Nummer 9: September 2017

Kleurrijk Amsterdam in 18de-eeuwse tekeningen Prent-1-huistafereel

De Dam, de grote kerken en synagogen, de stadspoorten, we zien ze allemaal op de razend gedetailleerde 18de-eeuwse tekeningen van Amsterdamse straattaferelen. Flanerende dames en heren, nijvere handwerkslieden en straatverkopers, bedelaars en dronkenlappen, héél veel hondjes en menige kar die ratelt op de keien. De expositie Kijk Amsterdam 1700-1800 in het Stadsarchief geeft een fascinerend beeld van het dagelijks leven destijds. We lichten er een paar thema's uit.

Rembrandt tekende regelmatig Amsterdamse stadsgezichten en hij was niet de enige in de 17de eeuw, maar pas echt populair werd het genre in de eeuw erna. Alleen van Rome en Venetië bleven heel misschien nog wel meer stadsgezichten bewaard; in de Nederlanden komen alleen Haarlem en Leiden een beetje in de buurt. Het Stadsarchief heeft een collectie van duizenden prenten gemaakt door honderden tekenaars, onder wie grote namen als Reinier Vinkeles, Herman Schouten, Simon Fokke en Jacob Cats. Onder de hoede van Bert Gerlagh is er nu een mooie expositie samengesteld, zijn laatste. Hij beheerde tientallen jaren de tekeningen en prenten van het archief. "Hoe meer ik ervan zie, hoe meer ik ervan leer en hoe mooier ze worden", zegt hij.
Centraal staan de originele tekeningen, niet de gedrukte prenten die op basis van die tekeningen werden gemaakt en verkocht in soms hoge oplagen. Het accent ligt op de tweede helft van de 18de eeuw, al begon iemand als Cornelis Pronk (1691-1759) al rond 1725 met topografische tekeningen. Een van zijn leerlingen was (circa 1735) de zeer productieve Jan de Beijer (1703-1780), geboren in Zwitserland en getogen in het Duitse Emmerich. Na zijn leertijd maakte hij tekeningen overal in Nederland en rond Emmerich, maar vanaf 1751 werkte hij weer in Amsterdam.

Voordelig
In zijn kielzog traden grote kunstenaars als Schouten, Vinkeles, Fokke en Cats (niet te verwarren met de gelijknamige 17de-eeuwse dichter). Allemaal streefden ze naar grote levensechtheid, ieder had zijn eigen stijl. Gerlagh geeft een voorbeeld: "Aan Cats' tekeningen kan je zien dat hij van oorsprong schilder was. Schouten (naast tekenaar ook zilversmid) was nóg preciezer, maar met minder diepte."
De topografische tekenkunst bloeide bij de gratie van de vele gefortuneerde verzamelaars, die vaak ook opdrachtgever waren. Twee van hen zijn houthandelaar/kunstenaar/verzamelaar/prentenuitgever Cornelis Ploos van Amstel (in de wandeling Cees Ploos; 1726-1798) en verzamelaar en uitgever Pieter Fouquet jr (1729-1800). (Zijn Atlas van Amsterdam werd zo'n 40 jaar geleden opnieuw een hit toen het toenmalige antiquariaat Pfann een verkleinde vorm liet drukken.)
De weergave van de stad lijkt natuurgetrouw. Maar is dat wel zo? Tja. Ploos van Amstel maakte in 1781 duidelijk hoe hij de aangeleverde tekeningen graag zag – en de kunstenaars knoopten de boodschap in hun oren. Hij koesterde nog steeds de idealen van het 17de-eeuwse classicisme: kunst moest 'verheven' zijn. Maar de 'lagere standen' en vervallen huizen mochten best in beeld. Al moesten ze dan wel weer in hun soort zo voordelig mogelijk worden getekend. Schooiers dragen schone kleren, de drollen liggen artistiek verantwoord op het plaveisel en altijd schijnt de zon.


Thema 1: Arm en rijk
Kleren maakten de man – en de vrouw – ook in de 18de eeuw. Misschien wel juist in de 18de eeuw, want door de betere standen werd aan de 'opsmuk' in brede zin ongelooflijk veel tijd en geld besteed. Het was de pruikentijd. De mode waaide eind 17de eeuw naar de Nederlanden over, nadat die rond 1660 was begonnen aan het hof van de Franse Zonnekoning Lodewijk IV. Wie het kon betalen droeg begin 18de eeuw bij voorkeur 'allongepruiken': hangend tot op de schouders en zwaar bepoederd. Tegen het eind van de eeuw werden de herenpruiken korter en eindigden in een staartje of waren opgerond aan weerszijden van het hoofd. Als hoofddeksel werd buitenshuis de driesteek gedragen, met de rand aan drie zijden opgeslagen. Dames droegen hun kapsels in de loop van de eeuw steeds hoger, met behulp van aanvullende haarstukjes. Heren gingen in lange jassen en kleurige kuitbroeken gekleed, dames in lange en steeds wijdere jurken.
De werklieden hielden het eenvoudiger op een wambuis en een breed zittende broek. Arm en rijk kwamen elkaar allerwegen tegen. Bedelaars waren overal. Dat was handig voor wie door het geven van aalmoezen zijn of haar zielenheil wilde veilig stellen. Maar geregeld ook werden wegens 'overlast' deze 'vagebonden' opgepakt en opgesloten.


Thema 2: Dood en begraven
'Een doodshemd heeft geen zakken', leert het spreekwoord, en daarom werd er bij de uitvaart van hooggeplaatsten niet op een stuiver gekeken. Een praalrijke begrafenis verhoogde het prestige van zowel de overledene als de nazaten.


Thema 3: Suyp-stadt
Al in de 17de eeuw werd Amsterdam een 'suyp-stadt'genoemd en in de volgende eeuw ging het vele drinken vrolijk door. Vermoedelijk omstreeks 1790 maakte Jacob Cats met kennelijk plezier een paar tekeningen van een avondje uit van enkele vrienden.

 

September 2017