Nummer 11-12: November-December 2009

HR_OAM_omslag

Prijs €5,95 Bestel

Op het omslag: Petrus van Geldorp maakte deze fraaie tekening bij het gedicht Plechtige intocht van Sint Nikolaas in de editie uit 1907 van Jan Schenkmans klassieker Sint Nikolaas en zijn knecht, uitgeven door J. Vlieger.


De blijde incomste
5000 kilo pepernoten en snoepgoed

Tekst: Joosje Lakmaker

INTOCHT_4-LR-kleinEen Sinterklaasfeest zonder intocht is ondenkbaar. De allereerste Amsterdamse 'blijde incomste' vond plaats midden in de crisisjaren 75 jaar geleden. Het was meteen een groot succes. Acht Sinterklazen hebben inmiddels hun opwachting gemaakt. Ondanks berichten over geldproblemen treedt dit jaar de negende aan. Een korte geschiedenis van de leukste dag van het jaar - voor kinderen én ouders.

In september verschenen zorgelijke berichten. Zou de Sinterklaasintocht dit jaar wel doorgaan? Bij de voorbereiding van de 71ste intocht bleek een tekort van € 70.000,-, bijna de helft van de totale begroting van € 160.000 ,-. Veel bedrijven die traditioneel aan de intocht bijdroegen, zijn het afgelopen jaar afgehaakt vanwege de economische recessie. Een paar weken later kwam de geruststellende mededeling dat er zich genoeg sponsors hadden gemeld. Het gevaar was geweken.
Curieus genoeg ontstond het idee voor een 'blijde incomste' van de schutspatroon van Amsterdam tijdens de vorige grote crisis. Tot dan toe was Sinterklaas een feest dat thuis of in verenigingsverband werd gevierd. Begin jaren dertig verschenen er op straat steeds meer Sinterklazen die liedjes zongen voor geld. Er ontstonden onderlinge vechtpartijen over fooien - een onbegrijpelijk beeld voor de Amsterdamse kinderen. NRC-journalist David Kouwenaar bedacht het plan voor een feestelijke intocht, dat vervolgens enthousiast werd uitgevoerd door het Initiatief Comité Amsterdam (ICA) onder leiding van huisarts en onafhankelijk gemeenteraadslid M. (Maupie) de Hartogh. Het ICA bestond uit mannen van aanzien uit verschillende culturele en sociale kringen en was opgericht om de hoofdstad met allerlei projecten te "verlevendigen". De Hartogh vond de bekende acteur Eduard Verkade bereid als Sint op te treden, de havenstoombootdienst leverde een boot en Van Gend & Loos stelde een schimmel beschikbaar.

Ten eeuwigen dage
Op zaterdag 1 december 1934, het weer was guur, ging de intocht van start. Met de stoomboot kwam de bisschop aan bij de Sint-Nicolaaskerk, vergezeld van zes Zwarte Pieten, Surinaamse matrozen van een schip dat toevallig in de haven lag. De jongens hadden het ijskoud; een van hen klaagde bij de Sint: "Heilige Heer, ik verrek van de kou..." Honderden kinderen zwaaiden met vlaggetjes en "een onvervalscht Amsterdamsch boefje", aldus het Algemeen Handelsblad, gaf de Sint namens alle Amsterdamse kinderen een bos bloemen.
Voorop ging het muziekcorps van Albert Heijn met daarachter de heren van het ICA-comité in een rijtuig. Eduard Verkade werd op zijn schimmel behalve door de zes Pieten, voor en achter begeleid door herauten: Spaanse edelmannen te paard en een ere-escorte van dames en heren van de Amsterdamse Studenten Rijvereniging Hors. Na deze indrukwekkende figuren volgden bekende Amsterdamse firma’s. Bestelauto’s van Boldoot, De Bijenkorf, Hema, Vroom & Dreesmann, Hille (beschuit), VANA(levensmiddelen) vervoerden de door de bedrijven ter beschikking gestelde cadeautjes.
Bij de Oporto Bodega, Damrak 92, kreeg Sinterklaas een bokaal wijn van de Spaanse vice-consul en hing hij een krans aan de gevelsteen `Sinterclaes' in het hoekhuis 'De Bisschop' van waaruit de goedheiligman eeuwenlang heeft uitgekeken op de jaarlijkse Sinterklaasmarkt op de Dam.* Het publiek stond er rijen dik. Voor het paleis overhandigde de voorzitter van het genootschap Amstelodamum, stadsgeschiedschrijver prof. Hajo Brugmans, hem een oorkonde. Daarin werd vastgelegd dat Sint-Nicolaas ten eeuwigen dage in dezelfde waardigheid de `blijde incomste` zou herhalen volgens hetzelfde protocol en altijd op de zaterdag vóór zijn naamdag.
De stoet trok verder naar de Oudezijds Voorburgwal voor een officiële ontvangst op het Prinsenhof door burgemeester en wethouders. De gereformeerde burgemeester Willem de Vlugt had enige tegenzin moeten overwinnen voor dit eerbetoon aan een roomse heilige, maar dankte de Sint hartelijk voor zijn komst in deze benarde tijden. De stoet moest zich daarna soms door kleine straatjes wringen. Via de Sint Agnietenstraat richting Kloveniersburgwal en via de Halvemaansteeg naar het Rembrandtsplein om over de Reguliersgracht en de Stadhouderskade te eindigen in het Vondelpark. Hier werden de cadeautjes uitgedeeld. Het Algemeen Handelsblad: "Onder den troonhemel in het Paviljoen-Vondelpark liet Sint-Nicolaas 6000 kinderen langs zich gaan. Ze werden daar met een geschenkje verblijd."

Extra snoepbon
Al was de `blijde incomste` voor altijd vastgelegd op de zaterdag vóór 5 december, de middenstand had hier zoveel bezwaar tegen dat de intocht in 1935 werd bepaald op woensdag 27 november. Eduard Verkade bleef Sinterklaas. In 1939 kon hij zijn `heilige verplichtingen` niet nakomen en werd zijn rol vervuld door kunstenaar Bernard van Vlijmen. Deze kon niet paardrijden en de aangepaste tocht ging dat jaar per boot. Vanaf de Prins Hendrikkade over de grachten tot aan Theater Carré. De kinderen stonden aan de wallenkant, toen nog zonder geparkeerde auto’s.
Na de Duitse bezetting staakte het ICA zijn werkzaamheden. Nationaal-socialistische organisaties als Winterhulp en Jeugdstorm organiseerden daarna tweemaal een inkomst. Op beelden uit het Polygoonjournaal van december 1941 zien we jongens en meisjes in uniform staan wuiven bij Sints aankomst bij het Concertgebouw: een feest voor enkele honderden kinderen. Tijdens de Hongerwinter was er geen tocht.

De eerste optocht na de bevrijding was sober. Het comité had tevoren de hulp ingeroepen van achtergebleven Canadese militairen die waren gelegerd in de Oranje Nassaukazerne. Ze stelden vier jeeps ter beschikking, muziek en een partij snoep. Maar even dreigde er een kleine catastrofe. Kolonel Tom Gilday, commandant van de Canadezen, vatte het Sinterklaasfeest op alsof het om de kersttraditie in zijn eigen land ging. Naarmate Kerstmis dichterbij komt, verschijnen er overal méér Kerstmannen. De kolonel wilde de zaak goed aanpakken: niet één armzalige Sint, maar per jeep vier Canadese Klazen - zestien in totaal. Er volgden moeizame besprekingen. De te hulp geroepen burgemeester Feike de Boer zei tegen het ICA-bestuur: "We hebben zoveel aan die Gilday te danken, wees hem maar ter wille." Het liep goed af: uiteindelijk zaten er in elke jeep een chauffeur in battledress met drie Canadese Pieten. En Eduard Verkade - die zijn oude rol weer op zich had genomen - kon vertellen dat er een extra snoepbon in de distributie zou komen.

Pepernoten of appels?
Verkade bleef Sinterklaas tot en met 1948 en werd opgevolgd door acteur Paul Huf sr., die het maar een jaar deed. Dierenarts Jan Gajentaan reed vervolgens dertien keer, van 1950 tot en met 1962. Uit het draaiboek voor de intocht van 1962 blijkt dat Sint, omringd door ruiters, werd voorafgegaan door drie landauers - koetsen- met het ICA-bestuur. Er ging een mailcoach mee voor de schrijvende pers die werd verzocht vanwege plaatsgebrek geen familieleden mee te nemen. De praalwagens waren gefinancierd door onder andere bandenfabriek Michelin, Het Parool en sigarettenfabriek Lexington en er waren veel fanfares en muziekcorpsen. De stoet eindigde bij het AMVJ-gebouw op de Stadhouderskade.
Architect Gerard de Klerk - hij ontwierp onder andere het Sonesta Hotel en het Mariott Hotel - nam in 1963 de staf over van Gajentaan. Hij zou maar liefst 26 jaar de Amsterdamse Sint zijn. De enige rimpel in zijn ambtsperiode was het relletje in 1971 nadat er appels in plaats van pepernoten aan de kinderen waren uitgedeeld en de trouwe schimmel moest kokhalzen van de gevoerde klokhuizen. Een minder geslaagde traktatie op initiatief van de Vereniging van Amsterdamse Ziekenfondsen om de melktandjes te sparen. Het bleef bij deze ene misstap.
Als stadssint met de langste staat van dienst had Gerard de Klerk ons ongetwijfeld veel kunnen vertellen over de fijne kneepjes van het vak, maar hij is helaas in 2003 overleden. Maar gelukkig weten ook zijn twee opvolgers daar alles van en zij zijn graag bereid tot een gesprek. Oud-directeur van de Scheepvaartvereniging Noord Dick Ernst Claassen reed van 1989 tot en met 1998; hij werd opgevolgd door Dries Zee, toen net gepensioneerd als commissaris van politiebureau Warmoesstraat (1999-2009). Samen vertegenwoordigen ze ruim twintig jaar Sinterklaasintocht.

Zoveel mogelijk handjes drukken
"De eerste keer was het meest indrukwekkend", steekt Claassen van wal. "Ik stapte in de boot bij de Rijkspolitie te Water aan het IJ; vandaar voeren we het naar het Noord-Zuid-Hollands Koffiehuis. Ik kreeg kippenvel van de beierende klokken van de Sint-Nicolaaskerk. Na de ontvangst door burgemeester Van Thijn, voelde ik lopend van het ontvangstplankier naar mijn paard, allemaal handjes die mijn mantel zachtjes aanraakten. Het gaf me een beetje een Jezusgevoel. Ik probeerde altijd zoveel mogelijk uitgestoken handjes te drukken, soms ritste ik er een heleboel achter elkaar. Op het Ajaxbalkon van de Stadsschouwburg is er weer zo’n grandioos moment: op het hele Leidsplein is geen stukje asfalt te zien, alleen maar vrolijke kinderen en hun ouders."
Dries Zee: "Bij de Prins Hendrikkade staat er nog niet zoveel, maar het moment dat je de overvolle Dam opkomt en de juichende massa ziet, alleen voor jou… Dan voelde ik me even de koningin. Het is zo’n blij, goedaardig evenement." De oud-politiecommissaris is een uitstekend ruiter en bewoog zich vaak even met zijn paard tussen het publiek. "Het gaat toch om de interactie. Het verbaasde me trouwens altijd hoe ouders met ware doodsverachting hun kind optillen naar Sint in de hoop dat hij de kleine voor op het paard zet. Ik nam altijd kinderen mee en zei dat ze plechtig moesten wuiven."
In de loop van de laatste twintig jaar zijn er tradities gebleven én enkele dingen veranderd. De bokaal wijn - inmiddels port - wordt nu geschonken bij De Roode Leeuw. "Bij de gevelsteen maakt Sinterklaas 'halt en front' te paard, kijkt omhoog, knikt licht, maakt een groetgebaar met de rechterhand en vervolgt zijn tocht", aldus Zee. "En niemand begrijpt er iets van..." De intocht wordt, wederom onder druk van de middenstand, nu op zondag gehouden. De ontvangst door de burgemeester in het Noord-Zuid-Hollands Koffiehuis, is sinds de werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn verplaatst naar het balkon van het Scheepvaartmuseum. Sint en de Pieten worden geschminkt in het NUON-gebouw bij de Omval en vertrekken per boot over de Amstel naar de Prins Hendrikkade. Langs de Amstel staat al een massa mensen; Rolschaatspieten handhaven bij de bruggen de orde.

Ernstig zieke kindjes
De tocht met de praalwagens is van begin af aan behalve door de gemeente, GVB, Havenbedrijf en politie, vooral door Amsterdamse bedrijven mogelijk gemaakt. "Het blijft ingewikkeld", zegt Zee. "Je moet de commercie terugdringen zonder de band te verliezen. Maar het is en blijft een kinderfeest." De al te opzichtige reclame op de praalwagens is de laatste jaren teruggedraaid; de sponsors worden bedankt in Het Parool.
Het aantal toeschouwers dat rond 1990 wat daalde, is geleidelijk weer toegenomen en volgens politieschattingen inmiddels opgelopen tot zo’n 350.000 mensen. Die groei heeft volgens de twee ex-Sinterklazen vooral te maken met de grootste verandering in de intochtgeschiedenis: de geweldige toename van allochtone kinderen. Zee: "Op de Dam zag ik voor het overgrote deel donkere gezichtjes, meisjes met hoofddoekjes, alles."
Dat geldt ook voor de Pieten. In 1934 waren het nog maar zes, nu 500. Er zijn intussen veel meisjes bij en het blijkt dat ook Surinaamse Pieten zwart geschminkt willen worden. De animo om Zwarte Piet te zijn is enorm groot onder alle soorten kinderen in de stad; begin september verschijnt er een website (www.sinterklaas.nl) en zo’n vijf dagen later is het aantal ruim gehaald.
Claassen en Zee zijn het absoluut oneens met de bezwaren tegen Zwarte Piet als dom slavenhulpje. In 1993 liepen onder druk van de antiracismelobby uitsluitend rode, blauwe en groene Pieten mee, geschminkt door leerlingen van de Theaterschool. Claassen: "Het was een leuk gezicht, maar het publiek wilde later weer echte zwarte Pieten. En Pieten zijn geen slaven, het zijn Moren, dienaren van de Sint."
Tot de taken van de Sint hoort inmiddels ook een bezoek aan ernstig zieke kinderen. Dit is de zwaarste opdracht: veel van deze kinderen zijn niet meer te genezen. In Claassens tijd stond er op het Weteringcircuit een bus met kankerpatiëntjes uit het Emma Kinderziekenhuis. "Ik reed dan naar de bus en raakte op het glas zoveel mogelijk handjes of gezichtjes aan. Later vertelden ze stralend: 'Ik heb van Sint een hand gekregen!'" Dries Zee ging naar alle Amsterdamse ziekenhuizen. Een grote vuilewaskar wordt opgetast met cadeautjes en gaat mee. Elk kind krijgt iets. "Meestal knuffels. Die komen dan later op de kist."

Geen rollende rrr meer
De volgende Sinterklaas is vanaf dit jaar weer een acteur: Jeroen Krabbé. Krabbé werd geboren op 5 december 1944. Dat gaf een band: "Als Sint op school kwam, mocht ik als enige altijd op zijn schoot zitten." Eduard Verkade was zijn eerste Sinterklaas. Op zijn 6de jaar wist Krabbé zeker dat hij acteur wilde worden en toen zijn moeder hem vertelde dat Sinterklaas eigenlijk een toneelspeler was, werd het een diepe wens ooit Sinterklaas te zijn.
Ter voorbereiding is hij vorig jaar in de stoet met een bakfiets mee geweest als Postpiet. "Ik raakte het meest ontroerd door die totale doorsnee van de Amsterdamse bevolking. Ik zag Surinaamse, Marokkaanse kinderen geschminkt als Piet, allemaal gefascineerd door die ene Sinterklaas." Hij deelt de mening van zijn voorgangers over het anti-Pietensentiment: "Flauwekul, het is een symbool. Alleen vind ik wel dat de Pieten niet meer raar mogen praten, met een rollende rrr."
Cruciaal voor de Sintkeuze lijkt de vraag of de kandidaat kan paardrijden. En niet zonder reden: toen Eduard Verkade voor de eerste keer zijn schimmel besteeg, begon het dier heftig te steigeren. Zijn kortstondige opvolger Paul Huf ging speciaal op paardrijles. Dick Ernst Claassen deed veel aan dressuur, Dries Zee was ooit hoofd van de bereden politie. En ook Jeroen Krabbé kan paardrijden. Hij leerde het voor z'n plezier en die vaardigheid kwam later goed van pas bij rollen als Willem van Oranje en Robin Hood. Maar in een jurk reed hij nog nooit - half september heeft dat voor ’t eerst geoefend. Het is dan ook om meer dan één reden dat in Krabbé’s rolopvatting Sint vooral waardig moet zijn en niet zoals Zee zal afstappen op de Dam om handjes te geven. "Bovendien zag ik de teleurstelling in de ogen van de kinderen die geen hand kregen."
Hij verheugt zich er enorm op: "Dit is het onschuldigste feest. Een politieagent riep tijdens de vorige tocht: 'Hee, jij bent toch Jeroen?! Dit is de leukste dag van het jaar!!'"

De negen Stadssinterklazen
1934-1938 Eduard Verkade
1939 Bernard van Vlijmen
1945-1948 Eduard Verkade
1949 Paul Huf
1950-1962 Jan Gajentaan
1963-1988 Gerard de Klerk
1989-1998 Dick Ernst Claassen
1999-2009 Dries Zee
2009-? Jeroen Krabbé

 


Van Nikolaos tot Sinterklaas
De heilige, zijn legenden en zijn Amsterdamse kerken

Tekst: Peter-Paul de Baar

nikolaos_1_kopie-LR-klein

Heeft die Sint-Nicolaas echt bestaan? Wat voor een man was hij dan? Daarover is veel geschreven, maar nog steeds is er bar weinig zeker, al zijn er legenden genoeg. En ook over zijn vroegste ‘verovering’ van Amsterdam staat niet veel vast.

Slechts één ding is onomstreden. Dat ‘de echte’ Nicolaas uit Spanje kwam, is een puur Nederlands verzinsel, vermoedelijk pas uit de 19de eeuw. Volgens de oudste bronnen was de man op wie de latere legenden en folklore zijn terug te voeren ene Nikolaos, bisschop van Myra in de 4de eeuw na Christus. Myra (nu Demre, in Zuid-Turkije) was een belangrijke havenstad in Lycië, een provincie van het Romeinse rijk. Nikolaos zou omstreeks 280 zijn geboren in het naburige Patara. Over zijn sterfjaar variëren de schattingen van 312 tot 365. Maar al vanaf de 5de eeuw was men het er wel over eens dat hij stierf op een 6de december: dat werd zijn kerkelijke feestdag.
Schriftelijke bronnen over Nikolaos uit de 4de eeuw zijn er niet. Lang werd gezwaaid met een deelnemerslijst aan het Concilie van Nicea in 325, waarop Nikolaos van Myra stond vermeld, totdat bleek dat dit een late kopie was van veel oudere lijsten - waarop zijn naam ontbrak. De oudste uitvoerige ‘vita’ (levensbeschrijving) van Nikolaos die bewaard bleef, werd in de 8ste eeuw geschreven door ene abt Michael. Maar er moet een veel oudere vita bestaan hebben, want daaruit citeerde priester Eustrathios van Constantinopel de legende over hoe de heilige onschuldigen van de doodstraf redde. Nadien verschenen nog veel meer hagiografieën. Het meest geciteerd werd die van Simeon Metaphrastes, geschreven kort voor het jaar 1000. Daarin stonden meer wonderlijke heldendaden van de Sint dan ooit. Pas in de 18de eeuw ontdekte men dat een deel was overschreven uit de vita van de heilige abt Nikolaos van Sion, die op 10 december 564 overleed. De verhalen van twee Nicolazen waren dus samengesmolten.

Zeker geen doetje
In de 20ste eeuw concludeerden sceptische historici dat zelfs het bestaan van die Nikolaos van Myra niet geheel zeker was. De Katholieke Kerk degradeerde hem daarom in 1970 van de ‘algemene’ tot de ‘particuliere’ liturgie: in de kerk mocht zijn feestdag nog worden gevierd, maar verplicht was het niet meer. De Italiaanse historicus Giorgio Gioffari verzette zich vanaf 1987 weer tegen al te vergaande debunking. Volgens hem is het heel goed mogelijk dat de eerste dikke eeuw na Nikolaos’ dood de verhalen mondeling zijn overgeleverd met behoud van een stevige kern van waarheid.
Dat is ook het uitgangspunt van de Nederlandse historicus Aart Blom, die in 1999 het boek Nikolaas van Myra en zijn tijd publiceerde. Blom noemt het "een biografie op de tast". Vanuit een grote kennis van de legenden, van de kerkgeschiedenis en van Lycië in de 4de eeuw, beschrijft hij hoe het leven van een bisschop van Myra eruit gezien kan hebben. Op basis daarvan weegt hij de waarschijnlijkheid van steeds terugkerende verhaalelementen. Nikolaos, concludeert hij, sprak Grieks en nauwelijks Latijn, ook al was hij burger van het grote, maar inmiddels al aardig gedesintegreerde Romeinse rijk. In Nikolaos’ eeuw veranderde het christendom van een zwaar vervolgde religie in een staatsgodsdienst, vooral dankzij keizer Constantijn de Grote.
Verwijzend naar anatomisch onderzoek van zijn gebeente in 1957, stelt Blom dat Nikolaos 1,68 meter lang was (toen vrij gemiddeld), slank, met een hoog en breed voorhoofd, een brede mond en stevige kin. Waarschijnlijk leed hij aan reuma en chronische hoofdpijn. Speciale bisschopskleding bestond destijds nog niet: een staf en mijter kregen bisschoppen bijvoorbeeld pas in de Middeleeuwen. Nikolaos droeg een eenvoudige tuniek en korte mantel. En waarschijnlijk was hij glad geschoren, want baarden waren halverwege de 4de eeuw even uit de mode. Afgaand op de oudste verhalen was de bisschop van Myra vrijgevig en vriendelijk, maar bepaald geen doetje: een onverschrokken beschermer van de zwakken, met nu en dan een stevige driftbui.

Behoed voor het bordeel
Over de steeds mythischer figuur die in onze streken Sint-Nicolaas ging heten, kwamen ruim 100 legenden in omloop. Hier noemen we alleen de drie die in West-Europa het meest bepalend werden voor zijn beeldvorming en feest.
Een van de oudere gaat over een verarmde vader met drie dochters. Hoewel bloedmooi, hadden die op de huwelijksmarkt geen kans bij gebrek aan bruidsschat. Ten einde raad overwoog vader ze aan een bordeel te verkopen. Maar Nicolaas gooide drie keer ’s nachts stiekem een zak geld naar binnen, zodat de meisjes toch netjes konden trouwen. Deze legende inspireerde mogelijk tot tradities als het strooien, schoen zetten en het cadeau doen van ‘vrijers’ van speculaas.
Een stuk jonger is de legende over de heilige die tijdens een zeereis door zijn gebed een bijna fatale storm tot bedaren bracht. Maar dit verhaal komt eigenlijk uit de vita van eerdergenoemde Nikolaos van Sion. Hoe dan ook: het maakte Sint-Nicolaas tot de patroonheilige van de zeelieden en kooplieden en zo indirect van de havenstad Amsterdam.
Het verhaal dat vanaf ongeveer 1100 het populairst werd in West-Europa is in geen enkele oude Griekse bron te vinden. Dat gaat over drie rondtrekkende arme studenten (in latere versies scholieren) die door een geldbeluste herbergier worden geslacht en in een pekelvat gestopt. Sint-Nicolaas komt erachter en brengt ze weer tot leven. Zo werd de Sint ook schutspatroon van de scholieren en kinderen in het algemeen. Op latere afbeeldingen werden de jongens steeds jonger weergegeven (zoals op de elders in dit nummer besproken gevelsteen op de Dam, zie blz. 458-459).
De verering van Sint Nicolaas sloeg allereerst aan in het oosten van het Romeinse rijk, het sterkst in Rusland. Maar vooral door de Kruistochten waaide de verering over naar het westen. Een bepalend jaar was 1087, toen Italiaanse kooplieden het gebeente van de heilige roofden uit diens graf in Myra (inmiddels onder het gezag van moslims) en overbrachten naar Bari.

Zilveren Nicolaasbeeld omgesmolten
Ergens in de 13de eeuw moet de verering ook Amsterdam hebben bereikt. Dat leverde uiteindelijk minstens vijf Amsterdamse Sint-Nicolaaskerken op. Vast staat dat de Oude Kerk kort na 1300 aan Sint-Nicolaas werd gewijd. Nadat op de westoever van de Amstel in 1409 de Nieuwe Kerk aan de heilige Maria en Catharina was gewijd, wilden de leden van de nieuwe parochie toch graag laten blijken dat hun liefde voor Sint-Nicolaas onverflauwd was. Dus plaatsen zij een Nicolaasbeeldje in een gevel op de hoek van het Damrak en de Sint Nicolaassteeg, waar zij op zijn feestdag samenkwamen - totdat tijdens de Beeldenstorm van 1566 het beeldje werd geroofd. De Oude Kerk kwam er toen nog goed van af, maar na de protestantse machtsovername in 1578 werd daar het imposante zilveren beeld van de patroonheilige weggehaald en omgesmeed tot ‘noodmunten’. De Sint is wel nog steeds te zien op vier ‘gevelschotels’ in de nok van de kerk. Sinds 2008 staat hier ook het stenen beeld dat van 1899 tot 1928 café De Bisschop op de hoek van Dam en Damrak sierde. Nadat de katholieke Sint-Nicolaasparochie in 1578 verdreven werd uit de Oude Kerk, vond ze na enige omzwervingen in 1663 nieuw onderdak op de zolders van een koopmanswoning op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal en Heintje Hoekssteeg. Ons’Lieve Heer op Solder ging die schuilkerk heten, ook al nam zij op den duur twee verdiepingen in beslag.
Sinds eind 18de eeuw mochten de katholieken hun geloof weer openlijk belijden, al werden ze nog lang behandeld als tweederangsburgers. Toen na 1850 hun welvaart en maatschappelijk aanzien groeiden, kregen ze behoefte aan eigen grote triomfantelijke kerkgebouwen. De Amsterdamse Sint-Nicolaasparochie gaf architect A.C. Bleys opdracht voor de bouw van een imposante nieuwe kerk op de Prins Hendrikkade, tegenover het even nieuwe Centraal Station. In 1887 was ze klaar. In de voorgevel staat een drie meter hoog zandstenen beeld van de patroonheilige, van de hand van Bart van Hove. Bijzonderder nog zijn de zestien muurschilderingen binnenin waarop Jan Dunselman tussen 1918 en 1921 scènes uit het (legendarische) leven van Sint-Nicolaas uitbeeldde.
Lang niet iedereen weet dat Amsterdam nog méér aan Nicolaas gewijde kerken kende en kent… Allereerst die van Sint-Nicolaas en Barbara in de Bilderdijkstraat, alias De Liefde. (Sint-Barbara had toevallig haar feestdag op 4 december, vlak voor die van Nicolaas.) Het door Pierre Cuypers ontworpen neogotische kerkgebouw uit 1885, opvolger van een 18de-eeuwse kerkje in het huidige Bilderdijkpark, werd in 1990 gesloopt. Maar nog altijd zijn ook de Koptisch-orthodoxe kerk van Amsterdam (Gerrit van der Veenstraat) en de Russisch-orthodoxe kerk (voorheen in de Kerkstraat, nu in de Tichelstraat) aan Sint-Nicolaas gewijd. Amsterdam is en blijft dus een echte Sint-Nicolaasstad.

 


De zaak Zwarte Piet
Vraagtekens bij het hulpje van Sinterklaas

Tekst: Marianne Lamers

PIET_2_scan_Schenkman-LR-kleinSinterklaas en Zwarte Piet: voor generaties autochtone Nederlanders was (en is) het een onlosmakelijk duo, met een heldere rolverdeling. Maar sinds ‘zwarten’ een belangrijke groep binnen de bevolking zijn geworden, ligt vooral de rol van Piet onder vuur.

Het begint een vast decemberritueel te worden: een (doorgaans Surinaamse) actiegroep stuurt een manifest de wereld in tegen het racistische karakter van de Zwarte-Piettraditie – en prompt regent het ingezonden brieven van autochtonen, die protesteren tegen de aantasting van eeuwenoud cultuurgoed.
Maar op de ouderdom van die traditie valt eerlijk gezegd wel wat af te dingen. In de 19de eeuw bedachten volkskundigen weliswaar dat Sinterklaas eigenlijk de christelijk vermomde bebaarde Germaanse oppergod Wodan was, die volgens de oeroude mythen op zijn schimmel over de wolken reed; Zwarte Piet zou dan ‘afstammen’ van de rumoerige geesten die Wodan in die verhalen vaak begeleidden. Maar sceptische moderne historici zien geen spoor van bewijs voor een traditie sinds het begin van onze jaartelling. Wel werd vanaf pakweg de 16de eeuw in volksverhalen en prenten de weldoende Sinterklaas soms begeleid door schrikaanjagende figuren: heksen of woeste mannen met hoorntjes, soms uitgerust met een roe en zak. Historici sluiten niet uit dat we in die sprookjesachtige figuren door de heilige Nicolaas ‘geknechte’ duivels mogen zien. In middeleeuwse Amsterdamse processies liepen immers ook ‘enghelthens’ en ‘duyveltgens’ mee, waarvan de laatsten ook wel als ‘nickertgens’ werden beschreven.
Zeker is echter dat de Zwarte Piet zoals wij hem kennen pas in de 19de eeuw ten tonele werd gevoerd. En wel in 1850, door de Amsterdamse schoolmeester Jan Schenkman, in zijn prentenboek Sint Nikolaas en zijn knegt. De nog naamloze knecht in dat boek (pas tegen 1900 heet hij steeds vaker Piet) is zwart en draagt een kleurrijk pagepakje. Onderzoekster Eugenie Boer-Dirks vermoedt dat Schenkman zich liet inspireren door de zwarte bedienden, die (al dan niet naar de werkelijkheid) als ‘statussymbolen’ te zien waren op 17de- en 18de-eeuwse portretten van rijke Amsterdamse kooplieden en andere hoogmogenden. Bij Schenkman is de zwarte knecht nog een vriendelijke figuur, maar na 1900 wordt hij steeds vaker neergezet als boeman of als de primitieve gitzwarte domoor die de Nederlanders al kenden uit kinderboeken en de bedelpreken van hun missionarissen en zendelingen.

Nageroepen als Zwarte Piet
Begin jaren zestig van de afgelopen eeuw werden de eerste vraagtekens gezet bij het fenomeen Zwarte Piet – allereerst door blanke Nederlanders. De bezwaren richtten zich aanvankelijk vooral tegen de bangmakerij van kinderen. Nationale sensatie was het dan ook dat tv-Sinterklaas Adrie van Oirschot in 1964 de zak-voor-stoute-kinderen demonstratief in zee wierp. Dezelfde Sint schafte de roe af en verbood zijn Pieten krom te praten. In plaats van als ‘kinderschrik’ kregen de Pieten een meer clowneske rol toebedeeld.
Een van de allereersten die expliciet wees op het raciale aspect, was de Amsterdamse M.C. Grünbauer, die in 1968 haar Witte Pietenplan lanceerde, duidelijk geïnspireerd op het Witte Fietsenplan van de Provobeweging. Hoewel de slavernij al een eeuw is afgeschaft, klaagde zij tegenover Panorama, “blijven wij maar doorsukkelen met het oude traditie de neger als slaaf voor te stellen. De machtige Blanke Meester zit op zijn schimmel of zijn troon. Piet moet lopen of zware zakken sjouwen en hij mag naast de troon op een krukje zitten aan de voeten van de baas.” Veel bijval kreeg zij niet.
Maar met het groeien van de migrantenstroom, vooral na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, zwol het protest weer aan. Veel Surinamers die in hun geboorteland vaak nog argeloos Sint en Piet hadden toegezongen, werden in het blanke Nederland pijnlijk geconfronteerd met hun ‘anders zijn’.
Barryl Biekman, voorzitter van het Landelijk Platform Slavernijverleden, kan zich nog goed herinneren hoe ze in Nederland in 1976 haar zoon van vier ophaalde van school: “Hij moest heel erg huilen, omdat hij bang was dat andere kinderen mij zagen als Zwarte Piet. Daar ben ik heel erg van geschrokken.” Later hoorde zijn veel andere verhalen van Surinamers die met “Hee, Zwarte Piet!" werden nageroepen. In de jaren tachtig begon Biekman haar moeizame strijd tegen het Sinterklaasfeest – en dat heeft ze geweten: “Ik kwam aan een heilig huis! Ik weet nog dat ik een interview gaf op Radio West en ik door luisteraars compleet werd afgemaakt!”
Alles in de huidige traditie symboliseert volgens Biekman de superieure positie van de Sint: “De Sint is blank en een goedheiligman, deelt snoep uit en is intelligent, want leest in een boek. Zwarte Piet is een dommige, lullige clown die met zijn grote dikke lippen niets anders dan een neger voorstelt.”

Tweede Kamer geeft geen sjoege
Pas in 1993 kregen de acties tegen Zwarte Piet heel even resultaat. Tijdens de officiële Amsterdamse Sinterklaasintocht van Sinterklaas liepen naast zwarte ook groene, blauwe en paarse Pieten rond. Maar de reacties waren meewarig of boos en het jaar daarop waren de Pieten weer zwart. De strijd ging ondertussen gewoon door. In Amsterdam werd in 1994 het Actiecomité Zwarte Piet=Zwart Verdriet opgericht. In de Bijlmermeer organiseerde het comité demonstraties en ‘anti-racistische Sinterklaasfeesten’. In 1997 werden 1200 handtekeningen voor een Zwarte-Pietverbod aangeboden aan de onderwijswethouder van Zuidoost en de organiserende winkeliers vereniging liet dat tijdens de Bijlmerintocht van Sinterklaas alleen maar Bonte Pieten meelopen. Maar ook nu reageerden de toeschouwers zó negatief dat het bij één keer bleef.
In 1998 stuurde het stadsdeel aan de vijftien openbare basisscholen in Zuidoost een ‘Sint-Nicolaascode´. Die schreef voor dat Zwarte Piet geen dikke lippen, kroeshaar of oorringen meer mocht hebben. Ook krom praten en onderdanigheid waren voortaan uit den boze en bepaalde liedjes (“Ook al ben ik zwart als roet/ik meen het toch goed”) mochten niet meer gezongen worden. Dit alles opdat “zwarte kinderen en hun ouders zich niet meer gekwetst zouden hoeven voelen.”
De VN-conferentie tegen racisme in 2001 in het Zuid-Afrikaanse Durban en de onthulling van het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark in 2002 sterkten tegenstanders van het Sinterklaasfeest in hun strijd. Biekman, initiatiefneemster voor het monument: “In Durban werd het Sinterklaasfeest aangemerkt als een overblijfsel uit een wit koloniaal verleden, waarin de zwarte mens op een stereotype manier wordt neergezet. En het monument was een officiële erkenning van de Nederlandse overheid van haar slavernijverleden.” Bemoedigd boden tien anti-racistische organisaties in 2003 aan Tweede Kamerleden een petitie Afschaffing Zwarte Piet aan. En er gebeurde weer niks.
Maar Biekman geeft niet op. “Het leeft nog heel erg, zeker onder nazaten van de tot slaaf gemaakten.” Met het Landelijk Platform Slavernijverleden probeert ze nu het Nederlands Juristen Comité Mensenrechten te kunnen overreden het Sinterklaasfeest aan te merken als een ideologisch overblijfsel van het slavernijverleden. “We zijn al lang geen wit land meer. Integratie moet van beide kanten komen.”

Scholen ontvingen dreigbrieven
Een belrondje leert dat de meeste Amsterdamse basisscholen het feest anno 2009 nog steeds traditioneel vieren. Alleen in de Bijlmer doen enkele scholen dat met gekleurde Pieten. Op openbare basisschool De Blauwe Lijn doen ze dat al sinds 1981.
Toch was De Blauwe Lijn vorig jaar één van de negen basisscholen in Zuidoost die een anonieme dreigbrief ontvingen. Scholen die Zwarte Pieten toelieten zouden in brand worden gestoken. Ook oecumenische basisschool Onze Wereld, die het feest nog met Zwarte Pieten viert, kreeg zo’n brief. Adjunct-directeur Ans van Wel was niet onder de indruk: “We krijgen ieder jaar dreigbrieven. Ik kan me nog herinneren dat de school helemaal vol was geplakt, maar we laten ons niet intimideren. De manier waarop wij het vieren, zien we niet als discriminerend.” In 1997 probeerde de school het een keer met gekleurde Pieten, maar “de kinderen schrokken er heel erg van.” Evangelische basisschool Crescendo, even verderop, houdt al sinds haar opening alleen Pakjesdag, zonder Pieten en zonder Sint. Directeur Glenn Lashley: “Kinderen vinden het net zo leuk.”
Maar in Zeeburg, Bos en Lommer en Nieuw-West voelt men weinig voor moderne fratsen. “Het slaat nergens op!”, vindt conciërge Dick Prinsen van de openbare Flevoparkschool. “Ik denk bij Zwarte Piet niet aan een zwart mens.” Het merendeel van de allochtone schoolkinderen in deze stadsdelen heeft geen enkel probleem met Zwarte Piet. In tegendeel zelfs, suggereert Ruud Jansen, directeur van de Burgemeester De Vlugtschool in Geuzenveld: “We hebben veel Turken en Marokkanen. Die vinden het wel leuk dat er negers voor de gek worden gehouden.”
Ook op de Sint-Henricusschool in Slotermeer levert het klassieke Sinterklaasfeest geen enkel probleem op. Directeur Michel d’Arnault: “Van Surinaamse collega’s hoor ik ook nooit enige wanklank. Men kan het heel goed plaatsen in de traditionele zin. Hij is zwart omdat hij door de schoorsteen gaat.”


Slickerdemickjes eten en sotterniën kijken
Vier eeuwen Sinter Niclaesmarckt op de Dam

Tekst: Marius van Melle

MARKT_1-LR-kleinEeuwenlang was de jaarlijkse Sinterklaasmarkt op de Dam het belangrijkste openbare aspect van de Sinterklaasviering. Het duurde van 's middags 5 december tot in de kleine uurtjes van de volgende dag. Al te steile calvinistische stadsbestuurders of al te strenge dienders kregen de vrolijke traditie er niet onder.

‘Die Plaetse’ heette het stadsplein nog, de plek waar het gebeurde, toen daar in de late Middeleeuwen de traditie van de jaarlijkse Sinterklaasmarkt op 5 december een aanvang nam. Er zijn beschrijvingen van het plein uit 1480 en tien jaar later, die Jan ter Gouw opdiepte uit het stadsarchief. Hij publiceerde er al over in 1862, toen hij een schooltje bestierde en nog moest beginnen aan zijn Geschiedenis van Amsterdam.
Eind 15de eeuw woonden er circa 10.000 mensen in de stad, die nog bescheiden van omvang was. Amsterdam zat ingeklemd tussen de net gegraven achterburgwallen; die van de Nieuwe Zijde zou veel later - na te zijn gedempt - worden omgedoopt tot Spuistraat. De Dam was ook veel kleiner dan nu. Het middeleeuwse stadhuis stond een stuk naar voren en de rooilijn sloot aan bij de westzijde van de aanpalende Kalverstraat. Daarnaast stonden huizenblokken richting de Nieuwe Kerk.
Het plein werd deels ingenomen door een waaggebouw, waarachter weer huizenblokken waren gebouwd, terwijl er aan de zuidzijde van het huidige plein nog een ruimte was open gelaten die de Middeldam werd genoemd. Waar nu De Bijenkorf staat was toen de vismarkt. Het Damrak lag vol met schepen. Aan de overzijde van het water heette de kade de Vijgendam, omdat men daar een lading bedorven vijgen in het water had gekieperd om de weg te verbreden. Om onduidelijke redenen zou men later de hoek bij het beurspoortje Vijgendam noemen.
De ‘Sinter Niclaesmarckt’ begon op de middag van 5 december. Tussen Damrak en Rokin stond dan een dubbele rij kramen, waar allerlei heerlijkheden werden verkocht. ‘Sint Nicolaescoeck’ ging er dan zo gretig van de hand dat Amsterdammers in de rest van Holland wel bekend stonden als koeketers. ‘Honingtaert’, zoals taaitaai genoemd werd, vond ook gretig aftrek. Voor de wat rijkere klandizie was ‘amandelbroot’ in trek, banketstaven dus. Nog iets duurder was ‘massepeyn’, een lekkernij die eigenlijk bij een andere heilige hoorde - marsepein is afgeleid van Marci panis, ofwel brood van Marcus - maar daar deed men niet moeilijk over.

De hele nacht feest
De Vijgendam was het domein van hen die niet zoveel te besteden hadden. Daar stonden rijen met kruiwagens gevuld met koekjes (‘slickerdemickjes’). Daar krioelde het ook van zingende kinderen. Aan de kant van het stadhuis waren andere vormen van vermaak. Van toneelspelers die ‘sotterniën’ opvoerden tot standwerkers die met veel kwinkslagen het publiek zalfjes aansmeerden. De beroemdste kwakzalver was toen meester Kokadoris.
’s Avonds ging de volwassen jeugd het beeld bepalen, jongens en meisjes die gearmd liederen zingend door de stad trokken. De goedheiligman was namelijk ook een ‘hylickmaker’. Nog later sloten zeelui zich bij hen aan, die eerst in de kroeg op het heil van de goedheiligman - hun schutsheilige - hadden gedronken. Dat ging de hele nacht zo door.
Tot 1836 heeft de Sinterklaasmarkt het uitgehouden, want toen werd de ruimte waar de kraampjes stonden, ingenomen door een tijdelijk beursgebouw omdat de oude beurs van Hendrick de Keyser te bouwvallig was geworden. De glans was er toen al af: de verkoop van Sinterklaasgoed had zich grotendeels verplaatst naar winkels.
Toch is het een wonder dat de Sinterklaasmarkt het zo lang heeft uitgehouden. Natuurlijk lieten op zo’n drukke feestelijke markt bedelaars zich nadrukkelijk zien, hetgeen de overheid maar matig kon waarderen. En natuurlijk waren er ook zakkenrollers in de weer, hetgeen door de overheid nog minder op prijs werd gesteld. En al dat gehos in de nacht hield de brave burgers maar uit de slaap. Maar maatregelen daartegen hielden weinig uit: de traditie won het.

Schout Sint-Nicolaas
Na de Alteratie hadden de stadsbestuurders weinig op met katholieke heiligen, maar ze maakten voor de Sint een uitzondering. De markt mocht blijven, al drong de calvinistische kerkenraad er elk jaar op aan om er een eind aan te maken. Wel werd verordend dat de markt gesloten moest worden als de poortklokken luidden (om 9 uur ’s avonds), maar erg veel werk om die maatregel te handhaven werd er niet ondernomen.
Dat leek even te veranderen, toen steile calvinisten tussen 1617 en 1622 de macht op het stadhuis in handen hadden. In 1620 was de niet zo strenge schout overleden en burgemeester Frederick de Vrij - die het schoutambt tijdelijk moest waarnemen - mobiliseerde vervolgens het hele apparaat om de keuren naar de letter na te doen leven. Tal van koekverkopers gingen op de bon, en bij niet betalen werd de koopwaar in beslag genomen. Deze dwingelandij moest De Vrij bekopen met de bijnaam Schout Sint-Nicolaas.
Als er een pestepidemie was, zoals in 1638, ging de markt niet door. Dat was te billijken. Maar toen er in 1663 weer streng opgetreden werd tegen het avondlijk Sinterklaasvieren, werd dat door de jeugd niet gepikt en kregen de rakkers van de schout er niet alleen met pepernoten van langs. Deze ‘opstand der elfjarigen’ moet wel enige indruk hebben gemaakt, want daarna verslapte het toezicht weer.
De Sinterklaasmarkt verdween, maar het traditionele gehos van jongeren heeft nog langer bestaan, zoals blijkt uit een berichtje uit dagblad De Tijd in 1883. "Eenige knapen, die in de Nes en op de Vijgendam wat al te luidruchtig den St. Nicolaasavond vierden, kwamen in conflict met de politie, die van haar wapens gebruik moest maken. Eenigen der rustverstoorders werden gekwetst. Het geval veroorzaakte in dit drukke gedeelte der stad groote opschudding." Net als in 1663 wist het wereldlijk gezag niet om te gaan met het gezag van de Sint. Maar het is goed gekomen: sinds 1934 doet hij zijn intocht in de stad op een politiepaard.

 


Amsterdamse ‘vormgevers’ van Sinterklaas
Wie verzonnen stoomboot, Spanje, razende makkers en Hoofdpiet?

Tekst: Marius van Melle

VormgeversEeuwenlang was Sint-Nicolaas weliswaar zeer aanwezig rond zijn naamdag, maar te zien kreeg men hem niet. Vanaf de 19de eeuw werd zijn beeld steeds concreter en uniformer, door prentenboeken, leesboeken, nieuwe liedjes en fysieke verschijningen van de Sint in het openbaar. Amsterdamse onderwijzers speelden daarbij een opmerkelijke rol.

Wat wist men in de eerste helft van de 19de eeuw van Sinterklaas en hoe vierden de Amsterdammers zijn feest? Katholieke Amsterdammers zullen tot hem gebeden hebben, wat voor protestanten uiteraard taboe was. Maar zonder die roomse poespas veelden ook veel protestantse en zelfs joodse Amsterdammers Sinterklaas (onkerkelijken waren er nog nauwelijks).
Tot 1836 was er nog op Sinterklaasavond de vrolijke uit de Middeleeuwen stammende Sinterklaasmarkt op de Dam, en waarschijnlijk gaven volwassenen elkaar die avond al een aardigheidje, al dan niet met erotische symboliek. Wijdverbreid was zeker het schoenzetten door de kinderen, dat omstreeks 1600 al een oude traditie heette. En daarbij zal ongetwijfeld al heel wat gezongen zijn, al weten we niet precies wat. Van de oude Sint-Nicolaasliederen die musicoloog Henk van Benthem ijverig verzamelde (zijn standaardwerk uit 1991 is zojuist herdrukt) heeft er maar één repertoire gehouden: Sinterklaas Goedheiligman - al ontbraken daarin tot in de 19de eeuw de nu zo bekende regels over Amsterdam, Spanje en appeltjes van oranje. In de meeste andere Nicolaasliederen werden zijn legenden naverteld, of werd de Sint gebeden om een vrijer van vlees en bloed. Die liederen waren misschien óf te vroom óf te stout om in een calvinistisch milieu te gedijen.
Maar tegen de helft van de 19de eeuw bleek de tijd rijp voor vernieuwing van de Sinterklaasliederencultuur. In 1843 publiceerde de Amsterdamse arts en literator Jan Pieter Heije een Sinterklaasvers dat een ereplaats zou krijgen in de canon van het feest. Het begon met de regels “Zie de maan schijnt door de bomen/ makkers staakt uw wild geraas.” Het vers werd - iets later - getoonzet door collega-arts en componist J.J. Viotta, die zich liet inspireren door een passage uit de Haffnersymfonie van Mozart.
In levende lijve kwamen tot omstreeks 1840 Amsterdammers de Sint nooit tegen. Hoe hij eruitzag wist men hooguit van de goedkope ‘centsprenten’ die sinds de 18de eeuw voor één cent op straat werden verkocht - en natuurlijk van de gevelsteen op de hoek van Dam en Damrak. Maar daar kwam verandering in. Kennelijk had de Sint al tegen de helft van de 19de eeuw ook de goedheid om in persoon te verschijnen in familiekring. De Amsterdamse dominee en literator P.A. de Génestet beschreef zo’n optreden in 1849 in een ellenlang gedicht, De Sint-Nikolaasavond, waarin Sinterklaas overigens niet al te waardig overkomt, met een masker op en met een binnenstebuiten gekeerde jas met rode voering als tabbert. Juist die details maken het waarschijnlijk dat dit soort bezoeken niet meer alleen in de verbeelding werden afgelegd. Deze tekst is bovendien de oudste die vermeldt dat Sinterklaas uit Spanje komt.
Maar het kán zijn dat het oude lied Sinterklaas Goedheiligman toen al werd gezongen met de nieuwe regels “Rijdt ermee naar Amsterdam/ van Amsterdam naar Spanje/ appeltjes van oranje” - ook al bleven zeker tot 1925 andere varianten in omloop. Sinaasappelen verwijzen naar de gouden ballen die de legendarische Sint-Nicolaas naar binnen wierp om drie meisjes aan een bruidsschat te helpen, en die citrusvruchten kwamen uit Spanje en werden aangevoerd in Amsterdam. Het blijft niettemin een mysterie hoe het idee postvatte dat Sinterklaas een Spanjaard is. Het rijmt natuurlijk wel lekker, oranje en Spanje. Vlaamse kinderen wordt wijs gemaakt dat Sint elk jaar neerdaalt uit de hemel. Wij weten beter!

Een ‘allerliefst’ boekje
De grootste vernieuwer én popularisator van de Sinterklaastraditie was Jan Schenkman (1806-1863). Hij had tot 1849 een particuliere school gedreven op de Anjeliersgracht (sedert 1861 de Westerstraat) en ontpopte zich vooral daarna als schrijver van ‘luimige dichtstukjes’, brochures en ingezonden brieven, waarin hij nogal populistisch ageerde tegen alles wat er volgens hem schortte aan de maatschappij. En hij profileerde zich als kindervriend.
Zijn eerste pennenvrucht was in 1848 Het rekwest der Kinderen van Nederland aan Sint Nicolaas, waarin op rijm diens hulp werd ingeroepen tegen het onzalige plan het traditionele jaarlijkse ‘beurstrommelen’ af te schaffen. Ter herinnering aan een Amsterdamse jongen die tijdens de Tachtigjarige Oorlog net op tijd een Spaanse buskruitaanslag op de Beurs aan het Rokin zou hebben verijdeld, mochten één dag per jaar jonge Amsterdammertjes muzikaal kabaal maken in het beursgebouw, inmiddels op de Dam. Maar de moderne beurshandelaren klaagden dat hun winsten in gevaar kwamen. Schenkmans cynische protest werd echter een veelbesproken bestseller en het stadsbestuur slikte haastig de plannen in.
Op 2 december 1850 adverteerde het Algemeen Handelsblad met Schenkmans ‘boertig dichtstuk’ Sint Nicolaas schenkt ieder wat, waarin hij vele vegen uit de pan uitdeelde. Prinses Marianne was er een van: “s Konings Tante krijgt een turkje/ van Damascus vrachtvrij thuis.” Dat sloeg op het bericht dat deze Oranjetelg op de slavenmarkt in Alexandrië een jongetje had gekocht voor ƒ 150,-. Uit medelijden, verzekeren haar biografen, die bovendien meedelen dat het kind ten paleize “de kleurling” werd genoemd en later op kostschool werd gedaan.
De uitgever, boekhandelaar G. Theod. Bom, “Kalverstraat bij den Dam”, adverteerde een dag later in dezelfde krant met: “Voor kinderen: Sint Nicolaas en zijn knecht. Door Jan Schenkman. Met 16 fraaye gekleurde plaatjes. ƒ 0,80. Verschijnt heden.” Het eerstgenoemde werkje vond de recensent van de Amsterdamsche Courant nogal grof; hij betwijfelde zeer of de echte kindervriend alles wat hem daar in de mond was gelegd, zou durven uitspreken. Maar Schenkmans andere boekje, het prentenboek over de Sint en zijn knecht vond hij “allerliefst”. “Sint Nicolaas zal dit boekje gewis tot een geschenk kiezen. In menig kinderkamer kan het vrolijkheid en nut schenken.” Het boekje sloeg inderdaad in als een bom: op 8 december 1850 liet de uitgever weten dat het boek weer voorhanden was: kennelijk razendsnel herdrukt! Niet ongewijzigd overigens: op het laatste plaatje vertrok de Sint eerst zonder staf per luchtballon, maar die staf was er nu snel bijgetekend.

Schenkman geeft antwoord
Op vele sluimerende vragen over de gewoonten van Sint-Nicolaas gaf Schenkman in dit prentenboek antwoord. Het sensationeelst was zeker het feit dat meteen al in het eerste vers (pas in 1912 op muziek gezet!) Sint Nicolaas per stoomboot arriveerde. Dat was een betrekkelijk nieuw fenomeen, waarmee Amsterdam kennis maakte toen Schenkman een kind was. Anno 1850 was de stoomvaart al wat alledaagser geworden, al was de zeilvaart nog lang niet voorbij. En hij kwam “uit Spanje weer aan”: ook daarover liet Schenkman geen twijfel meer toe.
Verder behandelde de schrijver in versvorm alle traditionele aspecten van de Sint en zijn feest: het strooien, het schoenzetten, het dakrijden, de schoorsteen, de roe en de zak. Met duidelijke plaatjes erbij. Er kwam weer een herdruk in 1865, een geheel vernieuwde druk in 1872 (waarin de Sint nu per (stoom-)trein vertrok) en in 1877 “een pracht-uitgave, met keurige, in kleuren gedrukte, uitmuntend en karakteristiek geteekende platen, in zeer fraai omslag. Prijs ƒ 1,25.” Later werd het op de markt gebracht door de Rotterdamse ramsjhandelaar/uitgever D. Bolle, die het aanbood als onderdeel van Sint-Nicolaaspakketten. In advertenties in De Amsterdammer (nu De Groene Amsterdammer) werd het in 1882 geafficheerd als “het zoo gezochte gerenommeerde Kinderboek”, in 1889 als “het echte beroemde boek” en in 1901 als “het mooie, echte onveranderde boek van Schenkman”. In 1907 maakte P. van Geldorp er nog prachtige nieuwe plaatjes bij en nog in 1953 werd het herdrukt, nu met foto’s van de Amsterdamse Sinterklaasintocht!
Het werk maakte een dus enorme opgang. De schrijver ds. Rinse Koopmans van Boekeren, toen predikant in Giethoorn, beschreef in 1867 bijvoorbeeld in Strooiavonden hoe men bij een huiselijke viering een Sinterklaastenue in elkaar knutselde, “alles volmaakt naar het model, daarvan in het boekje van Schenkman gegeven, zoodat de kinderen, die de versjes van dat boekje van buiten kenden, en de prentjes natuurlijk duizendmalen hadden bewonderd, niet konden twijfelen, of ‘ginds stond de Bisschop voor de opene deur’.” Sinterklaas had zijn bijna definitieve vormgeving gekregen. Voor wie nog twijfels had, kon terecht bij J. Vlieger in de Halvemaansteeg, die in 1873 in het Handelsblad liet weten dat de Sint bij hem was afgestapt en dat “zijn welgelijkend portret” er voor een kwartje te krijgen was.
Onder invloed van Schenkmans prentenboek kwam er steeds meer uniformiteit in de uitbeelding van de Sint en ook van zijn knecht. Dat Sint een zwarte knecht had was tot dan toe zeker geen vast element in de traditie, maar sinds Schenkmans boek werd daar niet meer aan getwijfeld. In de eerste druk draagt die (naamloze) bediende nog een glad wit pak met rode biezen en geen hoofddeksel, maar in volgende drukken heeft hij al een bont Moors pagepakje aan en een baret op zijn hoofd. In de scène met Sint en zijn knecht op de daken zijn in de 1850-editie nog beiden te paard afgebeeld, maar op latere illustraties is de knecht zijn paard kwijt: kennelijk te veel eer voor een knecht.

Groot kinderfeest
In 1871 verscheen voor het laatst een advertentie - van het Verkoophuis (een ramsjwarenhuis op de Dam) - waarin de Sint zonder baard werd afgebeeld. Daarna kon dat écht niet meer. In datzelfde jaar namelijk konden duizenden tegelijk zien hoe hij er werkelijk uitzag. De Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak organiseerde een massale Sinterklaasviering in het Paleis voor Volksvlijt voor 3500 kinderen van openbare (kosteloze) scholen. Er werden vaderlandse liederen gezongen, begeleid door het Paleisorkest onder leiding van Joh.M. Coenen, er werd chocolademelk en krentenbrood uitgedeeld en het klapstuk was dat Sinterklaas zelf verscheen. “De goede man,” aldus het Algemeen Handelsblad, “die natuurlijk op uitbundige wijze werd begroet, gaf daar hij zich gemakkelijker in het Spaansch dan in ‘t Nederduitsch bewoog, bij monde van dr. Hugenholtz jr. zijn hooge tevredenheid te kennen met de Amsterdamsche jeugd, er de blijde verzekering bijvoegende, dat hij niet eens zijn gard had medegebracht, die elders wel eens bleek noodig te zijn.” Daarna liep hij speculaas uitdelend en handjes gevend door de grote zaal. De woordvoerder van de Sint was een vrijzinnige predikant die later de Vrije Gemeente zou stichten, waarvan het kerkgebouw nu bekend staat als Paradiso. De organisatie was in handen van een damescomité onder leiding van Femina Muller, die de jeugd een warm hart toedroeg en zich inzette voor de modernisering van crèches.
Het was een geweldig succes en dus werd - aanvankelijk jaarlijks, later om het jaar - een groot feest georganiseerd. Omdat men afhankelijk was van het (hiervoor gratis meewerkende) Paleis voor Volksvlijt, moest wel eens uitgeweken worden naar een dag na 5 december. In 1875 bijvoorbeeld, toen die datum op een zondag viel, vierden 2000 kinderen op 7 december Sinterklaas en een week later nog eens zo’n schare. Het maakte diepe indruk. De Sint verwaardigde zich nu ook vaker om op te treden in het openbaar. In 1877 verscheen hij te paard tijdens de Sinterklaasviering van de katholieke Piusvereeniging in de Parkzaal in de Plantage, waarbij de jeugd werd ‘opgewarmd’ door goochelaar David Tobias Bamberg. Maar hij liet zich ook zien waar je hem toch niet zo snel zou verwachten. Zo verschenen hij en zijn knecht “in galacostuum” op het groot Sint-Nicolaasbal in uitspanning De Keizerskroon op 5 december 1875 om surprises uit te delen aan alle dames.
Eind 19de eeuw namen de onderwijzers het stokje over van ‘Volksvermaak’ en gingen nu per school Sinterklaas vieren. Vaak werd er een toneelstukje uitgevoerd en verscheen Sint ook op school. Daarnaast was hij steeds vaker in winkels of in melksalons aanwezig.

Opperpiet
Met name die onderwijzers zorgden voor uitbreiding van het Sinterklaasrepertoire. De Amsterdammer Simon Abramsz (1867-1924), onderwijzer op de Hendrik Westerschool op het Weesperplein en na de Eerste Wereldoorlog hoofd van Openbare Lage School No. 51, was redacteur van kinderbladen, schreef kinderboeken en in 1911 van het Sinterklaasliedjes/prentenboek Sinterklaas en Pieterbaas, met ondermeer Op de hoge hoge daken (op de melodie van Zie de maan schijnt) en van Zoetjes gaan de paardenvoetjes (op zelfgeschreven melodie). Ook een duit in het zakje deed zijn jongere collega H.A. Almoes, die na onderwijzer geweest te zijn in Appingedam en Hilversum, in 1923 hoofd van de Andreas Bonnschool werd en in 1934 van de Ambonschool. Hij publiceerde in 1935 een bundel met Sinterklaasliedjes met muziek, waarin de melodie van Sinterklaas, die goede heer van zijn hand is.
De Amsterdamse onderwijzer Fred. Berens (1870-1941), schrijver van toneelstukjes voor kindertoneel en van kinderboeken, schreef in 1898 Wie komt er alle jaren/ Daar heel uit Spanje varen (met melodie van Nelly van der Linden van Snelrewaard-Boudewijns). Hij zat in de redactie van menig schoolblad, samen met onder meer Theo Thijssen. Deze was trouwens ook een grote vriend van Sinterklaas. In 1935 diende hij in de gemeenteraad met succes een motie in om een subsidie van ƒ 5000,- toe te kennen voor de organisatie van het Sinterklaasfeest op scholen. Aan Berens komt trouwens waarschijnljjk nóg een primeur toe. Vaak wordt beweerd dat die ene Zwarte Piet waarvan in de meeste liedjes sprake is, pas werd vervangen door een heel leger Zwarte Pieten met allemaal een eigen functie, sinds in 1965 de Amsterdamse acteur Piet Römer bij de tv-intocht aantrad als Hoofdpiet. Maar nee, al in 1929 publiceerde hij in Thijssens blad School en Huis zijn toneelstukje Sint Nicolaas naar Holland, met in een van de hoofdrollen ‘Pedro, de Opperpiet’!

 


De Bijenkorf als hoofdkwartier
'Het gehele huis was in een Sinterklaaskleed gestoken'

Tekst: Niels Wisman

BIJENKORF_1-LR-kleinVoor de enige échte Sinterklaas moest je jarenlang bij De Bijenkorf zijn. In een speciaal voor hem verbouwd warenhuis hield hij de weken voorafgaand aan 5 december ontvangst. De directie regelde het graag en presenteerde het warenhuis als 'Hofleverancier van Sinterklaas'. Het interieur van de winkel werd ieder jaar opnieuw met geraffineerde decoraties in een sfeer van geheimzinnige verwachting gebracht. Adembenemende feestetalages leidden tot chaotische tonelen op de stoep. Het personeel moest overwerken en de kassa rinkelde.

"Met het oog op de drukte in de middag-uren richten wij hiermede tot de dames het vriendelijk verzoek hare inkopen zoveel mogelijk ’s morgens vóór 12 uur te willen doen", was de boodschap van een Sinterklaasadvertentie in 1913. Het was één van de eerste. De Bijenkorf was toen gevestigd in een ‘hulpgebouw’ en nog maar kort van een garen- en bandwinkel op de Nieuwendijk omgebouwd tot een rijk gesorteerd warenhuis op het Damrak. Pas in de herfst van het jaar daarop werd het bekende kooppaleis op de hoek met de Dam in gebruik genomen en kon het écht beginnen. Dat was in een benarde tijd, want buiten het neutrale Nederland woedde sinds augustus 1914 het bloedige internationale conflict dat we tegenwoordig de Eerste Wereldoorlog noemen. Ondanks de schaarste bracht De Bijenkorf in Sinterklaastijd steevast met paginagrote advertenties een keur aan speelgoed en andere cadeaus onder de belangstelling van de clientèle. In 1915 verscheen zelfs een complete Sinterklaascatalogus als bijlage van het weekblad De Prins. Écht serieus werd het met Sint in De Bijenkorf toen de oorlog na vier jaar voorbij was.
Wie iets te besteden had, was in de jaren twintig op het Damrak aan het goede adres. "Onze Sint-Nicolaas-expositie is thans gereed en hiermede onze 2e etage herschapen in ’n Eldorado voor kinderen”, was de aanstekelijke tekst van een advertentie in december 1924. Al een paar jaar was de weidse benaming ‘expositie’ toen in zwang als het ging om de speelgoedafdeling in Sinterklaastijd. Ook de etalages trokken datzelfde jaar veel belangstelling en volgens een enkel bericht in de pers moest de dienstdoende agent op het trottoir van het Damrak het publiek af en toe aanmanen om door te lopen. Van een speciale Sint-Nicolaasetalage voor kinderen horen we voor het eerst in 1926, toen in de ‘hoekkast’ aan het Beursplein een ‘Berenbruiloft’ te zien was. Blijkens het persbericht ging het om een speelgoedopstelling die "tot in de kleinste onderdelen beweegbaar" was. Techniek en beweging zaten in de lucht. Populair waren ook in deze jaren al elektrische spoortreinen die achter glas door tunnels en langs ravijnen rondreden in een landschap van knipperende seinpalen en op- en neer bewegende spoorbomen.

Geen volwassenen zonder kinderen
"Het gehele huis was in een Sinterklaaskleed gestoken. De figuren van Sinterklaas en Zwarte Piet wisselden elkaar af op de pilaren, terwijl bovendien veel plakkaten waren opgehangen waarop cadeau-artikelen waren afgebeeld met toepasselijke teksten." Zo staat het in een Algemeen Rapport Sint Nicolaas dat de Amsterdamse directie in 1939 voor intern gebruik uitbracht. In de loop van de jaren dertig had de Sinterklaascampagne in De Bijenkorf zich ontwikkeld tot een militaire exercitie. Die hield overigens gelijke trede met soortgelijke operaties in filialen in andere steden. Al in de lente begon het ieder jaar met de inkoop. In de zomermaanden werd in hemdsmouwen vergaderd over de slagzinnen en in september startte het knutselen en schilderen voor de etalages. In de loop van november werden de afdelingen versierd en als tegen vijf december de échte drukte toesloeg, kwam de sneldichter in actie. In 1939 vervaardigde hij maar liefst 840 rijmpjes, gratis voor wie meer dan vijf gulden aan cadeaus besteedde. Pas de ontreddering en schaarste die volgden op de Duitse inval in mei 1940 brachten dit jaarlijkse ritueel op den duur tot stilstand, maar de verkoop ging ook toen door. Zelfs in de verschrikkelijke winter van 1944 kon men in Sinterklaastijd op het Damrak nog terecht voor troosteloze aardewerken vazen en sieraden van twijfelachtige kwaliteit.
De eerste periode na de Duitse bezetting was ook in De Bijenkorf nog niet veel te koop, maar in 1947 begon het weer. De laatste dagen voorafgaande aan de vijfde december van dat jaar liet de directie systematisch foto's maken van de drukte op de verschillende afdelingen. Met tussenpozen van een half uur werd met de camera vastgelegd hoe de koopdag verliep. Met die wetenschap kon men het jaar daarop zijn voordeel doen. “Sint Nicolaas alléén te bereiken via de Beursstraat”, stond begin december 1948 op bordjes die medewerkers ophingen als het uit hand dreigde te lopen. Bij grote drukte werden belangstellenden vanuit de winkel met zachte drang buitenom naar de Beursstraat gedirigeerd. Vandaar liep een lange rij tot aan de eerste etage, waar de Sint dat jaar resideerde. Volwassenen zonder kinderen werden geweerd en Sinterklaas kreeg instructies het tempo van het handen schudden op te voeren. Zo staat het in een interne notitie uit 1948, waarin de directie uit de Sinterklaascampagne van dat jaar lessen trok voor de toekomst. Dat was niet overbodig. De Bijenkorf had al een reputatie als het ging om Sint-Nicolaasdrukte, maar in de jaren die nu volgden werden alle records verbroken.

Verbluffende etalages
"Een groot man maakte de hoeketalage bij de Beurs ('Kast 5', etalage heette 'kast'): Dick Verburg (mijnheer Dick), chef van de werkplaats. Al in juni of juli begon hij aan 'de Sinterklaaskast', met honderden bewegende figuren, boten, spoetniks, treintjes en open- en dichtgaande bruggen." Zo herinnert Jan Willem Holsbergen zich in Het Parool van 14 april 1983 de eerste Sinterklaasetalages van De Bijenkorf na de Duitse bezetting. Holsbergen werkte tussen 1946 en 1951 op de reclameafdeling van De Bijenkorf. "Niet alleen het publiek, vele tienduizenden kinderen, vergaapte zich wekenlang aan Dicks etalage, ook wij waren altijd weer verbluft door het wonder van zijn techniek. Bovendien werkte dit alles weken en weken zonder een enkele storing." Zo herleefde bij De Bijenkorf een vooroorlogse Sint-Nicolaastraditie. De etalageafdeling realiseerde in de jaren vijftig en zestig samen met professionele ontwerpers als Henny Cahn en Metten Koornstra de meest verbluffende schouwspelen. Een hoogtepunt was de etalage waarmee men in 1956 een internationale prijs in de wacht wist te slepen: de 'gold medal' van het Amerikaanse vakblad Display World. Het ging om een tot in details nagebouwd oer-Amsterdams straattafereel, in november en december 1955 te bewonderen in de hoeketalage bij de Beurs.
De etalages van De Bijenkorf kregen in deze periode ook los van Sinterklaas een grote naam, toen de toonaangevende ontwerper Benno Premsela in 1956 de leiding over de inrichting ervan op zich nam. Zijn stijl en die van de kunstenaars die hij aantrok, onderscheidde zich juist door eenvoud. De sfeer die hij wist te scheppen sloot goed aan bij het moderne en geslaagde levensgevoel dat De Bijenkorf graag wilde uitdragen. De nieuwe stijl drong ook door in de jaarlijkse Sinterklaasetalages, onder andere met modieuze cadeaus voor ‘haar’ en voor ‘hem’. Intussen hielden ook de vertrouwde kinderetalages met rijdende treinen en massaal musicerende beren in Sinterklaastijd gewoon stand.

Op audiëntie in de lunchroom
Nergens was in de loop van de jaren vijftig voor kinderen zoveel begeerlijks te koop als op de grootste speelgoedafdeling van Nederland die tijdelijk was ingericht op het Damrak. De meubel-, tapijt- en gordijnenafdelingen werden er zonder pardon geheel voor ontruimd. Het publiek werd volgens een uitgekiend ‘circulatieplan’ over de afdeling geleid. Je kon Sinterklaas niet alleen een hand geven, maar ook met hem op de foto. Hij resideerde in het begin vaak op de speelgoedafdeling, maar jarenlang hield hij ook audiëntie in de lunchroom. In 1949 had hij nog alleen op woensdag en zaterdag zitting, in 1960 zat hij op de drukste dagen dagelijks van 10.30-12.30 en van 14.30-16.30 uur in zijn 'Hof van Sint Nicolaas'. Wie een directe confrontatie liever uit de weg ging, kon de Sint en zijn Pieten op den duur op gezette tijden toejuichen als hij verscheen op het interne balkon. Voor ouders van buiten de stad was Sinterklaas in De Bijenkorf de bestemming van een dagje uit in Amsterdam.
De Sinterklaasvieringen in De Bijenkorf kregen al eind jaren veertig extra cachet doordat de directie de medewerking vroeg van min of meer bekende Nederlanders. Jan Willem Holsbergen herinnerde zich later nog hoe beeldhouwer Carel Kneulman ooit de rol van Sinterklaas speelde en Cobra-schilder Constant Nieuwenhuijs die van Zwarte Piet. Dichter Gerrit Kouwenaar hielp de klanten met het maken van rijmpjes en deed dat volgens Holsbergen nauwgezet: "Hij kweet zich zeer gewetensvol van zijn taak en met een overweldigend succes. Je zag zijn klanten de Sinterklaasverzen lezen, geamuseerd of met ontroering in de ogen." Een andere De Bijenkorf-Sinterklaasdichter was student en Propria Cures-redacteur Aad Nuis, die eind jaren vijftig zijn kunsten vertoonde. Hij keek er in Het Parool van 2 december 1982 op terug en herinnerde zich toen het meerlettergrepig rijm "Het is toch fijn/die bisschopswijn" als één van de betere vondsten waarmee hij zijn klanten versteld liet staan.

Klimpieten moeten blijven!
"Wat iedere afdelingschef van deze Sint Nicolaas Actie moet weten", stond in 1954 boven een uitgebreide personeelsinstructie. Er werd nauwgezet in beschreven hoe de oude vertrouwde De Bijenkorf dat jaar zou worden omgebouwd tot het hoofdkwartier van de Sint. Dat moest gebeuren in tien dagen, maar sneller mocht ook. Het zou in oktober beginnen en iedereen had een duidelijke taak. Ook werd vast aangekondigd dat zaterdag 4 december verplicht zou worden overgewerkt om alles weer af te breken. Toen al zat Kerstman Sinterklaas op de hielen... De voorbereiding op de Sinterklaascampagne werd in de jaren zestig vervat in een handzaam boekje voor het personeel, dat jaarlijks verscheen: het Sint Nicolaas-ABC. Daarin werd eenieder voorgehouden dat het zwaar zou worden en dat de routine op voor sommigen misschien onaangename wijze onderbroken zou worden, máár - zo stond het er in 1960: “U wordt omringd door honderden collega's in talrijke afdelingen. Allen tezaam vormt u naar buiten 1 eenheid: DE BIJENKORF."
"Wie heeft er niet als kleuter van vier jaar aan de hand van vader of moeder minstens één keer een reisje naar de Amsterdamse korf gemaakt om daar, in de Lichthal, onze welhaast legendarische klimpieten te zien?", lezen we in de decembercatalogus van 1982. Als we de eenvoudige kartonnen Pieten van de jaren dertig even buiten beschouwing laten, maakten de Klimpieten begin jaren zestig hun entree op het Damrak. In 1963 tuimelden ze al prachtig driedimensionaal uitgevoerd in schuitjes die bevestigd waren aan een soort luchtballonnen aan het plafond. Niet veel later begonnen ze ook écht te klimmen. Sindsdien is er één jaar geweest dat men dacht dat het misschien ook wel zonder Klimpieten kon. Dat hebben ze bij De Bijenkorf geweten! Het volgende jaar waren ze er weer en nog bij de grote verbouwing van de Lichthal in 2004 liet de bedrijfsleiding er tegenover de Amsterdamse pers geen misverstand over bestaan: "De Pieten blijven." Ze houden een lange Sinterklaastraditie in De Bijenkorf in ere: jaar na jaar, omhoog, omlaag en weer omhoog, eindeloos en in onverstoorbare regelmaat.

 


Gevelsteen is een blijvertje
Al in 1564 draagt het pand de naam van Sinter Claes

Tekst: Onno Boers

Hoog boven de mensen strekt Sinterklaas sinds begin 17de eeuw op de hoek van Dam en Damrak zijn zegende hand uit naar alle passanten. Panden kwamen en gingen, de gevelsteen met zijn beeltenis is gebleven. De steen kreeg korte tijd nog gezelschap van een beeld, maar dat staat nu in de Oude Kerk.

In oktober 2004 kreeg de bekende gevelsteen met de beeltenis van Sint-Nicolaas in de Damgevel van het hoekpand Damrak/Dam een grote opknapbeurt. Het fraai gehakte reliëf had in de loop der jaren meerdere keren een nieuw verfje gekregen, maar bij de laatste schilderbeurt was er iets misgegaan: 'Sinter Claes' droeg nu een totaal verkeerd kostuum. De schilder had, toen hij toch met rood voor de mantel bezig was, ook maar het superplie - het korte witte koorhemd met geplooide mouwen - in die kleur meegenomen. En dat niet alleen. De bovenkant van de mantel met de brede sluiting was met goudverf behandeld. En de totale voor- en achtergrond van de gevelsteen had nu hardblauwe kleur, alleen het kerkje rechts was gespaard gebleven.
Deze misstap is inmiddels rechtgezet. Beeldhouwer Jan Hilbers heeft de kindervriend weer in het juiste pak gestoken. Over de lange witte albe - het koorhemd - draagt hij nu een crèmekleurige superplie en de mantel is helemaal rood, met slechts een gouden sluiting. Van de houten staf is alleen nog de krul goud gekleurd. De goedheiligman staat afgetekend in een open nis met uitzicht op een heuvellandschap met kerkje en doet zijn goede werken door de kinderen in de tobbe weer tot leven te wekken met een zegenend gebaar. Het ongelukkige drietal was gedood en ingezouten door de waard van een herberg die ze wilde verwerken in zijn gerechten, zo wil het volksverhaal.

Nicolaas wordt Bonifatius
De gevelsteen is eeuwenoud. Al in 1564 wordt het pand naar Sinter Claes vernoemd; begin 17de eeuw zou het uithangbord plaatsmaken voor de gevelsteen. Op diverse geschilderde en getekende Damgezichten zijn pand en steen herkenbaar. Deze (zij)gevel kwam overigens pas in 1567 aan de Dam te liggen. Vanwege de voorgenomen bouw van het Waaggebouw werden de huizen ten noorden van de Dam tussen Nieuwendijk en Damrak afgebroken, en stonden de panden aan de noordzijde van de toenmalige Watersteeg ineens aan de Dam.
De gevelsteen heeft alle verbouwingen en moderniseringen van het hoekpand overleefd. Telkens weer werd Sinter Claes hergebruikt. Dat gebeurde ook in 1899 toen de laat 18de-eeuwse klokgevel plaats moest maken voor een constructie die door de vorm van de grote ramen op de verdieping al vlug de naam 'de Vulkachel' kreeg. Op dat moment was café Bisschop er gevestigd. In een nis boven een ingang links aan de Dam kwam een groot beeld van Sinterklaas te staan, waarboven de oude gevelsteen werd ingemetseld. Vóór die tijd had hij een plekje dichter bij de hoek met het Damrak.
Enkele decennia later echter verdwenen het beeld en de eeuwenoude gevelsteen uit het stadsgezicht. In 1926 werd het bovendeel van het pand wegens bouwvalligheid afgebroken en de rest dichtgetimmerd en beplakt met reclames. Beeld en gevelsteen raakten gescheiden. Het beeld verhuisde naar Hoorn om als Sint-Bonifatius vanaf de gevel van het gelijknamige kleinseminarie dat in 1929 de deuren opende de bezoekers te begroeten. In december 1990 keerde hij weer terug naar Amsterdam en kreeg een plaats in het ABN bankfiliaal hoek Dam/Damrak. Wegens een interne verbouwing heeft de bank het beeld in bruikleen gegeven aan de Oude Kerk, waar het een mooi plaatsje heeft gevonden in de Librye.

Terug in de gevel
Ondertussen was de oude gevelsteen na de sloop van het bovendeel van de Vulkachel in het bezit van de familie Heineken gekomen, de eigenaar van het voormalige café Bisschop, die het in bruikleen gaven aan het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Bij een grondruil met de Heinekens Bierbrouwerij Maatschappij verwierf de gemeente de resten van het hoekpand en de twee huizen ernaast aan het Damrak. (De brouwerij kreeg het gedeelte van de Jacob van Campenstraat tussen de Ferdinand Bolstraat en de Tweede van der Helststraat dat de fabriekspanden van de brouwerij scheidde. Vandaar dat er nu een Eerste en een Tweede Jacob van Campenstraat zijn, maar dit terzijde.)
In de nieuwbouw van architect Jan Gratama kreeg de oude gevelsteen, een plaats boven een ingang aan de Damzijde, geflankeerd door twee geornamenteerde stenen panelen waarop langs de onderrand ANNO 1934 het jaar van voltooiing aanduidden. Bij een latere verbouwing is de gevelsteen hoger in de gevel aangebracht en zijn de zijpanelen met de jaaraanduiding verwijderd. En zo komt het dat Sinterclaes na al die eeuwen nog steeds zijn zegende hand uitstrekt naar het publiek op de Dam.

 


Een letter van banket
Sinterklaas culinair

Tekst: Johannes van Dam

Koeketen was in Amsterdam onlosmakelijk verbonden met de Sinterklaasviering. Geen wonder: Amsterdammers stonden bekend als koeketers. Tientallen soorten waren hier te koop. De meeste baksels werden gemaakt van rogge. Letters, poppen, pepernoten, taaitaai - het was er allemaal. Maar over het ontstaan van al die tradities is nog veel onduidelijk.

Vroeger hadden steden en dorpen veel meer dan nu hun eigen regels, normen en tradities. Dat begon al met de gebruikte maten en munten, die in iedere stad weer anders konden zijn. Feestdagen waren ook nogal lokaal. Soms zijn ze dat nog. Zelfs een nationaal feest als Koninginnedag wordt in iedere stad net weer iets anders gevierd.
Sinterklaas is net zo. Omdat de heilige Nicolaas in de Middeleeuwen ook de beschermheilige van de stad Amsterdam werd, was het Sinterklaasfeest hier van begin af aan toch wel iets speciaals - met ook zijn eigen lekkernijen. Iedere stad had destijds zijn eigen culinaire specialiteiten, die vaak geïmiteerd werden. Vooral koeken waren vanouds geliefde versnaperingen en zo werden koeken als de Deventer, de Groninger en menig andere beroemd in alle provinciën.
Vooral Amsterdammers aten graag koeken en kregen daarom ook de bijnaam koeketers. Ze maakten ook graag de smakelijke koeken van andere gewesten en steden na. Bij conflicten leidde dat wel eens tot overleg op hoog niveau of zelfs tot litigatie (een civiel proces), zoals tussen de burgervaders van Amsterdam en Deventer - denk niet dat vervalsen alleen iets van deze tijd is.
De Sinterklaasmarkt (zie ook elders in dit nummer) was in Amsterdam een belangrijk gebeuren en in de 16de eeuw werden op deze markt veel soorten koek uitgevent, zoals kruidkoek, anijskoek, snipperkoek, sukadekoek, gerstekoek, krentenkoek, rozijnenkoek, mangelkoek (=amandelkoek), confijtekoek, hijlikmakers (hylikmaker=huwelijksmaker; het woord 'goedheiligman' heeft dus met huwelijk, niet met heiligheid te maken), benistekoek, keuningskoek, stroopkoek, heuningkoek, boterkoek, bagijnenkoek, claeskoek, kerskoek, jaepjeskoek, fonteinkoek, enzovoorts. Je kunt dus niet zeggen dat er een specifieke Sinterklaaskoek was, of het moest wel de hijlikmaker zijn. Maar wel werd het koeketen
hier een onlosmakelijk onderdeel van de Sinterklaasviering.
Nu zou je kunnen denken dat we al die Sinterklaasgebruiken aan het christendom danken, maar daarover zijn de geleerden het lang niet eens. Sommige tradities lijken inderdaad aan te sluiten op oude legenden over de heilige Nicolaas, maar andere zijn moeilijk aan een christelijke bisschop te verbinden, zoals het idee dat Sinterklaas te paard over de daken rijdt. Daarom opperden sommige geleerden dat in de vroege Middeleeuwen roomse missionarissen de onuitroeibaar lijkende heidense tradities ‘onschadelijk’ hebben gemaakt door die in een christelijk jasje te gieten.
Deze predikers stelden Sint-Nicolaas in de plaats van de over de wolken rijdende Germaanse oppergod Wodan, die hier vooral ’s winters gevreesd en met stroop gesmeerd werd - letterlijk en figuurlijk. Het offeren aan Wodan werd vervangen door het strooien van snoepgoed ter ere van de katholieke heilige. Bij ons in het koude noorden kon dat niet met even delicate gebaksoorten gebeuren als in Zuid-Europa, waar ze fijne tarwe hadden. Wij moesten het doen met rogge, en daarvan worden dan ook vrijwel alle Sinterklaasbaksels gemaakt. Als deze volkskundigen gelijk hebben, offeren we dus in feite als de oude heidenen aan Wodan!

Peternoten zijn miniatuurkoeken
Pepernoten en speculaas zijn waarschijnlijk niets anders dan afleidingen van de aloude peperkoeken. Die werden voornamelijk met rogge en honing gemaakt. Door het gebruik van potas (kaliumcarbonaat, nu zouden we het bakpoeder noemen) werd het product luchtiger; door de honing bleef het zacht en er zat geen vet in. Ook taaitaai kreeg zijn taaie structuur door het gebruik van honing. Toen later suiker werd gebruikt in plaats van honing, werd het resultaat harder en met de toevoeging van boter ook nog knapperiger. Speculaas, nu met tarwemeel gemaakt en een specifiek mengsel speculaaskruiden, is dus een luxe uitvoering van de oudere koeksoorten en kon ook dunner gemaakt worden door zijn stevige structuur. De ‘poppen’ en andere afbeeldingen werden in vorm gegoten met behulp van kunstig gesneden speculaasplanken. Daarop zijn soms oeroude symbolen herkenbaar, zoals het molentje, dat ook als een levensrad beschouwd kan worden. Dit zijn typisch Nederlandse gewoonten.
In België hebben ze meer een speculaas- dan een speculoostraditie - pas op: dat is niet hetzelfde! Speculaas onderscheidt zich door die koekkruiden; speculoos moet het hebben van de gekarameliseerde suiker, die hem zijn eigen smaak geeft. Pepernoten zijn in feite kleine uitvoeringen van de aloude kruidkoek of ontbijt- of peperkoek (pain d'épices noemen de Fransen het). Pepernoten zijn dan dés de pain d'épices. Kruidnoten is trouwens een beter woord.
Al lang geleden werd het gewoonte om ook koeken in de vorm van letters te bakken. De reden daarvoor is niet echt bekend. Zoals meestal bij dit soort langzaam gegroeide gebruiken, doen er allerlei verklaringen de ronde. Zo zouden de Sinterklaasgeschenken per kind onder een laken verstopt zijn en werd in brooddeeg de naamletter van het kind er op gelegd. Of de letters zouden dienen om te leren spellen (daarbij ontbreekt de connectie met Sinterklaas); anderen willen ermee terug naar Wodan en zien de oorsprong in de runentekens. Die koekletters zouden zich ontwikkeld hebben tot banketletters. Wanneer de letters van chocolade hun intrede deden is niet precies bekend. In ieder geval adverteerden chocolademakers al in 1850 voor “letters en vlikjes van zoete chocolaad, voor het Sint Nicolaasfeest” (Leeuwarder Courant 3 december 1850). Chocoladesigaren bestonden toen al.
In de tegenwoordig populaire netjes met chocolademuntjes zou men een moderne toespeling kunnen zien op een bekende christelijke Sint-Nicolaaslegende uit de vroege Middeleeuwen: drie meisjes, dochters van een verarmd edelman die niet genoeg geld had voor een bruidsschat, werden door de bisschop financieel geholpen met zakjes munten, die hij stiekem door het raam in hun schoenen mikte. Deze legende biedt meteen ook een alternatieve verklaring voor de oeroude tradities van het schoenzetten en strooien.
De folkloristen die ons nog graag als een soort edelgermanen zien, blijven het echter als offers aan Wodan beschouwen, en dat geldt natuurlijk al helemaal voor de marsepeinen varkens. In plaats van een echt varken te moeten slachten, komen we er mooi vanaf door een snoepgoedbeest te offeren. Hoewel: offeren? We eten alles wel lekker zelf op! Hoe lang laat Wodan dat nog over zijn kant gaan? Pas maar op!