reisverslag, maar zoals Freek Heijbroek en A.A.M. Vis in 1985 aantoonden in Verlaine in Nederland, is wel erg veel materiaal naderhand aangereikt door de graficus Philippe Zilcken, bij wie hij in Den Haag had gelogeerd vóór hij naar zijn volgende pleisterplaats reisde.

Tuchthuisboef
Op die bewuste maandagavond had hij eerst in Leiden een voordracht gehouden. Dit zeer tegen de zin van de Leidse hoogleraar Nederlandse letterkunde Jan ten Brink die hem "een tuchthuisboef" noemde. Pieter Lodewijk Tak begeleidde de dichter naar de hoofdstad. "Mr. Tak – un type!", zei Verlaine over de gezette politiek journalist, die hij, een niet-roker, het roken van "une pipe énorme" toedichtte. Daar stond het ontvangstcomité, van wie de prominenten tevens de Amsterdamse lezing in Maison Couturier op 8 november hadden aanbevolen per circulaire. Kaarten à ƒ 2,50 waren beschikbaar bij boekhandels als Maison Meier op het Damrak en Scheltema & Holkema op het Rokin. Een beperkt aantal ook bij de organisatoren: behalve Tak, de dichter Willem Kloos (voor wie de combinatie spleen en alcohol al even aanwezig was), de twee studenten en Propria Cures-auteurs Pet Tideman en Gijsbert van Tienhoven jr. en Willem Witsen, de schilder, etser en fotograaf, bij wie Verlaine ging logeren.
De tocht voerde langs de grachten en over de beboomde Plantage Middenlaan, alwaar Verlaine enige theaters ontwaarde, en over de Singelgracht naar de nieuwe buitenwijk aan het Oosterpark in aanleg: "Finalement nous arrivons." Isaac Israels – benedenbuurman van Witsen – stond al te wachten en daar ging het gezelschap naar de eerste etage voor een laat souper. Witsens verloofde Betsy van Vloten was de enige vrouw. Frans Erens herinnerde zich brood met vlees en bedeesde conversatie; Verlaine noemde een smakelijke paté, heerlijke gerookte vis, een goede ragout, alles overvloedig besproeid met bordeaux, jenever "om voor te knielen" en sterke koffie, door Israels gezet. Er werden sigaren gerookt en plaisanterieën uitgewisseld tot een uur of twee in de morgen. Waarna de logé zich – "Ouf! Je me couche" – terugtrok in zijn logeerkamer om pas laat op te staan.

Rondtoer
De slaapkamer op het zuiden bood door de twee flinke ramen zicht op de ruime binnenplaats en de tuinen en huizen aan de Tweede Parkstraat*. Verlaine heeft terwijl hij toilet maakte in de "très belle chambre" het uitzicht in zich opgenomen: de achterkanten van de huizenrij deden nogal Londens aan, "presque trop londonien" zelfs. De straat waar Witsen woonde, scheen hem een betere dan die van de achterburen, want op de binnenplaats van het logeeradres stonden bomen waar géén wasgoed aan de lijn hing, waar zich géén rommeltje van potten en pannen en kookgerei bevond.
November was zacht en droog. Witsen bestelde aan het eind van dinsdagmiddag een open landauer. Erens zat naast Verlaine op de achterbank en noteerde dat de dichter voornamelijk oog had voor zijn Franse courant. De rondtoer ging in etappes van bezienswaardigheid naar lokaliteit. Een daarvan was de Caves de France in de Kalverstraat. Kwistig werden bittertjes genuttigd en het gevolg van Verlaines nieuwe vrienden zwelde steeds meer aan, onder wie schilder-schrijver Jac van Looy met zijn vrouw, schrijver-psychiater Frederik van Eeden en schrijver-arts Arnold Aletrino. Na de "tour formidable" volgde een diner met oesters.
De Amsterdamse initiatiefnemers hadden de Haagse lezingen bijgewoond en gemeend op de uitnodigingskaarten te moeten vermelden: "Men wordt verzocht niet te applaudisseeren". Dat is in de goed gevulde grote zaal van Maison Couturier op Keizersgracht 674 ook niet gebeurd. De aanvang was bepaald indrukwekkend. Verlaine trad binnen en het publiek, zich bewust van de historische gebeurtenis, rees als één man en vrouw. Het bevreemde en ontroerde hem, maar ook een decadent dichter is niet heilig, toen ook al niet: zijn présence leidde tot badinerende commentaren. Charles Boissevain had in het Algemeen Handelsblad een van de pittigste: "Wat de groote, ongelukkige dichter zeide, kon niemands ooren kwetsen, ook al had hij niet geweten dat vrouwen naar hem zouden luisteren." Het merendeel van het publiek verstond nauwelijks iets, want Verlaine sprak zacht, om niet te zeggen binnensmonds.

Sjamberloek
Misschien lag het aan de lange vermoeiende dag, wat niet wegnam dat na afloop van het optreden de Nes op het programma stond. In de straat van tingeltangels, bordelen en theatertjes bezochten ze een revue. Daarna slonk het gezelschap weer. Kloos, die er erg vermoeid uitzag, stond erop hem te begeleiden tot de Eerste Parkstraat. Restte die nacht nog een praatje bij een sigaartje en nog een glaasje Schiedammer en dan een "bonne nuit" op de drempel van "mijn kamer".
Drukte noch bewondering weerhielden Witsen ervan om zijn gast te laten poseren voor zijn camera. Hij maakte close-ups spelend met het licht over de ernstige kop met de zware wenkbrauwen, portretten ten voeten uit en een enkele actiefoto – de tijd in aanmerking genomen dat men in die dagen onbewegelijk moest blijven. Daar zit Verlaine, achter de gedekte ontbijttafel aan het raam in Witsens atelier, gehuld in een gebloemde sjamberloek, een kalotje op zijn kalende schedel en een pince-nez voor de donkere ogen, zijn pijp in zijn linkerknuist, verdiept in zijn krantje. Over het werk van zijn gastheer Witsen – "un peintre, homme sérieux, concentré" – dat in diverse stadia overal te zien was, vertelde Verlaine in zijn reisverslag niets, wel repte hij van thee bij Israels in het atelier beneden. Dat hij, terwijl de oude huishoudster er vrolijk aan het werk was, nergens méér had genoten van "the drink which warms people, but never intoxicates them, Sir!" Zelfs in het traditionele Albion niet.
Verlaine was geïntrigeerd door de kleine Israels en vooral door diens "petit croquis (schetsje, red.) délicieusement caricatural", in een oogwenk neergezet. In Den Haag was Verlaine al getekend door Jan Toorop, Philippe Zilcken en Jan Veth, maar voor dit rake krabbeltje wilde hij een moord doen. Israels deed er geen afstand van. Naderhand fotografeerde Witsen de tekening en Israels gebruikte een van Witsens foto's voor nóg een tekening van Verlaine. Hierop draagt hij de fameuze sjamberloek. Erens, die zijn afdruk van Witsens staand portret van Verlaine koesterde, meende nadien dat de lichtgele zijden huisjas door Israels uitgeleend was. Volgens Jacqueline Rooyaards-Sandberg behoorde het enigszins versleten kledingstuk tot Verlaines reisgarderobe. De dichter was hem vergeten. Ze poseerde er voor Israels in met haar viool.

Grandioos
Betsy van Vloten zou zich er later zeer aan storen, dat Verlaine abusievelijk Israels als gastheer noemde. Verlaine heeft zijn bundel Romances sans paroles gesigneerd: "à Monsieur Isaac Israëls Souvenir bien cordial Paul Verlaine". Het staat nog altijd in Witsens boekenkast aan het Oosterpark, naast het gesigneerde exemplaar van Quinze jours en Hollande.
Door het artikel van Boissevain en ondanks een tegenstuk van Jacob Nicolaas van Hall om heden "Frankrijks grootsen dichter" toch te gaan horen, kwamen donderdag 10 november bedroevend weinig mensen opdraven voor de tweede lezing, die daarom verhuisde van de grote naar de kleine zaal in Couturier. Wie zich had laten afschrikken, miste een vieve Verlaine, die mooi vertelde en goed uit eigen werk las. Van Looy schreef Lodewijk van Deyssel dat hij "grandioos" was geweest. Overdag had Verlaine het Rijksmuseum bezocht met Toorop en Tak. De kunstenaar Jan Veth stuurde Zilcken op diens verzoek op 12 januari 1893 gegevens over het regentenstuk van Cornelis Troost: "Verlaine kan daar dan uithalen wat hij wil."
Tak berichtte aan Zilcken de netto opbrengsten: ƒ 255,75 voor de eerste en slechts ƒ 26,40 voor de tweede lezing. Dat laatste door "een zeer valsch nootje van Ch. Boissevain", daarover was iedereen het eens. Financieel mag het dan geen succes zijn geweest, de kring van de Tachtigers zou het bezoek van Verlaine, die op vrijdagmiddag 11 november begeleid door Jan Toorop weer vertrok, niet licht vergeten. Iedereen was verrukt van de foto's die Witsen had gemaakt van de dichter en ook van zijn andere bezoekers. Toorop schreef hem hoe "verdomd gezellig" hij het op de Eerste Parkstraat had gevonden, "Ik dank je nog wel voor je allemachtig hartelijke ontvangst." Hij was benieuwd naar Witsens portret van Verlaine: "Is dat goed uitgevallen? En de mijne ook?"

Herinnering
In Nederland verkocht Quinze jours en Hollande niet uitbundig en met Verlaine zelf ging het slecht, al werd hij financieel ondersteund door de koningin van de Franse salons, Elisabeth gravin Greffulhe. Een medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant die hem in het ziekenhuis bezocht, constateerde tot zijn grote teleurstelling dat Verlaine zich van de Hollandse literaire tournee vrijwel niets meer herinnerde dan wat "stukjes van avondjes, de Nes...". Na enig aandringen kon de zieke dichter één iemand beschrijven, een man met veel haar en toen hij goed nadacht, wist hij één naam: Jean Toorop. Op 8 januari 1896 stierf 'de prins der dichters'.
De achterkamer op de eerste etage aan het Oosterpark waar hij die vier nachten had geslapen kreeg meteen na zijn vertrek de naam die ze tot op de dag van vandaag heeft: de Verlainekamer.


JESSICA VOETEN IS JOURNALIST.
* SINDS 1895 HEET DE TWEEDE PARKSTRAAT DE TWEEDE OOSTERPARKSTRAAT EN DE EERSTE PARKSTRAAT HET OOSTERPARK. WITSEN WOONDE OP EERSTE PARKSTRAAT 438, NU OOSTERPARK 82.

September 2017