Nummer 11-12: November-December 2009 - De Bijenkorf als hoofdkwartier

De Bijenkorf als hoofdkwartier
'Het gehele huis was in een Sinterklaaskleed gestoken'

Tekst: Niels Wisman

BIJENKORF_1-LR-kleinVoor de enige échte Sinterklaas moest je jarenlang bij De Bijenkorf zijn. In een speciaal voor hem verbouwd warenhuis hield hij de weken voorafgaand aan 5 december ontvangst. De directie regelde het graag en presenteerde het warenhuis als 'Hofleverancier van Sinterklaas'. Het interieur van de winkel werd ieder jaar opnieuw met geraffineerde decoraties in een sfeer van geheimzinnige verwachting gebracht. Adembenemende feestetalages leidden tot chaotische tonelen op de stoep. Het personeel moest overwerken en de kassa rinkelde.

"Met het oog op de drukte in de middag-uren richten wij hiermede tot de dames het vriendelijk verzoek hare inkopen zoveel mogelijk ’s morgens vóór 12 uur te willen doen", was de boodschap van een Sinterklaasadvertentie in 1913. Het was één van de eerste. De Bijenkorf was toen gevestigd in een ‘hulpgebouw’ en nog maar kort van een garen- en bandwinkel op de Nieuwendijk omgebouwd tot een rijk gesorteerd warenhuis op het Damrak. Pas in de herfst van het jaar daarop werd het bekende kooppaleis op de hoek met de Dam in gebruik genomen en kon het écht beginnen. Dat was in een benarde tijd, want buiten het neutrale Nederland woedde sinds augustus 1914 het bloedige internationale conflict dat we tegenwoordig de Eerste Wereldoorlog noemen. Ondanks de schaarste bracht De Bijenkorf in Sinterklaastijd steevast met paginagrote advertenties een keur aan speelgoed en andere cadeaus onder de belangstelling van de clientèle. In 1915 verscheen zelfs een complete Sinterklaascatalogus als bijlage van het weekblad De Prins. Écht serieus werd het met Sint in De Bijenkorf toen de oorlog na vier jaar voorbij was.
Wie iets te besteden had, was in de jaren twintig op het Damrak aan het goede adres. "Onze Sint-Nicolaas-expositie is thans gereed en hiermede onze 2e etage herschapen in ’n Eldorado voor kinderen”, was de aanstekelijke tekst van een advertentie in december 1924. Al een paar jaar was de weidse benaming ‘expositie’ toen in zwang als het ging om de speelgoedafdeling in Sinterklaastijd. Ook de etalages trokken datzelfde jaar veel belangstelling en volgens een enkel bericht in de pers moest de dienstdoende agent op het trottoir van het Damrak het publiek af en toe aanmanen om door te lopen. Van een speciale Sint-Nicolaasetalage voor kinderen horen we voor het eerst in 1926, toen in de ‘hoekkast’ aan het Beursplein een ‘Berenbruiloft’ te zien was. Blijkens het persbericht ging het om een speelgoedopstelling die "tot in de kleinste onderdelen beweegbaar" was. Techniek en beweging zaten in de lucht. Populair waren ook in deze jaren al elektrische spoortreinen die achter glas door tunnels en langs ravijnen rondreden in een landschap van knipperende seinpalen en op- en neer bewegende spoorbomen.

Geen volwassenen zonder kinderen
"Het gehele huis was in een Sinterklaaskleed gestoken. De figuren van Sinterklaas en Zwarte Piet wisselden elkaar af op de pilaren, terwijl bovendien veel plakkaten waren opgehangen waarop cadeau-artikelen waren afgebeeld met toepasselijke teksten." Zo staat het in een Algemeen Rapport Sint Nicolaas dat de Amsterdamse directie in 1939 voor intern gebruik uitbracht. In de loop van de jaren dertig had de Sinterklaascampagne in De Bijenkorf zich ontwikkeld tot een militaire exercitie. Die hield overigens gelijke trede met soortgelijke operaties in filialen in andere steden. Al in de lente begon het ieder jaar met de inkoop. In de zomermaanden werd in hemdsmouwen vergaderd over de slagzinnen en in september startte het knutselen en schilderen voor de etalages. In de loop van november werden de afdelingen versierd en als tegen vijf december de échte drukte toesloeg, kwam de sneldichter in actie. In 1939 vervaardigde hij maar liefst 840 rijmpjes, gratis voor wie meer dan vijf gulden aan cadeaus besteedde. Pas de ontreddering en schaarste die volgden op de Duitse inval in mei 1940 brachten dit jaarlijkse ritueel op den duur tot stilstand, maar de verkoop ging ook toen door. Zelfs in de verschrikkelijke winter van 1944 kon men in Sinterklaastijd op het Damrak nog terecht voor troosteloze aardewerken vazen en sieraden van twijfelachtige kwaliteit.
De eerste periode na de Duitse bezetting was ook in De Bijenkorf nog niet veel te koop, maar in 1947 begon het weer. De laatste dagen voorafgaande aan de vijfde december van dat jaar liet de directie systematisch foto's maken van de drukte op de verschillende afdelingen. Met tussenpozen van een half uur werd met de camera vastgelegd hoe de koopdag verliep. Met die wetenschap kon men het jaar daarop zijn voordeel doen. “Sint Nicolaas alléén te bereiken via de Beursstraat”, stond begin december 1948 op bordjes die medewerkers ophingen als het uit hand dreigde te lopen. Bij grote drukte werden belangstellenden vanuit de winkel met zachte drang buitenom naar de Beursstraat gedirigeerd. Vandaar liep een lange rij tot aan de eerste etage, waar de Sint dat jaar resideerde. Volwassenen zonder kinderen werden geweerd en Sinterklaas kreeg instructies het tempo van het handen schudden op te voeren. Zo staat het in een interne notitie uit 1948, waarin de directie uit de Sinterklaascampagne van dat jaar lessen trok voor de toekomst. Dat was niet overbodig. De Bijenkorf had al een reputatie als het ging om Sint-Nicolaasdrukte, maar in de jaren die nu volgden werden alle records verbroken.

Verbluffende etalages
"Een groot man maakte de hoeketalage bij de Beurs ('Kast 5', etalage heette 'kast'): Dick Verburg (mijnheer Dick), chef van de werkplaats. Al in juni of juli begon hij aan 'de Sinterklaaskast', met honderden bewegende figuren, boten, spoetniks, treintjes en open- en dichtgaande bruggen." Zo herinnert Jan Willem Holsbergen zich in Het Parool van 14 april 1983 de eerste Sinterklaasetalages van De Bijenkorf na de Duitse bezetting. Holsbergen werkte tussen 1946 en 1951 op de reclameafdeling van De Bijenkorf. "Niet alleen het publiek, vele tienduizenden kinderen, vergaapte zich wekenlang aan Dicks etalage, ook wij waren altijd weer verbluft door het wonder van zijn techniek. Bovendien werkte dit alles weken en weken zonder een enkele storing." Zo herleefde bij De Bijenkorf een vooroorlogse Sint-Nicolaastraditie. De etalageafdeling realiseerde in de jaren vijftig en zestig samen met professionele ontwerpers als Henny Cahn en Metten Koornstra de meest verbluffende schouwspelen. Een hoogtepunt was de etalage waarmee men in 1956 een internationale prijs in de wacht wist te slepen: de 'gold medal' van het Amerikaanse vakblad Display World. Het ging om een tot in details nagebouwd oer-Amsterdams straattafereel, in november en december 1955 te bewonderen in de hoeketalage bij de Beurs.
De etalages van De Bijenkorf kregen in deze periode ook los van Sinterklaas een grote naam, toen de toonaangevende ontwerper Benno Premsela in 1956 de leiding over de inrichting ervan op zich nam. Zijn stijl en die van de kunstenaars die hij aantrok, onderscheidde zich juist door eenvoud. De sfeer die hij wist te scheppen sloot goed aan bij het moderne en geslaagde levensgevoel dat De Bijenkorf graag wilde uitdragen. De nieuwe stijl drong ook door in de jaarlijkse Sinterklaasetalages, onder andere met modieuze cadeaus voor ‘haar’ en voor ‘hem’. Intussen hielden ook de vertrouwde kinderetalages met rijdende treinen en massaal musicerende beren in Sinterklaastijd gewoon stand.

Op audiëntie in de lunchroom
Nergens was in de loop van de jaren vijftig voor kinderen zoveel begeerlijks te koop als op de grootste speelgoedafdeling van Nederland die tijdelijk was ingericht op het Damrak. De meubel-, tapijt- en gordijnenafdelingen werden er zonder pardon geheel voor ontruimd. Het publiek werd volgens een uitgekiend ‘circulatieplan’ over de afdeling geleid. Je kon Sinterklaas niet alleen een hand geven, maar ook met hem op de foto. Hij resideerde in het begin vaak op de speelgoedafdeling, maar jarenlang hield hij ook audiëntie in de lunchroom. In 1949 had hij nog alleen op woensdag en zaterdag zitting, in 1960 zat hij op de drukste dagen dagelijks van 10.30-12.30 en van 14.30-16.30 uur in zijn 'Hof van Sint Nicolaas'. Wie een directe confrontatie liever uit de weg ging, kon de Sint en zijn Pieten op den duur op gezette tijden toejuichen als hij verscheen op het interne balkon. Voor ouders van buiten de stad was Sinterklaas in De Bijenkorf de bestemming van een dagje uit in Amsterdam.
De Sinterklaasvieringen in De Bijenkorf kregen al eind jaren veertig extra cachet doordat de directie de medewerking vroeg van min of meer bekende Nederlanders. Jan Willem Holsbergen herinnerde zich later nog hoe beeldhouwer Carel Kneulman ooit de rol van Sinterklaas speelde en Cobra-schilder Constant Nieuwenhuijs die van Zwarte Piet. Dichter Gerrit Kouwenaar hielp de klanten met het maken van rijmpjes en deed dat volgens Holsbergen nauwgezet: "Hij kweet zich zeer gewetensvol van zijn taak en met een overweldigend succes. Je zag zijn klanten de Sinterklaasverzen lezen, geamuseerd of met ontroering in de ogen." Een andere De Bijenkorf-Sinterklaasdichter was student en Propria Cures-redacteur Aad Nuis, die eind jaren vijftig zijn kunsten vertoonde. Hij keek er in Het Parool van 2 december 1982 op terug en herinnerde zich toen het meerlettergrepig rijm "Het is toch fijn/die bisschopswijn" als één van de betere vondsten waarmee hij zijn klanten versteld liet staan.

Klimpieten moeten blijven!
"Wat iedere afdelingschef van deze Sint Nicolaas Actie moet weten", stond in 1954 boven een uitgebreide personeelsinstructie. Er werd nauwgezet in beschreven hoe de oude vertrouwde De Bijenkorf dat jaar zou worden omgebouwd tot het hoofdkwartier van de Sint. Dat moest gebeuren in tien dagen, maar sneller mocht ook. Het zou in oktober beginnen en iedereen had een duidelijke taak. Ook werd vast aangekondigd dat zaterdag 4 december verplicht zou worden overgewerkt om alles weer af te breken. Toen al zat Kerstman Sinterklaas op de hielen... De voorbereiding op de Sinterklaascampagne werd in de jaren zestig vervat in een handzaam boekje voor het personeel, dat jaarlijks verscheen: het Sint Nicolaas-ABC. Daarin werd eenieder voorgehouden dat het zwaar zou worden en dat de routine op voor sommigen misschien onaangename wijze onderbroken zou worden, máár - zo stond het er in 1960: “U wordt omringd door honderden collega's in talrijke afdelingen. Allen tezaam vormt u naar buiten 1 eenheid: DE BIJENKORF."
"Wie heeft er niet als kleuter van vier jaar aan de hand van vader of moeder minstens één keer een reisje naar de Amsterdamse korf gemaakt om daar, in de Lichthal, onze welhaast legendarische klimpieten te zien?", lezen we in de decembercatalogus van 1982. Als we de eenvoudige kartonnen Pieten van de jaren dertig even buiten beschouwing laten, maakten de Klimpieten begin jaren zestig hun entree op het Damrak. In 1963 tuimelden ze al prachtig driedimensionaal uitgevoerd in schuitjes die bevestigd waren aan een soort luchtballonnen aan het plafond. Niet veel later begonnen ze ook écht te klimmen. Sindsdien is er één jaar geweest dat men dacht dat het misschien ook wel zonder Klimpieten kon. Dat hebben ze bij De Bijenkorf geweten! Het volgende jaar waren ze er weer en nog bij de grote verbouwing van de Lichthal in 2004 liet de bedrijfsleiding er tegenover de Amsterdamse pers geen misverstand over bestaan: "De Pieten blijven." Ze houden een lange Sinterklaastraditie in De Bijenkorf in ere: jaar na jaar, omhoog, omlaag en weer omhoog, eindeloos en in onverstoorbare regelmaat.